‘The Woman’s Section’, het netwerk van Josephine White Bates

De totstandkoming in New York van de ‘American Commission for Relief in Belgium’ is mede te danken geweest aan de ‘The Woman’s Section’, geleid door Josephine White Bates, die zich ontwikkelde, parallel aan de Men’s Department’, geleid door Lindon W. Bates, echtgenoot van Josephine.
Lou Henry Hoover, vanuit San Francisco, en haar echtgenoot Herbert Hoover, vanuit Londen, UK, waren beiden in nauw contact met zowel Josephine als Lindon Bates over de gang van zaken.

Josephine White Bates, schrijfster, foto: online

Inleiding
De schrijfster Josephine White Bates zette in het najaar van 1914 een netwerk van vrouwenorganisaties op, die in theorie vijf miljoen vrouwen door de Verenigde Staten heen vertegenwoordigde. Het netwerk deed een oproep aan de betrokken vrouwenorganisaties in samenwerking met andere Belgian Relief comités levensmiddelen voor België in te zamelen.

Mijn vragen waren: Hoe kwam The Woman’s Section tot stand en tot wanneer is het actief geweest? Welke relatie is er te leggen tussen The Woman’s Section en de versierde meelzakken? Josephine Bates en Lou Henry Hoover kenden elkaar goed. Welke relatie had Lou Hoover met The Woman’s Section? Op welke manier is koningin Elisabeth van België bij The Woman’s Section betrokken geraakt?

Onderzoek en bronnen
De bekendste bron over de oprichting van The Woman’s Section is de eigen ‘History of Woman’s Section, 26 februari 1915’, verschenen binnen vier maanden na de oprichting.
In mei 2022 heb ik in de Hoover Institution Library & Archives (HILA), op Stanford University, Palo Alto, California, archieven van The Woman’s Section kunnen raadplegen. Ik vond deze in box 352 van de Commission for Relief in Belgium (CRB) Records en bestudeerde een dag lang brieven, telegrammen, verslagen, interne memo’s, persberichten en krantenknipsels van de vrouwen en mannen, betrokken bij The Woman’s Section. Daarnaast las ik in andere boxes telegrammen en brieven gerelateerd aan Lindon W. Bates, de echtgenoot van Josephine. De echtelieden werkten zij aan zij aan Belgian Relief. Ook hun oudste zoon Rox werkte mee. In juni 2022 bestudeerde ik box 82 van de Lou Henry Hoover papers in de Herbert Hoover Presidential Library-Museum (HHPLM) in West Branch, Iowa.

Josephine White Bates en haar gezin

Het gezin Bates: Josephine, Lindon, ‘Rox’ en ‘Dell’.

Josephine White Bates (ºPortage-du-Fort, Québec, Canada, 08-07-1862 +Yorktown, New York, USA, 20-10-1934) was 52 jaar toen de oorlog in Europa uitbrak. Haar meisjesnaam was White, ze werd geboren in Canada, ze was een gerespecteerd schrijfster.[1]
Josephine was getrouwd in Portland, Oregon, op 22 april 1881, met de Amerikaanse ingenieur Lindon Wallace Bates, 56 jaar in 1914, (ºMarshfield, Vermont, VS, 19-11-1858 +London, UK, 22-04-1924). Hij werkte onder meer aan de aanleg van het Panamakanaal, geopend in 1913.
Het echtpaar kreeg twee zoons: Lindon Wallace jr. ‘Rox’, 31 jaar in 1914, (º1883-Ierland 07-05-1915) en Lindell Theodore ‘Dell’, 24 jaar in 1914, (º13-02-1890 +Londen, UK, 13-04-1937).

De vriendschap tussen de gezinnen Bates en Hoover
Het gezin Bates woonde op vele plaatsen in de wereld door het werk van Lindon Bates. Het onderhield vriendschappelijke contacten met het gezin van Herbert en Lou Hoover en hun twee zoons. Josephine and Lindon Bates woonden in New York, 5th Avenue; alternatief verbleven zij in hun buitenhuis, de Lebanon Lodge in Mount Libanon, Pennsylvania.
In oktober 1914 verbleven de Bates in New York, Lou Henry Hoover met haar twee zoons in Californië, Herbert Hoover in Londen, UK.

‘Belgian Relief New York section’
Herbert Hoover legde contact met Lindon Bates. Op 28 oktober 1914 vroeg hij hem te assisteren bij het werk voor de Commission for Relief in Belgium, gevestigd in Londen.
Hoover had daarvoor contacten met anderen in New York, hij werkte op meerdere manieren aan hetgeen hij wilde bereiken. Hij stuurde Sidney Ball het bericht: “I suggest Lindon Bates be asked join New York Committee owing his long association with Belgian officials and important business men and high esteem in which he is held here. Bates will be able to smooth many difficulties if he will serve”.
Aan Lindon Bates schreef hij:
“Will you help me Belgian Relief New York section? See Sidney Ball get copies cables from me re Ryan*) and position. (…) Apparently Ryan not prepared make good putting up money and to embarrassment of Ambassadors insists on cabling them instead of myself in these matters. Will you try get into this situation and advise me what course we ought take. I am proposing to set up subcommittee principal points in States to collect and ship food. I believe we will be able raise necessary money for relief funds in Europe to pay for freight and insurance. If you will interest yourself I will send you any necessary cables of authority.”[2]

Kennelijk overlegden Josephine en Lindon Bates thuis over de situatie en besloten samen de hulpverlening aan België op te pakken. Lindon Bates accepteerde zijn rol, maar koppelde zijn akkoord aan het verzoek om Josephine Bates officieel om hulp te vragen om met Amerikaanse vrouwenorganisaties een sterke groep van miljoenen vrouwen te formeren, die voedsel en geld zouden verschaffen. “Will help. Cable credentials which I will use discreetly as New York City fairly covered. Cable Mrs Bates officially requesting her form strong group to enlist all women organizations to procure food or money. These organizations total eight million member group ready.” [3]

‘The formation of a great group of American Women’
Hoover antwoordde per omgaande: “Glad adopt suggestion Mrs. Bates if there is no probable conflict Ryan.” [4]

Josephine White Bates, voorzitter The Woman’s Section, foto uit 1915 HILA

Dus stuurde Herbert Hoover deze officiële uitnodiging aan Josephine Bates: “The American Commission for Relief in Belgium which has been set up officially by the American Ambassadors to execute their international agreements for the provisioning of Belgium and which embraces American Ambassadors as Honorary Chairman, the American Consuls and American Residents of England and Belgium as members, would like to have you undertake the formation of a great group of American Women who would support us in securing food or money for the Belgian people. It is certain that the entire population of 7,000,000 are on the verge of famine and that 80,000 tons of cereals per month is the absolute minimum upon which body and soul can be kept together and this provides a ration of but 10 ounces per capita per diem. The situation is one of greatest gravity. We have sent an appeal to the American Press to open subscriptions for our purposes, all of which subscriptions we want translated into actual foodstuffs from United States. We would be grateful for the help of yourself and all those who rightly should come to your support.” [5]

Handtekening Josephine White Bates, Chairman The Woman’s Section of The American Commission for Relief in Belgium, New York.

Josephine Bates accepteerde de uitnodiging, nadat ze met enkele vriendinnen had overlegd: “The official invitation of the American Commission for Relief in Belgium received. I accept with deep sense of responsibility. I am forming a representative Committee which will do its uttermost to enlist co-operation from all American Women.” [6]

Waar kwam Josephine’s plan vandaan? Lindon Bates verklaarde dat in een brief aan Lou Hoover: ‘Mrs. Bates had just come from a conference in Pittsburg [7] of delegates representing such a number, contemplating a Union Council for another purpose hence the inspiration.’[8]

Josephine Bates ging aan het werk om haar groep te formeren en vond enkele vooraanstaande dames bereid toe te treden; dat bleek nog wel gecompliceerd, omdat de dames expliciete Belgische erkenning eisten.

Mrs. Anne Harriman Vanderbilt, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto: LoC online

‘American Woman’s Section’
Lindon W. Bates schreef aan Herbert Hoover: (…)
AMERICAN WOMAN’S SECTION. Mrs.Bates is decidedly busy re the personnel of the group and ran against a snag again in the shape of a ‘sine qua non’ that there be official Belgian recognition here, before certain valuable names could be telegraphed to you. I attended a meeting of theirs, their last meeting. [9]

Het voorlopige executive Committee telde zes vrouwen uit de hoogste kringen in New York en was na veel afwegingen en overleg tot stand gekomen.
– Mrs. Lindon W. Bates: Josephine White Bates, Chairman
– Miss Anne Morgan (ºHighland Falls, NY, 25-07-1873 +Mount Kisco, NY, 29-01-1952), Treasurer
– Mrs. August Belmont: Eleanor Robson Belmont (ºWigan, Greater Manchester, UK, 13-12-1879 +New York, NY, 24-10-1979)
– Mrs. Edward R Hewitt: Mary Ashley Hewitt (ºToledo, Ohio, 20-09-1866 +New York, NY, 03-11-1945)
– Mrs. William K. Vanderbilt: Anne Harriman Vanderbilt (ºManhattan, NY, 17-02-1861 +Manhattan, NY, 20-04-1940)
– Miss Mary Parsons (Dr. Mary Parsons?)

Mrs. Eleanor Robson Belmont in 1915, actrice en schrijfster, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto Detroit Free Press

‘The Woman’s Section of the American Commission for Relief in Belgium’
Josephine Bates berichtte enthousiast aan Herbert Hoover de concept-tekst van het persbericht dat zij voornemens was aan de Amerikaanse pers te sturen: ‘Release to press begins: “At request of the American Commission for Relief in Belgium movement has been inaugurated to secure the Cooperation of all organizations of women in America the Comittee is called the Woman’s Section of the American Commission for Relief in Belgium. Its executive Committee consists of Mrs Lindon Bates Miss Anne Morgan Miss Mary Parsons Mrs Edward R Hewitt Mrs August Belmont and Mrs William K. Vanderbilt. It is in alliance and is cooperating with The Belgian relief Committee of New York. It is securing a large Council and the Cooperation of the leading womens organizations in a nation wide movement for securing food for Belgium”. ‘[10]

Herbert Hoover antwoordde per omgaande even enthousiast en deed er enkele flinke scheppen bovenop:
– twee bootladingen voedsel had het CRB-hoofdkantoor al toegezegd gekregen van vrouwen uit Californië; Oregon en Iowa rekende hij toe aan Josephine’s comité.
– 50.000 vrouwelijke kantwerksters zouden ze werk kunnen geven, kanten zakdoekjes maken, met verwijzing naar hongersnood, te verkopen voor een quarter, 10 cent door de kantwerksters te ontvangen als leefgeld:
“Hurrah will publish Monday morning. Can join wife’s name as she has by securing support California. Women just procured us two cargoes and would at once go. Oregon and lowa represent you. If we could give employment fifty thousand women lace workers, if we could sell lace embroidered handkerchiefs at a quarter and would cost about ten cents to give them living wage, they could contain famine remark. What do you think of it?” [11]

Er volgde onmiddellijk een nieuwe hobbel, er moest een telegram komen met de bevestiging voor het werk van The Woman’s Section van de hoogst mogelijke Belgische autoriteit. De status van het CRB-hoofdkantoor in Londen en diens nieuwe Amerikaanse sectie in New York, moest officieel bevestigd worden. Ze zouden samenwerken met de andere actoren voor Belgian Relief in New York.

Miss Anne Morgan, penningmeester van de Executive Board of The Woman’s Section, foto uit 1915 LoC online

Lindon W. Bates vroeg aan Herbert Hoover:
“Confidential
Anne Morgan and other important women decide Mrs Bates should have appointment supplemented by cable confirmation highest attainable Belgian authority, direct or by positive instructions to Belgian Minister Washington. This will be only woman’s committee independent of De Forest, which was started by atrocity mission and local Belgians though recognised as inefficient, has preempted position making people ignorant of your officially preeminent status. Hesitate better arrange such cable neither De Forest group or local Belgians competent. Enlist invaluable help of such woman and organisations. Publish progress showing results several times greater in one week than De Forest in ten.” [12]
In Londen werd een oplossing bedacht. Herbert Hoover schreef aan Lindon W. Bates: ‘Expect have satisfactory solution all organization matters in few days mainly on lines your suggestion.’ [13]

Mrs Mary Ashley Hewitt, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto uit 1916: LoC online

Het persbericht van CRB London headquarters – 9 november 1914
Uiteraard pakte het CRB-hoofdkantoor in Londen door, de CRB had draagkracht nodig en gaf een internationaal persbericht uit waarin onder meer de inhoud van Josephine Bates’ persbericht over de Woman’s Section was overgenomen. Voor diezelfde draagkracht voegden Hoover en zijn medewerkers de naam van Lou Henry Hoover toe aan het in New York zorgvuldig samengestelde vrouwencomité. Lou had immers conform opdracht uit Londen met de vrouwen in San Francisco twee schepen hulpgoederen bijeengebracht.
“Second week’s report by the Commission for Relief in Belgium, London headquarters: (…)
The Commission reports that a movement has been inaugurated to secure the co-operation of all organizations of women in America. The Committee for this purpose is called the Women’s Section of the American Commission for Relief in Belgium and its executive Committee consists of Mrs. Lindon Bates, Miss Anne Morgan, Miss Mary Parsons, Mrs. Edward R. Hewitt, Mrs. August Belmont, Mrs. William K. Vanderbilt and Mrs. H. C. Hoover. It is in alliance with and will co-operate with the Belgian Relief Committee in America and is securing a large council and the co-operation of the leading women’s organizations in a nationwide movement for securing food for Belgium from America. “[14]

De Amerikaanse kranten namen het bericht grif over en publiceerden het op 9 november. Waardoor Josephine en Lindon Bates in de kranten moesten lezen dat vanuit Londen hun comité van elite vrouwen in New York zonder overleg was uitgebreid met de onbekende Lou Henry Hoover in Californië.
De samenwerking met het Belgian Relief Committee verzuimden de meeste kranten te vermelden, wat kwaad bloed zette bij de toch al achterdochtige, andere werkers aan Belgian Relief.

Lou Henry Hoover, Santa Cruz Evening News (Santa Cruz, Ca.), 14 november 1914

Lou Henry Hoover wel of niet in het executive Committee? -de rel
Het enthousiaste persbericht met de toevoeging van Lou Hoover’s naam aan het executive Committee veroorzaakte intern grote opschudding bij The Woman’s Section. Lindon Bates reageerde verontrust op Hoover’s bericht en de toevoeging van Lou’s naam:
Confidential situation here complex and delicate; committee picked by others after weighing all considerations. Mrs Bates believes she could not successfully ask addition any name at this time. ( …) Text sent was form of announcement adopted.’
Josephine’s verontwaardigde reactie aan Hoover was:
(…) decision was to constitute executive Committee as cabled. Request no action be taken in here, relative to our group owing complex situation here!’  [15]

Herbert Hoover zocht steun van zijn echtgenote en vroeg Lou in New York de zaak recht te zetten: ‘(…) Having a dreadful time with jealous organizations New York and if you not importantly engaged believe you could do good deal consolidate matters there as everybody seems go wrong. We endeavouring get a proper organization New York where questions can be answered but will require little time get team in harness.’ [16]

Het briefhoofd van The Woman’s Section

Het CRB-hoofdkantoor maakte namens Hoover een dag later zijn excuses, maar legde de schuld bij Josephine Bates: immers, zij koos ervoor om als naam te kiezen voor The Woman’s Section deel uitmakend van de Commission en Lou kon wel genoemd worden, omdat ze toch naar Europa zou verdwijnen…
‘Referring Mrs. Bates telegram regret extremely to have caused her slightest embarrassment. On other hand would have been criminal for me to have given a direct affront to Californians who have so generously provided us at least two cargoes of food. The difficulty arises out of Mrs. Bates inspiration to use name of Woman’s division of this Commission. If any other name would not matter, but we had given absolute authorities to California act our behalf. Proposed Lou as she is returning Europe and disappears. …
Will do nothing with regard to Women’s situation without consultation Mrs. Bates. Hope she will keep me advised.’ [17]

Het executive Committee onder leiding van Josephine Bates kwam voor het eerst bijeen op 10 november 1914 in de Colony Club, New York. “November 10th the first meeting of the Board of the Women’s Section was held after an informal luncheon at the Colony Club. The plan of organization was set forth by the Chairman and adopted. In outline it was this: The Leaders of the great organizations of women, International and National, were to be asked upon an Executive Co-operating Committee to stand with the Board of Seven. In their collective name an appeal was to be issued for the rescue of the famine-menaced Belgians. Their collective help was to be asked in making the appeal effective.” [18]
The Woman’s Section vestigde haar kantoor op One Madison Avenue, in het gebouw van de firma Morgan, het kantoor waar Anne Morgan, de penningmeester, zetelde.

Lou Henry Hoover had onvermoeibaar gewerkt in Californië aan de inzameling van geld en voedsel voor de hulpverlening aan België; de initiatieven en opwinding elders leken aan haar voorbij te zijn gaan, maar nu nam ze actie. Op 10 november reageerde zij op de berichten uit New York en London. Ze vroeg om een brief waarin de situatie aan haar werd uitgelegd, omdat ze van plan was oostwaarts te reizen.
Josephine Bates legde direct contact met Lou Hoover: ‘A womens committee is organized here to secure the cooperation of leading womens organizations in a combined effort to get food for Belgium. Will you give me details of what is being done in California and names of women who are heading movement. We very much desire to closely cooperate with all who are working to this end and to help coordinate our efforts.’ [19]
Josephine Bates bevestigde dit aan Herbert Hoover: ‘Have wired Mrs Hoover for data and personnel California, shall harmoniously cooperate.’ [20]

Lindon Bates schreef Lou Hoover op 11 november 1914 een uitgebreide brief van acht kantjes waarin hij het ontstaan van The Woman’s Section van de American Commission for Relief in Belgium uit de doeken deed. [21]
Ook Herbert Hoover wilde zijn fout goed maken en vroeg zijn vrouw samen te werken met Josephine Bates en indruk op haar te maken omdat de vrouwen in Californië de eerste Amerikaanse staat waren die voedsel bijeenbrachten: ‘Mrs. Bates organizing swell womens division New York. In view support given you by California women I put your name on executive committee. Would be glad if you would cooperate with her in every possible way and impress upon her the service which has been performed by the women of California by getting off the mark as the first State which provided food.’ [22]

Mrs. Maude Keteltas Wetmore in 1917, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto: LoC online

De eerste oproep van The Woman’s Section – 16 november 1914
Het overleg tussen Josephine en Lou resulteerde er kennelijk in dat Lou Henry Hoover niet toetrad tot het executive Committee van The Woman’s Section in New York. De eerste oproep van het comité bevatte namelijk zeven namen als management van The Woman’s Section in New York. De naam van Lou Henry Hoover kwam er niet in voor. De aanvulling op de oorspronkelijke zes namen was Miss Maud Wetmore: Maud Keteltas Wetmore (ºParis, France, 07-02-1873 +03-11-1951), Chairman of the National League for Women’s Service.
Het briefpapier van The Woman’s Section in december 1914 vermeldde een achtste naam in de Executive Board, namelijk Miss Grace Parker als Secretary.

Miss Grace Parker, secretaris van de Executive Board van The Woman’s Section, foto uit 1917 LoC online

Josephine Bates meldde op 15 november aan Lou Henry Hoover: Woman’s Section issues tomorrow first appeal representing call of six hundred thousand women in organizations. By next Sunday we will speak for five million, I expect. [23]

De eerste oproep om hulp te organiseren voor België gericht tot Amerikaanse vrouwenorganisaties luidde als volgt [24]:
APPEAL November 16, 1914
New York, One Madison Ave.
The Woman’s Section
of the American Commission for Relief in Belgium
Cooperating with Belgian Relief Committees in New York, Minneapolis, California, Kansas, Iowa and Oregon
 “For I was an hungered and ye gave Me meat.”
(…)
The Commission for Relief in Belgium is Internationally constituted. It has relation to six powers – Belgium, France, Holland, England, Germany and America. We, its Woman’s Section, make appeal to all the women of America to come to the rescue of a people.
The highest aspiration and the finest achievements of the race are symbolized in this little country. The Belgians must be saved to the human family. …
We sent forth to a few accessible organizations — International, National and State, a request that they stand with us to spread the call. In three days, there has rallied to us a representation of over six hundred thousand organized women. To those not yet with us we say, come, that collectively and individually we may work out salvation for the helpless in Belgium. In principle we ask that the efforts of our Co-operating Committee be supported locally, that there may be no overlapping.  ….
We ask for food …
Our woman’s work is carried on by volunteers entirely. Offices are generously donated, furniture is loaned, the one expense of office staff is held to the minimum. Management:
Mrs. Lindon W. Bates, Chairman
Miss Anne T. Morgan, Treasurer
Miss Mary Parsons
Miss Maude Wetmore
Mrs. Howard R. Hewitt
Mrs. William K. Vanderbilt
Mrs. August Belmont.

De update over de reacties na de eerste oproep is vermeld in een notitie van 19 november 1914. Organisaties die een kleine zes miljoen vrouwen vertegenwoordigden hadden positief gereageerd op de oproep.

Het briefpapier van The Woman’s Section met de namen van de voorzitters van de deelnemende vrouwenorganisaties, 9 december 1914.

Conclusie
Josephine White Bates, is erin geslaagd The Woman’s Section of the American Commission for Relief in Belgium in New York te vestigen; zeven vrouwen uit de New Yorkse elite vormden het executive Committee; Lou Henri Hoover maakte er geen deel van uit. Herbert Hoover had dit wel gewild, Josephine Bates en Lou Hoover beslisten anders.

De relatie met het werk van de Belgische kantwerksters is gelegd bij de totstandkoming van The Woman’s Section. Relaties met de versierde meelzakken heb ik nog niet kunnen vinden.

Koningin Elisabeth en Henriëtte, de prinses van België, werden beschermvrouwen van The Woman’s Section. Hoe dat tot stand kwam zal in een volgend blog aan de orde komen.

De inzameling van levensmiddelen en geld voor België kwam in een stroomversnelling. Het belang van de coördinatie van de hulpacties van diverse rivaliserende comité’s in de Verenigde Staten, met name de Rockefeller Foundation, het Belgian Relief Fund, het Amerikaanse Rode Kruis, de ‘Belgian Relief Movement’ van de Northwestern Miller en nu ook de CRB-sectie American Commission for Relief in Belgium in New York met een ‘Men’s Department’ en ‘Woman’s Section’ werd erkend. Deze werd afgedwongen door het CRB-hoofdkantoor in Londen dat uit was op een monopoliepositie in aankoop en logistiek.
Josephine White Bates nam initiatieven en betrok op eigen wijze de bestaande Amerikaanse vrouwenorganisaties bij het werk voor Belgian Relief, waarbij ze inzette op open communicatie en samenwerking. Ze leidde lastige situaties in goede banen door haar diplomatieke en coördinerende optreden, in goede verstandhouding met haar echtgenoot Lindon W. Bates.

The Woman’s Section is but a temporary creation, born of the catastrophe of a people (…)” schreef Josephine Bates.[25]
Op dat moment had ze geen besef hoe tijdelijk het bestaan van haar Woman’s Section zou zijn, mede door de persoonlijke catastrofe die haar en Lindon Bates spoedig zou treffen. Het zou ook de Hoovers diep treffen en hun relatie dramatisch laten kantelen.

 

Voetnoten
*) Ryan was voorzitter van het Amerikaanse Rode Kruis en vice-voorzitter van het Belgian Relief Committee. (nog checken)

[1] Josephine White Bates publiceerde onder meer:
A Blind Lead. The Story of a Mine (1888)/ A Nameless Wrestler (1889)/Bunch-Grass Stories, (1895) /  / Armaïs and others (1892)/ Mercurial poisoning in the industries of Great Britain (1909)/ Mercury Poisoning in the Industries of New York and Vicinity (1912).
Haar achtergrond: ‘Born in Ontario and educated in Chicago, Josephine White Bates was an author and active in women’s literary circles. History might best remember Bates as a New York blueblood, socialite , intellectual, and wife of celebrated civil engineer Lindon Wallace Bates, who achieved fame for his contributions to the Galveston Sea Wall and the Panama Canal.

[2] 28 oktober 1914 CRB Records 22003 box 114 HILA

[3] 29 oktober 1914 CRB Records 22003 box 114 HILA

[4] idem

[5] 31 oktober 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[6] 1 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[7] Lindon Bates vermeldde ‘a conference in Pittsfield’ (dit ligt in de staat Massachusets). Josephine Bates zelf noemde in haar brief aan Herbert Hoover van 28 november 1914 ‘I had made some recent friendships on the trip to Pittsburgh’. Ik ga er daarom vanuit dat het gaat om Pittsburgh (Pennsylvania).

[8] 11 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[9] 5 november 1914 CRB Records 22003 Box 5 HILA-album Lindon Bates correspondence)

[10] 7 november 1914, CRB Records box 114 HILA

[11] 7 november 1914, CRB Records box 114 HILA. Op 9 november zou Lindon Bates over de kantwerksters antwoorden aan Hoover: “Mrs. Bates will arrange after preliminary meeting take up lacemaking proposition and carry out your valuable suggestion.” (CRB Records 22003 Box 5, HILA)

[12] 8 november 1914 CRB Records Box 5, HILA

[13] 9 november 1914 CRB Records Box 5, HILA

[14] 9 november 1914, CRB records box/file 47-5 HILA

[15] 9 november 1914, CRB Records box 114 HILA

[16] 9 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[17] 10 november 1914, CRB Records box 114 HILA

[18] Commission for Relief in Belgium, History of The Woman’s Section of the Commission for Relief in Belgium. Appeal. New York, 26 februari 1915

[19] 11 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[20] received 12 november 1914, CRB Records box 114 HILA

[21] 11 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[22] 13 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[23] 15 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[24] CRB Records box 352, file 4 HILA

[25] Commission for Relief in Belgium, History of The Woman’s Section of the Commission for Relief in Belgium. Appeal. New York, februari 1915 p. 10.

Een honkbaltenue van meelzakken met vuil en zweetvlekken

Onderzoeker Annelien van Kempen met honkbalbroek, HHPLM, foto: Marcus Eckhardt.

Tijdens ons meelzakkenonderzoek in de Herbert Hoover Presidential Library-Museum (HHPLM) in juni 2022 waren conservator Marcus Eckhardt en ik gefascineerd door twee kledingstukken gemaakt uit meelzakken.

Kleding voor volwassenen
We vonden een shirt en pantalon in onze maat te midden van dozen met kinderkleding. Welke volwassen personen hadden deze gedragen? Was het als werkmanskleding uitgegeven in bezet België?

Helaas verbood het museumprotocol om de kleren zelf aan te trekken, maar we konden het niet laten te experimenteren met passende fotografie.

Conservator Marcus Eckhardt toont het honkbalshirt met de clubnaam ‘American Commission’ en de -broek in de collectie van HHPLM, juni 2022. Foto: auteur.

Conservator Marcus Eckhardt herkent het honkbaltenue
Tot mijn verrassing wist Marcus Eckhardt op een later moment het shirt en de broek te identificeren: het was een honkbaltenue (‘baseball uniform’) gemaakt van meelzakken! Hij zag de onderstaande foto en herkende het shirt en de broek.
Bloemzakken ‘American Commission’ voorzagen in de behoefte aan een uniform shirt met clubnaam van Amerikaanse CRB-gedelegeerden in bezet België in de zomer van 1916.

De honkbalwedstrijd van CRB-gedelegeerden op de Léopold Club in Brussel op 4 juli 1916. Aan slag is Francis Potter, de catcher is Guillermo Hall. Foto coll. HHPLM.

Marcus schreef: “I may have some new information on the (large) shirt and pants. They may have been made and worn for a baseball game that American CRB people held in Belgium on July 4, 1916. We have a photo too that my colleague Lynn Smith shared with me from our photograph collection.”

Waren shirt en broek van deze honkbalwedstrijd? “Why do I think the shirt and pants we have are from this game? Well, that they still have the sweat stains in the armpits, as well as the dirt on them from playing the game. Most importantly, they look like the ones in the pictures of the game, which look like baseball uniforms from that time.”

 En Marcus spoorde meer foto’s op: “Here’s the link to the Hoover Institution’s slideshow, (HILA) where three more photos of the CRB baseball game are numbers 3/19 – 5/19.”[1]

Wie zijn de honkballers?

Groepsportret van de CRB-honkbalspelers op 4 juli 1916 in Brussel, Léopold Club. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Een van de foto’s bleek een groepsfoto van de honkballers. Zou het mogelijk zijn hun namen te vinden?
Identificatie van de mannen op de foto bleek een intensief karwei van enkele dagen. Er bestaan namelijk officiële portretfoto’s gemaakt van de CRB-gedelegeerden in België, maar op dergelijke foto’s poseren ze statisch in deftige herenkostuums voor de fotograaf. In actiefoto’s op het honkbalveld, gekleed in sportieve outfits gemaakt van American Commission bloemzakken, zien de mannen er compleet anders uit.

Met hulp van Jeffrey B. Miller uit Denver, auteur van vier boeken over de CRB en diens Amerikaanse vertegenwoordigers in België, lukte het de honkballers te herkennen.[2] Door vergelijking van de foto’s zijn we geslaagd in het identificeren van de meeste mannen.

Staand van links naar rechts:
Philip Barton Key Potter, New York City (32 jaar)
Frederic Meert, Brussel (43 jaar)
Barry Griffin
Oliver Williams DeGruchy (26 jaar)
Milton Brown, Glendale, Cincinnati, Ohio
Vernon Kellogg, California
Onbekend
Francis C. Wickes, Rochester, NY (26 jaar)
Edward Curtis, Boston (23 jaar)
Harry Dunn, Santa Barbara, Ca.

Zittend van links naar rechts:
Francis Hunter Potter, New York City (33 jaar)
(Joseph) Joe Green, Cincinnati, Ohio
Philip Platt, Scranton, Pa. (27 jaar)
Gilchrist Stockton, Jacksonville, Florida (25 jaar)
Guillermo Hall, Austin, Texas (45 jaar)
Carlton Bowden, St. Louis, Minnesota (25 jaar)
Gardner A. Richardson, Woodstock, Connecticut (32 jaar)
Onbekend

De honkbalwedstrijd van CRB-gedelegeerden op Club Léopold in Brussel op 4 juli 1916. Philip Platt is aan slag. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Honkbal – Baseball op de Léopold Club in 1916
De honkbalwedstrijden van de Amerikanen werden gespeeld op de sportvelden van de Léopold Club (tegenwoordig Royal Léopold Club) in Ukkel, Brussel.
Op zaterdag 17 juni 1916 werd een eerste wedstrijd gehouden tussen de teams van CRB-gedelegeerden in België resp. Noord-Frankrijk. De honkbalsport was vrij onbekend in België, daarom diende de wedstrijd ook als demonstratie van de sport voor de Belgische toeschouwers. ‘… after luncheon we drove out to the Leopold Club. There, before a curious crowd of Belgians, who doubtlessly thought we had gone entirely crazy, we started the baseball game.’[3]
In de vijfde inning brak een van de spelers, Prentiss Gray (31 jaar), op onfortuinlijke wijze zijn rechterarm. Om geen slechte indruk op de Belgische toeschouwers te maken ging de wedstrijd gewoon door en werd de geblesseerde man stilletjes afgevoerd naar het ziekenhuis.

Ruim twee weken later, op dinsdag 4 juli 1916, Independance Day, de belangrijkste Amerikaanse nationale feestdag, werd de tweede wedstrijd georganiseerd. Meerdere actiefoto’s en het groepsportret (inclusief Gray op de achtergrond in witte kleding met gebroken arm in het gips, leunend op een honkbalknuppel) getuigen van deze sportieve dag.

Honkbaltenues van een vooraanstaand kleermaker

Het etiket van John Accent in de honkbalbroek van M. Meert. Coll. HHPLM, foto auteur.

Een etiket in de honkbalbroek verwijst naar de vooraanstaande kleermakerij John Accent gevestigd in de Koninklijkestraat (Rue Royale) in Brussel. La Maison Jean Accent presenteerde zich in 1889 als ‘hatter et tailor’. Jean Baptiste Accent overleed in mei 1900, zijn echtgenote Catherine Demesmaeker (°Brussel 15-07-1858 +Woluwe 07-03-1932) zette de zaak voort. In 1910 verkreeg zij het recht haar kledinghuis ‘Hofleverancier’ (fournisseur de la Cour) te noemen.[4]

Het graf van John Accent en gezin in Oudergem, België.

In 1916 droeg de zaak de naam John Accent, naar zoon John Accent (°Brussel 13-10-1892 +Oudergem 17-11-1953), die bij overlijden genoemd wordt als oud-strijder tijdens WO I. Vanaf 1919 zette John Accent het kledinghuis voort met zijn zwager Léon Canonne.[5]

Maison John Accent maakte hoeden, kostuums en overhemden, maar ook uniformen, ruiterkleding en sporttenues.

Alleen de broek heeft het etiket van John Accent, het honkbalshirt niet. Mijn aanname is dat de broek op maat is gemaakt en de shirts als een one-size-fits-all ook door John Accent zijn geconfectioneerd,
Omdat honkbal niet werd gespeeld in Brussel, zal het model van het honkbaltenue in nauw overleg met de Amerikaanse opdrachtgevers tot stand zijn gekomen en tegelijkertijd een Brusselse touch hebben gekregen. Foto’s van Amerikaanse honkbaltenues rond 1910/20 tonen diverse modellen die gebruikelijk waren in de VS.

Om over de stoffen voor de kleding te kunnen beschikken moeten ettelijke tientallen lege meelzakken zijn aangeleverd bij de kleermakerij.[6]

De oorspronkelijke bedrukking in blauwe letters ‘American Commission’ was de clubnaam op de honkbalshirts. Coll. HHPLM, foto auteur.

Uit de groepsfoto blijkt de uniforme voorzijde van de shirts met de bedrukking ‘American Commission’ als de clubnaam.

Voor- en achterzijde van het honkbalshirt. Coll. HHPLM, foto auteur.

De achterzijde van het door HHPLM bewaarde shirt heeft een andere bedrukking, namelijk Belgian Relief Flour uit Toledo, Ohio. Mogelijk is er voor de achterzijde van de shirts gevarieerd in bedrukkingen en zijn meelzakken uit diverse staten gebruikt.
Het honkbalshirt met zweetvlekken onder de oksels heeft geen etiket, maar een vaag potloodschrift op de stof lijkt de naam ‘Eckstein’ te vermelden. Mogelijk een verwijzing naar CRB-gedelegeerde Fred Eckstein, die zijn Duits aandoende naam later wijzigde in Fred Exton. Exton werkte van april tot augustus 1916 voor de CRB in de provincie Brabant.

Het honkbalshirt onderscheidt zich door de mouwlengte, maar vooral door de kraag.

De kraag van het honkbalshirt. Coll. HHPLM, foto auteur.

Het CRB-honkbalshirt heeft een zgn. ‘Schillerkraag’. De kraag staat uit zichzelf meer omhoog.

Friedrich Schiller, de Duitse dichter en schrijver. Foto: online

De benaming Schillerkraag voor dit type boord, verwijst naar de Duitse dichter en schrijver Friedrich Schiller (1759-1805). Deze droeg hemden met een openstaande kraag, vaak versiert met franjes. [7]

Marcus Eckhardt noemt de kraag modieus: “After looking around a bit, I don’t think that 1916 Baseball jerseys in the US usually had this type of collar. It must have been very fashionable.

De honkbalbroek van Fred Meert

Voor- en achterzijde van de honkbalbroek. Coll. HHPLM, foto auteur.
Meelzak, verso, ‘Gift from Ontario’, originele bedrukking, 1914. Coll. WHI; foto: auteur
Meelzak, recto, ‘Castle. Maple Leaf Milling Coy’

De bewaarde honkbalbroek is gemaakt van Canadese meelzakken ‘Castle. Gift from Ontario (Canada) to the Motherland’ geleverd door de firma Maple Leaf Milling Coy. De Canadezen leverden hun meel in 98 lbs (45 kg) zakken aan en deze hadden een stevigere stof dan de Amerikaanse 49 lbs (22,5 kg) zakken.
De tailleband, sluiting met knopen en taillering van de broek zijn met vakmanschap ontworpen en geconfectioneerd. De pijpen van de broek zijn wijd en kort – tot onder de knie.

Op het etiket in de honkbalbroek staat de naam Meert en de datum 27-7-1916 geschreven.
Meert verwijst naar Frederic William Meert (°Shrewsbury, N.J., VS 1873 +White Plains, N.Y., VS, 24-09-1951), de CRB-gedelegeerde voor Brabant, van 1914-1917.
De datum laat zien dat de honkbalwedstrijden zullen zijn voortgezet ook na 4 juli 1916.

Frederic William Meert, CRB-gedelegeerde in de provincie Brabant van 1914-1917.

Meert’s gegoede komaf
Fred (of Fritz) Meert was van gegoede komaf. Hij verhuisde op 27-jarige leeftijd naar Brussel voor zijn medische studie. Zijn moeder verhuisde in 1907 naar Brussel, waar Fred zich met zijn gezin bijvoegde. De banden met België liepen via zijn grootouders van vader’s zijde: Pierre Joseph Meert en Virginie Huygh van Antwerpen. Grootvader Meert was notaris en oud-burgemeester van Mortsel.

De grootouders van moeder’s zijde waren Dr. William Holme Van Buren (°Philadelphia 04-04-1819 +New York 25-03-1883), een van de oprichters van het Bellevue Ziekenhuis, New York, en Louisa Dunmore Mott (°02-06-1821 +14-10-1893), samen met haar zus Adelaide Mott Bell gekenschetst als ‘leaders in New York society’. [8] Louisa’s vader was Dr. Valentine Mott, de belangrijkste chirurg van zijn tijd, mede-oprichter van de Faculteit Chirurgie van New York University en de eerste hoogleraar chirurgie aan deze universiteit.

Fred Meert’s ouders waren Charles Frédéric Meert (°Mortsel, B., 19-07-1839 +Shrewsbury, N.J., VS, 07-02-1888) en Adelaide Mott Van Buren (°VS, 1843 +Brussel 13-05-1912)[9]. Het echtpaar kreeg een dochter en twee zoons: Virginie (1867-1950), Frederic en Victor (1874-1931).

Vader Charles Meert was wijnhandelaar in New York City en vertegenwoordigde het Franse champagnehuis Moët et Chandon in de VS. Maar in 1886 ging het mis met zijn bedrijf, raakte hij financieel in problemen en twee jaar later pleegde hij zelfmoord. Fred Meert was toen 15 jaar.

Fred trouwde tien jaar later op 9 juni 1898 in New York met Gertrude Wendell Sturtevant (°Nyack, N.Y., VS, 1869 +Scarsdale N.Y., VS, 22-12-1952), de huwelijksinzegening vond plaats door de aartsbisschop van New York. Het echtpaar kreeg drie dochters Eloise (1900-1974), Constance (1902-1962) en Gertrude (1906-1989).
Gertrude Sturtevant was een erkend schilderes van Chinees porcelein. Ze gaf les en exposeerde met haar eigen werk en dat van haar leerlingen in New York in 1893.[10]
De carrière van Fred in de VS strekte zich uit van beurshandelaar tot verzekeringsagent. Omdat hij met zijn gezin in 1914 in Brussel woonde, trad hij toe tot de gedelegeerden van de CRB en werd verantwoordelijk voor de provincie Brabant.[11] Ook zijn oudste zus Virginie Meert woonde in Brussel tijdens de Duitse bezetting. Zij werkte voor het Belgische Rode Kruis, onder meer in het Koninklijk Paleis in Brussel, dat tot tijdelijk ziekenhuis was ingericht. [11A]

Samenstelling van Provinciaal Komiteit Brabant. CRB statistics, coll. HHPLM.

Klaarblijkelijk bouwden Gertrude en haar tienerdochters – in de jaren 1915/16 in de leeftijd van 15, 13 en 9 jaar- een interessante verzameling versierde meelzakken op, want de familie Meert heeft -sinds 1921 weer terug in de VS- in 1941 een collectie van 33 beschilderde en geborduurde meelzakken geschonken aan de Hoover Library on War, Revolution and Peace, voorloper van de huidige Hoover Institution op Stanford University.[12]
Zou het honkbaltenue deel hebben uitgemaakt van de schenking?

Foto van honkbalwedstrijd door Clare M. Torrey – 1964

Fragment uit brief van Clare M. Torrey aan Dr. Franz G. Lassner, 9 november 1964. Coll. HHPLM.

Oud- CRB gedelegeerde Clare Torrey[13] stuurde in 1964 een foto van de honkbalwedstrijd in 1916 aan directeur Lassner van HHPLM, waarbij hij schreef: ‘The intention was to make the uniform blouse out of flour sacks and, in fact, one of our members, Mr. William C. Hall, has such a garment. Would you like to have it? If so, I shall ask Mr. Hall.’ Lassner antwoordde dat hij het shirt graag voor de museumcollectie wilde hebben. Of het shirt daadwerkelijk geschonken is, is niet bekend. Wel weten we dankzij de foto’s dat Hall een van de honkbalspelers is geweest in Brussel.

 American Identity – 2025
In haar recent verschenen boek ‘Saving Europe. First World War Relief and American Identity’ heeft geschiedkundige Tammy M. Proctor, hoogleraar aan de Utah State University, Logan, Utah, VS, één van de actiefoto’s opgenomen.

Foto van de honkbalwedstrijd in Brussel op 4 juli 1916 met bijschrift in Tammy Proctor’s nieuwste boek ‘Saving Europe’ (2025) p. 27.

Het bijschrift luidt: ‘Jonge Amerikaanse mannen die voor de CRB werkten, namen deel aan recreatieve activiteiten zoals deze honkbalwedstrijd in Brussel in 1916. Ondanks de oorlog en de bezetting genoten de CRB-afgevaardigden van de kameraadschap die ze vonden in hun hulpverleningswerk en vertelden ze met plezier over hun leuke bezigheden, zoals picknicks, uitstapjes naar beroemde bezienswaardigheden en sporttoernooien.’

In haar actuele, kritische beschouwing van het CRB-werk in bezet België en Noord-Frankrijk reflecteert Proctor op de mentale instelling van de CRB-gedelegeerden: ‘Deze broederschap van Amerikaanse mannen deelde met andere Amerikanen die betrokken waren bij de oorlog en de naoorlogse hulpverlening, een culturele, raciale en ethische roeping, namelijk de drang om Europeanen te behandelen als objecten van sociale hervorming en om het continent te laten aansluiten bij hun eigen innerlijke voorstelling van Europa. In zekere zin beschouwden de CRB-gedelegeerden hun tijd in België als een gelegenheid om de westerse samenleving bij te schaven.’

De honkbalwedstrijden waren daarom niet alleen ontspanning, ze dienden ook een hoger doel. De uniforme honkbaltenues, gemaakt uit katoenen meelzakken met de opdruk ‘American Commission’, geïmporteerd in bezet België onder supervisie van de CRB-gedelegeerden, geconfectioneerd door de vooraanstaande Brusselse kleermakerij John Accent, droegen bij aan de verheven opdracht.

Hoover Institution en honkbal – 2026

De honkbalwedstrijd in Brussel op 4 juli 1916. Phil Potter bereikt het eerste honk. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Al jarenlang figureren de foto’s uit Brussel van de CRB-honkballers prominent in de diashow ‘Take me out to the ball game’ op de website van Hoover Institution, gevestigd op de campus van Stanford University. Van het meelzakkenverhaal achter de honkbaltenues zijn zij zich niet bewust. [14]

Trench art – de paradox van de honkbaltenues
Kunnen de honkbaltenues beschouwd worden als ‘trench art’, binnen het concept van Nicholas Saunders [15] dat hen definieert tot ‘items gemaakt door burgers, rechtstreeks uit materiaal dat in tijd en plaats wordt geassocieerd met de gevolgen van gewapend conflict’?
De handreiking om het ‘oorlogsmateriaal’, de zakken en honkbalshirt en -broek, vooreerst en altijd te beschouwen vanuit de spanning van het conflict van WO I, de CRB-gedelegeerden te onderzoeken vanuit de verwarring waarin zij en de mensen in hun omgeving leefden, biedt focus om de paradox te zien die in de broek en het shirt gevangen zit.

Uniform tenue
Honkbal had een militaire connotatie. Honkbal en het Amerikaanse leger hadden nauwe banden, al tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) speelden soldaten honkbal in hun vrije tijd. Toen de VS in 1917 toetraden tot de oorlog zorgden de professionele Amerikaanse honkbalclubs voor de uitrusting van militairen om in vrije tijd te kunnen honkballen. De clubs moesten spelers afstaan voor militaire dienst, wat tot discussie leidde of zij al dan niet ontheffing zouden moeten krijgen.

De CRB-mannen, veel sportieve studenten, arriveerden vanaf najaar 1914 in Brussel, ze zullen hun honkbal met -knuppel en handschoenen, ook hun honkbalkleding, in de bagage hebben meegenomen. Bovendien woonden er vele Amerikanen in Brussel. Waarschijnlijk speelden ze in hun vrije tijd altijd al honkbal. De benodigde materialen als thuisplaat, honken, etc. zullen ze hebben aangetroffen of georganiseerd bij de sjieke Club Léopold in Ukkel.
Voor de wedstrijden in juli 1916 wensten de honkballers een eigen identiteit als CRB-ers, ze wilden een uniform, onderscheidend teamshirt met clubnaam. Bewust of onbewust bracht het hen dichterbij een nationaal, militair imago.

Amerikaanse armoede
De stoffen van lege zakken hergebruiken voor kleding was in 1916 voor Amerikanen in eigen land het ultieme bewijs van armoede. Als het al nodig was verwijderde je de bedrukkingen en verborg je zoveel mogelijk de herkenning van de stof als hergebruikte zak.
In november 1914 promoten Amerikaanse meelfabrikanten het gebruik van katoenen zakken voor het verpakken van Belgian Relief flour als win-winsituatie: het kwam de noodlijdende Amerikaanse katoenindustrie ten goede en de door oorlog en honger geteisterde Belgische huisvrouw zou de geleegde zakken kunnen gebruiken om onderkleding van te maken. [16]

Orlando Evening Star, 27 april 1916

Een jaar later gooide de CRB de strategie om. In januari 1916 bezocht CRB-gedelegeerde P.H. Chadbourn de Amerikaanse president Wilson in Washington om er schande van te spreken dat, zoals hij beweerde: “Belgische kinderen in hemden van meelzakken met gaten voor hoofd en armen gekleed gingen.” Niets was minder waar, maar de CRB had Amerikaans geld nodig voor kleding voor de Belgen…[17]

Amerikaanse CRB-gedelegeerden die enkele maanden later geleegde zakken in oorlogstijd en bezetting terugvroegen van het CNSA en deze aanleverden bij een vooraanstaande Belgische kleermakerij in Brussel, erkend als hofleverancier, om er uniforme sporttenues van te maken, voelt binnen deze context aan als een ironische studentengrap.

De knoopsluiting van de honkbalbroek. Coll. HHPLM, foto auteur.

Alsof de mannen met hun demonstratiewedstrijd van honkbal aan het Belgische publiek de boodschap overbrachten: ‘wij kunnen hier in bezet België zelfs in zakken gekleed in onze vrije tijd recreëren en jullie laten zien wat voor ons Amerikanen een échte sport is’.[18]

 

 

Belgische rijkdom

Kinderen in schorten van zakken ‘American Commission’, Heverlee bij Leuven, provincie Brabant. Foto: Robert Bruyninckx.

Anderzijds zal dit Amerikaanse hergebruik van de meelzakken geïnspireerd zijn door het hergebruik van de zakken voor kleding, zoals geïntroduceerd door de Belgische bevolking. De zakken verleenden identiteit, het stelde Belgische vrouwen, meisjes en kunstenaars in staat hun vaderlandsliefde te demonstreren. Voor hen symboliseerden de bedrukte zakken geen armoede, maar rijkdom. De zakken brachten meel voor brood; eenmaal geleegd waren ze een souvenir, er was aan hen gedacht in tijd van oorlog. Naast onderkleding maakten zij met vaardige handen vooral bovenkleding van de zakken: leuke schorten en jurkjes toonden zichtbaar de bedrukkingen en kinderen gingen er trots mee op de foto.

Conclusie
De jonge Amerikanen in Brussel koesterden ook hun rijkdom en gingen trots op de foto in hun honkbaltenues.
Ze hebben waarde gehecht aan de meelzakken als fysieke representaties van hun thuisland. De zakken boden de Amerikanen identiteit als groep, het textiel en de bedrukkingen vormden vertrouwde bakens voor de mannen in den vreemde. Ze gaven betekenis aan hun relaties met de Belgische bevolking en de Duitse bezetter.
Thuisgekomen na de oorlog bewaarden ze het tenue als trofee, een souvenir voor de verrichting van goede daden, maar vooral toch als herinnering aan hun identiteit, het team, de kameraadschap, die hen door een beladen periode in een geïsoleerde wereld had heen geholpen.

Het honkbalshirt met zweetvlekken. Coll. HHPLM, foto auteur.

Daarom bewaart de Herbert Hoover Presidential Library-Museum anno 2026 een shirt met zweetvlekken onder de oksels en een vuile honkbalbroek.

Dank aan:
– Marcus Eckhardt, Lynn Smith, Jeffrey B. Miller.
– Hubert Bovens voor de biografische gegevens van de familie Meert in België.
– Hellen Grootendorst voor toezending van Louis Ramaekers’ spotprent.
– Rosalie Schoof, conservator Nederlands Openluchtmuseum.

 

Voetnoten
[1] Emailwisseling met Marcus E. Eckhardt, conservator HHPLM, in april 2024.

[2] Miller, Jeffrey B., WWI Crusaders. Denver, Milbrown Press, 2018, p. 434-436. Met citaten uit het dagboek van Prentiss Gray en brieven van Milton Brown. www.WWIcrusaders.com.

[3] In tegenstelling tot Noord-Amerika was honkbal in Europa een weinig beoefende sport. Tijdens WO I werd het in Engeland in de breedte geïntroduceerd door daar gelegerde Canadese militairen. Zij speelden onder meer een wedstrijd tegen een team Amerikanen die in Londen woonden.

Bron: blog.britishnewspaperarchive.co.uk – online

In Nederland is baseball geïntroduceerd in 1912 en werd het Engelse woord ‘baseball’ vertaald in het Nederlandse woord ‘honkbal’.
De introductie in België zal ook uit die tijd dateren. In Belgicapress vind ik voornamelijk krantenartikelen die over het Amerikaanse baseball rapporteren als immens populaire, commerciële sport waar grote geldbedragen in omgaan en die vooral bedoeld is voor weddenschappen.
– ‘Il faut se rendre compte que les Américains dépensent 60 à 70 millions par an pour le baseball; que le nombre des personnes qui assistent à tous les matches doit atteindre 50 millions‘ (Le Bien Public, 3 maart 1914).
– Over de salarissen van spelers in 1915: ‘Le recordman est John Mac Graw, des Géants de New York, qui a empoché la jolie somme de 30.000 dollars (150.000 francs).’ (Le Messager de Bruxelles, 16 maart 1916).

[4] Le Soir, 12 februari 1910.

[5] Léon Canonne was direct na het uitbreken van de oorlog vertrokken naar Engeland en had zich op 16 Savile Row, Regent Street in Londen gevestigd als kleermaker voor civiele en militaire tenues, bedoeld als een nevenvestiging van de Rue Royale in Brussel voor zijn uitgeweken Belgische landgenoten. L’Indépendance Belge (Edité en Angleterre), 29 oktober 1914.

[6] CRB-gedelegeerden voor de provincie Brabant zoals Meert, Potter en Exton, actieve honkballers, zullen Georges Pètre goed genoeg gekend hebben om via hem lege meelzakken te regelen. Pètre was lid van het provinciaal komiteit Brabant en voorzitter van het CNSA Comité de Vente des Sacs d’Amérique.

[7]

Louis Ramaekers, ‘Voor of tegen den schillerkraag. Tegen!’ 20 juli 1914, spotprent. Uit: De Nederlandse arbeidersbeweging tot 1918.

Een van mijn vriendinnen in Den Haag attendeerde mij op de Schiller-kraag en een spotprent van Louis Ramaekers: “Ik kan mij nog herinneren dat mijn grootvader op afkeurende toon over iemand kon spreken: “Hij droeg een Schillerkraag…”. Of nog laatdunkerder “De vent had ‘n Schillerkraagie an!” Mijn grootvader zei dat, als iemand zich in vrije tijds/sportkleding gekleed had bij serieuze activiteiten. Socialisten deden dat graag, om zo hun anti-burgerlijke houding te demonstreren.”

Desgevraagd becommentarieerde Rosalie Schoof, conservator Nederlands Openluchtmuseum: ‘De Schiller boord of kraag ken ik inderdaad (woeste kragen van de dichter Schiller). Wordt geassocieerd met een platte, slappe kraag als tegenstelling tegen de gangbare, modieuze gesteven boorden. Deze kragen associeer ik vooral met vrijetijdskleding, zeiloutfits, vroege polo’s. Die zijn al terug te vinden in vroege reclames voor mannenmode, eind jaren ’20, begin jaren ‘30. Vooral als ook de vroege tricotweefsels in de mode komen. In deze jaren breekt de vrijetijdskleding langzamerhand door. Deze meelzakken zijn dan natuurlijk een bijzonder verhaal.’ 

[8] Rockland County Journal, VS, 18 mei 1912.

[9] The Daily Record (Long Branch, New Jersey), 16 mei 1912.

[10] The Standard Union (Brooklyn, New York), 18 december 1893, p.2.

[11] The Journal News (White Plains, New York), 26 september 1951.

[11A] New York Tribune (New York, New York), 23 januari 1921, p. 43.

[12] The Peninsula Times Tribune (Palo Alto, California), 23 januari 1941.
In dit verband is het van belang te weten dat Aline Bouquié – Madame William Burls – een nicht was van Fred Meert. Zij zal veel contact hebben gehad met Gertrude Meert en haar dochters.
Aline Bouquié is auteur van Dans la Geôle Bruxelloise. Deux années sous le joug allemand. Parijs, 1917, waarin passages over de verkoop van meelzakken in Brussel.

[13] Clare M. Torrey was in 1964 voorzitter van de Belgian American Educational Foundation (BAEF) in New York.

[14]  ‘Take Me Out to the Ball Game‘ is een van de bekendste Amerikaanse liederen. Het stamt uit 1908 en wordt bij iedere honkbalwedstrijd in de VS gezongen halverwege de zevende inning. Het publiek gaat staan en zingt:
“Take me out to the ball game,
Take me out with the crowd.
Buy me some peanuts and cracker jack,
I don’t care if I never get back,
Let me root, root, root for the home team,
If they don’t win it’s a shame.
For it’s one, two, three strikes, you’re out,
At the old ball game.”

NB. De missie van Hoover Institution anno 2026 is: ‘With its eminent scholars and world-renowned Library and Archives, the Hoover Institution is a public policy think tank that seeks to improve the human condition by advancing ideas that promote economic opportunity and prosperity, while securing and safeguarding peace for America and all mankind.’ (online, geraadpleegd 7 februari 2026)

[15] Saunders, Nicholas J., Trench Art. Materialities and Memoires of War. Oxford, Berg, 2003.

[16] The Millers’ Belgian Relief Movement 1914-15 conducted by The Northwestern Miller. Final Report of its director William C. Edgar, Editor of the Northwestern Miller, MCMXV

[17] St. Joseph News Press (St. Joseph, Missouri), 19 januari 1916

[18] Michael Billig zal in 2005 zijn sociale theorie presenteren, dat humor centraal staat in het sociale leven. Billig betoogt dat alle culturen spot gebruiken als corrigerend middel om gedragsnormen en gewoonten te handhaven. Billig, Michael, Laughter and Ridicule. Towards a Social Critique of Humour. Sage Publications, 2005.

A friend in need a friend indeed – Antwerpen 1915

De Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem heeft een fraai geborduurde meelzak ‘ABC Olympic Graham Flour’ in de collectie. Het patroon van het borduurwerk is bovenop de originele bedrukking van de zak aangebracht. Een zwart, geel, rode banier ‘A friend in need a friend indeed‘ wappert fier boven een donkerbruine hoorn des overvloeds met goudgele tarwearen gevuld; een grijze adelaar vliegt op met de gekruiste stokken van de Belgische en Amerikaanse vlaggen geklemd in de poten, een gouden zon komt stralend op achter de vogel..

Origine meelzak

Meelzak (origineel), ABC Olympic Graham Flour. Belgische part. coll.

The Portland Flouring Mills Co., Dayton, Washington, VS, leverde zakken met ABC Olympic Graham Flour broodbloem aan de levensmiddelenbevoorrading voor bezet België eind 1914. De plaatselijke Belgian Relief commissie leverde de zakken meel aan in de haven van Seattle. Het Britse stoomschip SS Washington werd geladen met levensmiddelen en vertrok op 29 januari 1915 voor een reis van twee maanden vanaf de Amerikaanse westkust via het Panamakanaal over de Atlantische Oceaan naar de haven Rotterdam waar het op 30 maart 1915 aanmeerde.

Het Britse schip SS Washington vertrok op 29 januari 1915 uit Seattle/Portland en arriveerde op 30 maart 1915 in Rotterdam met levensmiddelen voor de bevolking van bezet België. Seattle Post-Intelligencer, 20 januari 1915.

Iconografie: vergelijk de borduurpatronen!
De iconografie van de adelaar, de hoorn des overvloeds, de graanhalmen en de banier ‘a friend in need a friend indeed‘ herkende ik van andere borduurwerken. De banier met ‘de vrienden’ kwam ik nu al zeven maal tegen op geborduurde meelzakken. Ik heb deze op een rij gezet. En voeg de foto toe van een meelzak met het overeenkomende patroon van adelaar, hoorn des overvloeds en graanhalmen, maar zonder banier (nr.3).

Nadat ik de vergelijking van de borduurpatronen had gemaakt, details had bestudeerd en de plaats van de verzamelingen lokaliseerde, kwam ik tot de conclusie: de borduurwerken op de bloemzakken zullen uitgevoerd zijn in Antwerpen in 1915/16, mogelijk in het Ouvroir van Antwerpen, waarover ik reeds twee blogs heb geschreven.

De banier ‘A friend in need a friend indeed’
In Antwerpen in 1915 zijn kennelijk drie borduurpatronen ontworpen voor het borduren op de meelzakken met als eerste element de banier ‘a friend in need a friend indeed‘, in de Belgische kleuren zwart, geel, rood. De Belgische ontwerper(s) bracht(en) de humanitaire relatie tussen België en de Verenigde Staten in beeld.
De representatie van een adelaar, een vogel in vlucht met wiekende vleugels, staat als tweede element centraal. Sinds 1782 is de zeearend, symbool van kracht, het nationale symbool van de Verenigde Staten.
– Patroon 1) De adelaar vliegt naar links (vanuit de kijker bezien) boven een hoorn des overvloeds gevuld met tarwearen, in zijn poten klemt hij de gekruiste vlaggenstokken van de Belgische en Amerikaanse vlag. Achter de korf met graanhalmen rijst de zon met gouden zonnestralen op (nrs. 1, 2, 3.)
– Patroon 2) De adelaar vliegt naar rechts boven een halve wereldbol, aan de onderzijde omrand met tarwearen. Rechts in Europa de Belgische vlag, links in Noord-Amerika de Amerikaanse vlag. In de vogelsnavel het midden van het banier (nrs. 4 en 5).
– Patroon 3) De adelaar vliegt naar links met het Amerikaanse schild en daarachter drie dikke graanhalmen tussen de poten geklemd. Boven de vogel een ster en daarboven wappert fier een gerafelde, Belgische vlag (nrs. 6 en 7).

De borduurwerken
De borduursters hadden beschikking over een veelvoud aan Amerikaanse meelzakken om hun borduurpatroon op aan te brengen. Ze hebben geen Canadese meelzakken gebruikt.
De handwerksters hebben eigen keuzes gemaakt in de kleuren van de borduurgarens die zij gebruikten. De banier is in wisselende kleuren zwart, geel en rood geborduurd. De adelaar heeft verschillende kleuren beige, bruin of grijs. De Amerikaanse vlag is op eigen wijze geïnterpreteerd gelet op aantal en kleur van de strepen en het aantal sterren. (In 1915 had de Amerikaanse vlag officieel 13 horizontale banen, bovenste en onderste in rood, en 48 sterren.) Ook het Amerikaanse schild is divers geïnterpreteerd, zie de verticale banen in de kleuren rood en wit.
Het borduren van de snavel van de adelaar bleek moeilijk. Uitvergroting van dit detail laat zien dat de snavel allerlei vormen heeft.

1) Collectie Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem

‘A friend in need a friend indeed’ met hoorn des overvloeds. Meelzak ABC Olympic Graham Flour, The Portland Flouring Mills, Co., Dayton, Washington, geborduurd, ca. 1915. Coll. KKvH Merksem

2) Collectie The UK Trench Art Site

A friend in need a friend indeed met hoorn des overvloeds. Meelzak, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. UK

3) Particuliere collectie België

Zonder banier, met hoorn des overvloeds. Meelzak Pillsbury’s improved Crown, Minneapolis, Minnesota, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. Ruth Shank, Brasschaat in 1986.

4) Collectie The UK Trench Art Site

‘A friend in need a friend indeed’ met wereldbol. Meelzak Belgian Relief Flour City of Topeka, Shawnee County, Kansas, geborduurd ca. 1915. Part. coll. UK

5) Particuliere collectie België

‘A friend in need a friend indeed ‘met wereldbol. Meelzak Cascade, Portland Roller Mills, Portland, Oregon, geborduurd ca. 1915. Let op detail rechts: stempel CNSA/NKHV Antwerpen met pelikaan. Part. coll. België

6) Particuliere collectie België

‘A friend in need a friend indeed’ met Belgische vlag en Amerikaans schild. Meelzak Semolino, Hays City Milling & El. Co., Hays City, Kansas, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. België

7) Collectie MoMu, Antwerpen

‘A friend in need a friend indeed’ met Belgische vlag en Amerikaans schild. Meelzak Belgian Relief Flour Bernet Craft and Kauffman Milling Co, Republic, Missouri, geborduurd, ca. 1915. Coll. Momu Antwerpen

8) Auction Potomack Company, VS
Het borduurwerk nr. 8 is gemaakt op basis van een vierde borduurpatroon. Ook in dit patroon is de adelaar centraal met de banier ‘a friend in need a friend indeed’ in zijn snavel. Toch wijkt het patroon af van de patronen uit 1915:
– De graanhalmen ontbreken in het patroon;
– Een bundel van zeven pijlpunten symboliseren eendracht;
– De Belgische vlag gaat half verscholen achter de Amerikaanse vlag;
– Een van de schilden is ‘lokaal’, het is het wapen van Antwerpen;
– De meelzak is voorzien van een brede kanten omranding;
– De versierde meelzak bevond zich in 2022 in de VS, de andere zeven bevinden zich in collecties in Europa.
– Het belangrijkste verschil zijn de jaartallen 1914-1918. Zij betekenen dat het borduurwerk tot stand is gekomen nà de Wapenstilstand.

Trench art van nà de Armistice
Het is een oorlogssouvenir waarin de naoorlogse relatie tussen België en de VS vanuit Antwerpse optiek is vastgelegd. Waar in 1915 de humanitaire, bevoorradingscomponent de iconografie bepaalde in de borduurpatronen, verdween deze uit dit borduurpatroon van nà 1918.
Dat maakt het zelfs mogelijk een militaire component in de relatie tussen België en de VS te koppelen, zoals een Amerikaans veilinghuis recent deed.
In 2022 was dit borduurwerk te koop en gaf het veilinghuis in Virginia, VS, online de toelichting: ‘… done after World War I by Belgians in gratitude for American servicemen who aided them in defeating the Germans…’ .

‘A friend in need a friend indeed’ met het wapen van België en Antwerpen 1914-1918. Belgian Relief Flour Listman Mill Co., La Crosse, Wisconsin. Borduurwerk en kant. Let op dat graanhalmen ontbreken. Foto website auction The Potomack Co. jan. 2022.

A friend in need is a friend indeed – fabels van Aesopius
Waar komt de uitdrukking ‘a friend in need a friend indeed‘ vandaan?
In de fabels van Aesopius, die toegeschreven worden aan de Griekse dichter Aesopus (ca. 620-560 v.Chr.), komt een verhaal voor waarin de oorsprong van het spreekwoord, zoals gebruikt in het borduurwerk, is te herkennen. In de verhalen van Aesopius maakt hij met de dieren een personificatie van mensen. Hoe is het toepasbaar op bezet België in 1915?

De beer en de reizigers
Er waren eens twee reizigers die hun tent opsloegen in het bos. Midden in de nacht kwam een beer op hen af. Eén reiziger klom in een boom, terwijl de ander niets beters wist te verzinnen dan te gaan liggen en zichzelf voor dood te houden. De beer naderde hem, snuffelde met zijn snuit bij het oor van de man; en, na een minuut, ging de beer toch weg. De eerste reiziger klom uit de boom en vroeg nieuwsgierig aan zijn medereiziger wat de beer hem in zijn oor had gefluisterd. Hij antwoordde dat de beer hem op het hart drukte voortaan zijn vrienden beter uit te kiezen.
De moraal van het verhaal: in nood leert men zijn vrienden kennen:
De beer is onmiskenbaar het Duitse keizerrijk dat België onverhoeds binnenviel op 4 augustus 1914. De tweede reiziger is België. De eerste reiziger kan niet anders zijn dan Groot-Brittannië dat weliswaar op militair terrein te hulp kwam, maar door een handelsembargo en importblokkade de toevoer van levensmiddelen overzee naar bezet België onmogelijk maakte.

De origine van het spreekwoord
Het spreekwoord ‘a friend in need is a friend indeed’ wordt al sinds de oudheid gebruikt.
– De Romeinse filosoof Quintus Ennius (239-169 v.Chr.) schreef in het Latijn ‘Amicus certus in re incerta cernitur.’ wat betekent “Een betrouwbare vriend wordt gekend in onzekere tijden.”
– De Britse schrijver en dichter John Heywood stelde een verzameling spreekwoorden samen in de Engelse taal in 1546.
Daarin nam hij het volgende spreekwoord op: ‘Prove thy friend ere thou have need, but in deede. A friend is never known till a man have need’, wat betekent ‘een echte vriend wordt pas herkend wanneer er moeilijkheden ontstaan’.
(John Heywood is in België, in Mechelen gestorven. Als gelovig katholiek was hij uit Engeland gevlucht om aan vervolging te ontkomen.)
– De uitdrukking werd van lieverlee populairder en wordt tot op de dag van vandaag wereldwijd gebruikt.

‘A friend in need a friend indeed’ met de bundel van zeven pijlpunten en het wapen van België en Antwerpen 1914-1918, detail. Foto website auction The Potomack Co. jan. 2022.

Antwerpen

Stempel CNSA/NKHV Antwerpen met pelikaan

Antwerpen was in 1914/1915 een internationale havenstad waar de Engelse taal actief werd gebruikt. Zo is het spreekwoord ‘a friend in need a friend indeed’ verwerkt in de borduurpatronen die op de meelzakken zijn gebruikt om uitdrukking te geven aan de erkentelijkheid die de burgerbevolking van bezet België voelde voor de import van levensmiddelen, gefaciliteerd door Amerikaanse burgers.

‘A friend in need a friend indeed’
‘In nood leert men zijn vrienden kennen.’
‘C’est dans le besoin que l’on reconnaît ses vrais amis.’

De mystieke vrouw in zwart, geel en rood van Tony van Os, Bornem

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, (verso) op meelzak ‘American Commission’, circa 1915. Coll. IFFM, nr. IFF 005527. Foto: auteur

Het schilderij van Tony van Os, gekwast op een Amerikaanse bloemzak ‘American Commission’, heb ik bestudeerd in het depot van het In Flanders Field Museum (IFFM) in Ieper op mijn recente zakkenreis naar de Westhoek.

Tony van Os
Franciscus Antonius Aloysius (Tony) Van Os (°Antwerpen 21-06-1886 +Temse 05-09-1945) was een Belgisch kunstschilder, tekenaar en illustrator. Zijn œuvre bestaat voornamelijk uit Scheldezichten, landschappen, portretten en religieuze onderwerpen. Van Os huwde met Elisa Van Hoeymissen (x21-08-1912) en vestigde zich in Bornem-Buitenland aan de Schelde.[1] Het koppel kreeg drie kinderen.

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, (recto), meelzak American Commission, circa 1915, olieverf op katoenen zak. Coll. IFFM, nr. IFF 005527. Foto: auteur

De vrouw in zwart, geel, rood

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, detail

Op het olieverfschilderij zien we een vrouw gekleed in de Belgische kleuren zwart voor de rok, geel met rode biezen voor het jak, rood voor de hoofddoek waaronder wat krullend haar tevoorschijn komt. Op blote voeten, in haar linkerhand waarmee ze haar linkerbeen omklemt, een witte zakdoek -symbool van overgave-, die contrasteert met de zwarte rok. Haar linkervoet wankelt op een stapel ruïnestenen.
De vrouw zit op een muur in ruïne, op de achtergrond een witte nevel, het water van de Schelde, waarin reflectie van dorp en bomen op de achtergrond, daarboven lage rivierhuizen en de kerktoren van de Onze-Lieve-Vrouw-en-SInt-Leodegariuskerk in Bornem.
Aan de linkerzijde achter de vrouw staan huizen in brand, flarden grijze rook stijgen op.

Palmtak en Amerikaanse vlag
De blik van vrouw is naar boven gericht. In haar rechterhand houdt ze een palmtak, symbool van overwinning, omhoog. Ze wijst naar de Amerikaanse vlag die boven haar hoofd wappert aan een vlaggenlijn.
De Amerikaanse vlag heeft 48 sterren, zes boven elkaar op acht rijen, de sterren met een punt omhoog. De vlag telt 29 horizontale banen.
(NB. In 1915 had de Amerikaanse vlag inderdaad officieel 48 sterren, zoals Van Os schilderde; de vlag had echter slechts 13 horizontale banen.)

In de rechteronderhoek de signatuur van Tony van Os, Bornhem.

Dankbaarheid van de schilder

GRATITUDE OF THE PAINTER TO THE AMERICAN COMMISSION

Tony van Os ondertekende met T.V.O. in de linkeronderhoek. Daar staat ook de zin: GRATITUDE OF THE PAINTER TO THE AMERICAN COMMISSION (Dankbetuiging van de schilder aan de American Commission).

In de rechteronderhoek de naam Tony van Os, Bornhem.

‘Infortunate Bornhem Thanking the AMERICAN FLAG.’

Ongelukkig Bornem
Op de achterzijde van het schilderij de originele print van de meelzak American Commission. En de tekst – een kwartslag gedraaid – ‘Infortunate Bornhem Thanking the AMERICAN FLAG’ (Ongelukkig Bornem, de Amerikaanse vlag dankend).


Iconografie – de schepping van een mystieke vrouw
Reflecterend op de iconografie en lezend over Van Os’ œuvre vraag ik me af wie de jonge Van Os heeft geportretteerd met de vrouw.
Tony van Os schilderde zijn kunstwerk in de verwarrende omstandigheden van de oorlog; dit werk valt onder de noemer ’trench art’, loopgravenkunst, het draagt de weerklank van het conflict.
Wat is de symboliek, is de afbeelding van de vrouw vanuit religie ingegeven? Wie is deze mysterieuze vrouw?
– Is zij Vrouwe Belgica, of de ‘Jeanne d’Arc’ van Bornem, zwaaiend met palmtak?
– Is zij een godin of zou zij in religieuze beschouwing de maagd Maria representeren?
Ze rijst blootsvoets op uit de ruïnes, toont eerst haar zwarte rok, vervolgens het gele jak, dan de hoofddoek in rood, alsof de Belgische natie zich opheft uit de ruïnes.
De witte zakdoek van de overgave klemt zij in haar linkerhand om haar linkerbeen, alsof ze haar tranen heeft gedroogd. Ze richt haar rechterarm omhoog en wuift met de palmtak van de overwinning waarbij ze wijst naar de wapperende Amerikaanse vlag aan de hemel. De Amerikanen faciliteerden de import van levensmiddelen in bezet België, als ware dit ‘manna dat uit de hemel viel’.
Op de achtergrond beelden van dorp en landschap, gekwast in de herkenbare schilderstijl van Van Os.

De felle kleuren van de weerbare vrouwenfiguur contrasteren met het eerdere werk dat de zeer jonge Van Os maakte en toonde op tentoonstellingen, o.m. in Antwerpen in 1911; Van Os was toen 24 jaar. De vrouw in Belgische kleuren schilderde hij waarschijnlijk in 1915 toen hij 29 jaar oud was en inmiddels getrouwd. Zou de echtgenote van Van Os model hebben gestaan voor de vrouw?

Enkele superlatieven uit een artikel over de tentoonstelling in Antwerpen in 1911:
– … dezen nog zeer jongen maar buitengewoon aangelegden kunstenaar …
– … De zielvolle weergave van de zachte, gelaten melankolie, ziedaar wel, naar  ik meen, de samenvatting van het karakter dezer kunst….
– … Zelden zagen wij werk van zoo verrassende innigheid…
– … Hoe deze schilder op harmonische wijze uiting heeft gegeven aan een diepe zielsbewogenheid blijkt verder uit schilderijen als …. diepzinnige ontroeringen van een meewarig kunstenaarsgemoed….
– … Zijn aandacht schijnt hij vooral te hebben gewijd aan lijn en gebaar, meer nog dan aan de kleur, zoodat deze soms wel hier en daar wat droog en schraal werd… [2]

Honderd jaar na de geboorte van Tony van Os was de beschrijving van zijn werk: ‘Met een omvangrijk œuvre ging Van Os de kunstgeschiedenis in als schilder van de Schelde, zonder uitbundigheid of stralende kleuren maar met een eigen stijl en koloriet, waarmee hij er in slaagde een eigen pikturale wereld te scheppen die doordrongen was van een mystieke vroomheid en weemoed, het land dat hij bewoonde eigen.’  [3]
Van Os was in september 1945 gestorven aan een ziekte, veroorzaakt door gevangenschap tijdens de bevrijdingsdagen van WOII, als slachtoffer van een niets ontziende repressie.

Dertig jaar eerder, tijdens WO I onder eendere niets ontziende repressie, schiep Van Os in eigen stijl en koloriet met zijn pikturale wereld een weerbare vrouw in zwart, geel en rood: uitbundig en in stralende kleuren; zijn creatie van een mystieke vrouw.*)


Geplakt etiket van Adèle Deswarte, Bruxelles, op achterzijde houten lijst.

Een oud, houten kader van Adèle Deswarte
De afmeting van het schilderij is 59×35,5 cm; inclusief de lijst is de afmeting van het kunstwerk 72×48 cm.
Op de achterzijde van het houten schilderijkader bevindt zich een geplakt etiket van Adèle Deswarte, Bruxelles. Met potlood staat 52×45 in het hout geschreven.
Adèle Deswarte (Vieux-Berquin, 1 april 1832 – Brussel, 27 september 1889) was ongehuwd en overleed in haar woning in de Rue de la Violette, nummer 28 in Brussel. Zij was al in 1868 verkoopster van schilder artikelen. Haar Comptoir des Arts in de rue Violette 28 werd na haar dood in 1889 verdergezet door Jules Leurquin en later door Albert Mendel. [4]
Adèle overleed in 1889 op 57-jarige leeftijd, en verkocht tussen 1868 en 1889 schilder artikelen, dat is ruim 20 jaar. Als Van Os de meelzak zelf heeft ingekaderd rond 1915, dan is het een oud kader dat is (her)gebruikt.

Tussen de lijst aan de achterzijde zijn Vlaamse kranten geklemd, misschien de Gazet van Antwerpen; Tony van Os’ vader was stichter en directeur van deze krant.

Veiling
Het In Flanders Fields Museum heeft in 2022 het schilderij aangekocht in Gallery St. John in Gent. Op de website van Gallery St. John lees ik dat het schilderij toen was toeschreven aan Tony van Os. [5]

Conclusie
Mijn conclusie is dat dit schilderij beslist van de hand van Tony van Os moet zijn. Waarschijnlijk geschilderd in 1915, Van Os was toen 29 jaar; mogelijk is de bloemzak tentoongesteld geweest in Antwerpen, eind 1915, begin 1916. [6]

Tony van Os schilderde een opmerkelijke voorstelling op meelzak. De iconografie heeft eigenheid binnen de honderd schilderijen op bloemzak die ik tot heden heb bestudeerd en geregistreerd en waarover ik het artikel ‘De kunst van de meelzak’ heb geschreven.

 

Dank aan
– De medewerkers van het Kenniscentrum IFFM, Ieper;
– Hubert Bovens voor de biografische gegevens van de kunstenaar;
– De Kunstvrienden Jacques Laperre en Karl Scheerlinck.

Voetnoten:
*) Betekenis ‘mystiek’ (bijv nw) 1. geheimzinnig, onverklaarbaar; 2. te maken hebbend met mystiek -het streven om één te worden met God.

[1] Website Koewacht, een dorp op de grens. Geraadpleegd 1 november 2025.

[2] Deelen, Ary, Kunstberichten. Uit Antwerpen: Koninklijk kunstverbond tentoonstelling van werken van Tony VAN Os 4 tot 15 Februari 1911. Onze Kunst. Jaargang 10. L.J. Veen, Amsterdam 1911, p. 101

[3] Hammenecker, Tjen, Het wezen der dingen is mystieke weemoed. Honderd jaar Tony van Os. De Voorpost, 20 juni 1986, p. 13

4] Informatie uit teksten opgesteld door onderzoeker Jacques Laperre

[5] Geraadpleegd op 1 november 2025

[6] L’Indépendance Belge (Edité en Angeleterre), 4 maart 1916; De Stem uit België, 31 maart 1916 (uitgegeven in Londen van 1916 tot 1919)

De kunst van de meelzak. Toelichting op dertien schilderijen.

De afbeeldingen op de meelzakken: wat vertelt de expressie van de kunstenaars in bezet België over de wijze waarop zij onder de Duitse bezetting leefden en uitdrukking gaven aan hun -verwarrende- ervaringen, zowel voor zichzelf als voor anderen?

Hier volgt een uitgebreide toelichting op de dertien schilderijen die als illustraties zijn opgenomen in mijn artikel De kunst van de meelzak.


‘Zij zullen hem niet temmen zoolang een Vlaming leeft’, 1916, meelzak ‘American Commission’, afm. 76×36 cm. Coll. G. Hollaert, België, foto auteur.

In de collectie Hollaert in Dendermonde bevinden zich vijftien beschilderde bloemzakken in ongepolijste expressie van Belgisch patriottisme. De schilderstijl lijkt afkomstig van een en dezelfde schilder. Eén van de zakken draagt de signering ‘S. Chotteau’. Hij of zij schilderde landschappen langs de IJzer, Koning Albert, akkers met graanschoven en de Vlaamse leeuw die zijn ketenen verbreekt. In de grimmige kop van de leeuw staan fel priemende ogen, tot uitdrukking gebracht in verf met de kleuren zwart, geel, rood. In naïeve schilderstijl spat de emotie en vaderlandsliefde van de zakken af.


Jean Brusselmans, ‘Fleurs’. Hommage Reconna(i)ssant des Travailleurs Belges 1915, bloemzak American Commission, 75 x 39 cm. Coll. HHPLM 62.4.231, VS, foto auteur.

JEAN BRUSSELMANS was 31 jaar in 1915 (Brussel, 13 juni 1884 – Dilbeek, 9 januari 1953). Brusselmans heeft geen aarzeling gekend om een meelzak te beschilderen; zijn ervaring als schilder van reclameborden kwam hem te pas. Hij maakte de keuze voor een geleegde zak met bedrukking in blauwe letters ‘American Commission’ en schilderde er twee takken rozen omheen. De rozen en takken zijn blauw, doornen steken akelig uit, aan de onderzijde houdt een plechtstatig, als banier gestrikt lint, de twee takken bijeen.

Blauw kent de natuur niet voor rozen. Brusselmans’ symboliek sluit aan bij de stijl van een groep van jonge Brusselse kunstenaars waarmee hij deelnam aan de eerste ‘Salon des Bleus’ gehouden bij Galerie Georges Giroux, eind december 1912.
Brusselmans blijkt geïnspireerd door een kunststroming in Rusland. In 1907 organiseerden kunstenaars rond Victor Borisov in Moskou een tentoonstelling vanuit het Russische symbolisme onder de naam ‘De blauwe roos’.
‘De Blauwe Roos liep hoog op met de Belgische auteur Maeterlinck. In hun kunstkringnaam stond de roos voor de smart, de doornen van het leven en de mooie geur. Het blauw kwam van Maeterlincks L’Oiseau bleu (de blauwe vogel), dat in 1908 in wereldpremière ging in Moskou. Onvatbare ‘blauwe’ kunst die de mens gelukkig maakt.’[1]

Aan de oproep om als kunstenaar zijn erkentelijkheid uit te drukken voor invoer van levensmiddelen gaf Jean Brusselmans op anarchistische wijze gehoor. Hij gebruikte geen vaderlandslievende symbolen en kleuren, bij hem geen Belgische vlag of de kleuren zwart, geel, rood. Hij schilderde in 1915 namens de ‘Travailleurs Belges’ (Belgisch Werkers) zijn ‘hommage reconnaissant’ gebaseerd op een jonge kunststroming.

Een onderscheidend kunstwerk tussen de beschilderde meelzakken, van een jonge Belg gemaakt tijdens het gewapende conflict waarin Rusland, België, Frankrijk en Groot-Brittannië de geallieerden waren; in navolging van het Russische symbolisme, gevoed door de Belg Maeterlinck, op een meelzak uit het toenmalig neutrale Amerika.

Jean Brusselmans, ‘Laboureur’. Coll. HHPLM 62.4.119.

Het schilderij op zak is anno 2025 bewaard in de VS in het museum opgericht voor de Amerikaanse oud-president Herbert Hoover, een fervent republikein.

Jean Brusselmans beschilderde een tweede meelzak met als titel ‘Laboureur’. De zak met bedrukking ‘Chicago’s Flour Gift’ toont een boer op klompen, spittend in zijn akker. Ook dit item bevindt zich in HHPLM nr. 62.4.119.


Philibert Cockx, ‘Nieuport’, Bruxelles, 1915, meelzak ‘Flour. Canada’s Gift’, afm. 48×94 cm. Coll. HHPLM 62.4.254, VS, foto auteur.

PHILIBERT COCKX was 36 jaar in 1915 (°Elsene 29-04-1879 +Ukkel 02-09-1949). Hij schilderde twee figuren, een moeder en een dochter, zittend op ‘une brouette’ (een kruiwagen of plaggenkar) [1A], uitkijkend over de IJzervlakte. Nieuwpoort stad is in donker silhouet op de achtergrond met open sluizen, omhoog staande bruggen en schepen onder zeil die langs varen. De vrouwen nemen roerloos het landschap op. Cockx’s zomerse kleuren van 1915 zijn hoopvol, schilderde hij een idyllisch tafereel? Of verwijst hij naar de treurnis van een familie, die in de verte een echtgenoot, zoon, vader, broer, aan het front weet? Het front op Belgisch territoir waar legers tot stilstand waren gebracht?

Philibert Cockx, ‘Oogstende boer in graanveld’, 1915. Bloemzak ‘Cascadia’, Portland Roller Mills. Moulckers Collection, St. Edward’s University

Van Cockx zijn nog twee beschilderde meelzakken bekend. ‘Oogstende boer in graanveld’ op een bloemzak Cascadia van Portland Flouring Mills, Portland, Oregon, VS, bevindt zich in de Moulckers Collection, St. Edward’s University, Austin, Tx, VS. een jonge boer in een graanveld. Hij oogst de tarwe, schoven staan op de akker, het doek is omrand door geschilderde zwart, geel, rode bloemranken.

De catalogus van de Auderghem-expositie in 1915 vermeldt het werk ‘Village Flamand’; dit schilderij is waarschijnlijk naar de VS gestuurd, maar niet getraceerd.


Godefroid Devreese, ‘Au bénéfice d’alimentation 1914-1915’, meelzak ‘Perfect’, Gem State Roller Mill & Ele. Co., Ucon, Idaho. Coll. KMKG Tx 2626, België, foto auteur.

GODEFROID DEVREESE was 54 jaar in 1915 (°Kortrijk 19-08-1861 +Elsene 31-08-1941). Devreese bracht het Voedingswerk in beeld.
De beeldhouwer en medailleur maakte een monochrome tekening in roodkrijt van een kind met krullende haardos, blote armen en benen, gekleed in een schortje. Het zit op de grond en lepelt soep uit een steelpan; de onderbenen klemmen de pan vast. De tekst ‘AU BÉNÉFICE D’ALIMENTATION’ (‘ten voordele van de voeding’) staat in een boog om het kind heen, beginnend en eindigend in een tarwehalm. Een krans van zonnestralen benadrukt de letters. Het onderwerp is geschetst alsof het bestemd is (geweest) voor een plaquette of medaille. Het hoofdje van het kind vertoont enige gelijkenis met het hoofd van Mimine Schellecat, dochtertje van de kleermaakster van mevrouw Devreese, op een bronzen medaille uit 1906.

G. Devreese, hanger (recto), brons. Coll. en foto E. McMillan

Van hetzelfde ontwerp van Devreese is een hanger die geschenk was voor de medewerksters van de liefdadigheidstentoonstelling ‘Exposition d’Art et de Travaux Manuel, 1914-Bruxelles-1915’.

Kennelijk is er ook een kantwerk uitgevoerd met dit ontwerp; de collectie van het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis bewaart er de tekeningen en kantpatronen van.


Josué Dupon, ‘Grateful Belgium, JD’, 1915, meelzak ‘American Commission’, lithografie (recto). Coll. en foto National WWI Museum and Memorial, VS.
Josué Dupon, ‘Grateful Belgium, JD’, 1915, (verso). National WWI MM.

JOSUÉ DUPON was 51 jaar in 1915 (°Ichtegem 22-05-1864 +Berchem 13-10-1935). Dupon vluchtte in oktober 1914 naar Engeland en keerde begin 1915 terug naar Antwerpen/Berchem.
Zijn litho’s op deze meelzak zijn meer dan ‘gedrukte tekeningen’, ze bevatten impliciete boodschappen over voedingswerk en patriottisme.
Het silhouet van leeuwenklauwen geeft de adelaarsvleugels structuur, een doornenkrans omringt het Belgische wapen. In de kop van de adelaar met de twee graanstengels lijkt de kop van een leeuw te zien. En in de contouren van de adelaar zou het lichaam van de zwarte leeuw te zien zijn.

De zwarte leeuw, die de geur opsnuift uit zijn soepterrine, de goudgele letters ‘Grateful Belgium’ en het rood van het Amerikaanse shield vertegenwoordigen de kleuren zwart, geel en rood van de Belgische vlag.

Josué Dupon, ‘pelikaan voedt jongen’, medaille Hulp en Voeding, Antwerpen, 1915

Uit krantenartikelen blijkt dat Dupon samen met Piet van Engelen bij meerdere versieringen van bloemzakken betrokken was.[2]

Tijdens een feestelijk bijeenkomst in Antwerpen gaf het provinciale komiteit de vice-president van de Commission for Relief in Belgium een meelzak als geschenk ontworpen door Josué Dupon.

Het ontwerp was een theemuts met tekening van een pelikaan (in de krant verkeerd geïnterpreteerd als een zwaan of ooievaar). (L’Indépendance Belge, 22 augustus 1916)

Pelikaan voedt jongen, Antwerpen, 1915

De pelikaan die jongen voedt met eigen bloed was het merkteken van de Antwerpse Middenkomiteit.

Sinds de middeleeuwen staat dit beeld in de kunst symbool voor opofferingsgezindheid.

Overigens: ook de dochters van Dupon waren bij de Werken in Antwerpen betrokken.[3]


Marie Durand – ‘Les Cloches d’Eppeghem’, 1915, Bruxelles, afm. 61×41 cm. Coll. en foto M. Moulckers, VS.

MARIE DURAND was 49 jaar in 1915 (°Saint-Croix 01-09-1866 +Marcourt 12-08-1957). Zij kwastte op meelzak, van onbekende origine, het beeld dat zij op foto zag van ‘Twee Vriendinnen – De Klokken van Eppeghem’. ‘Elles appelaient ces jours-là: «dies irea», des jours de colère… Il en vint un dont la colère fut si terrible qu’elles n’en purent compter les coups. Elles en furent frappées si douloureusement qu’elles s’évanouirent au milieu de cette tempête de mort. Les deux amies jetèrent, en s’effondrant l’une près de l’autre, un cri sinistre comme un glas. Et les voilà gisant sur le sol, toujours inséparables, ayant chiffoné leurs atours si bien que les bas de leurs belles robes vert-mordorées semble frangé comme un suaire de luxe.[4]

De Grote Oorlog was de eerste industriële oorlog. De wapenarsenalen richtten grove verwoestingen aan. Ruïnes – het trauma van de Duitse invasie en bezetting- zijn het beeld dat schilders en fotografen vastlegden van het zwaar getroffen België.[5]

Marie Durand werkte 22 jaar als docente op verschillende middelbare meisjesscholen, de Ecoles Moyennes, in de agglomeratie van Brussel.
Zij zal celibatair gebleven zijn. Haar overlijdensdatum is nog niet gevonden, maar ze is op 91 jaar verhuisd naar Marcour in de Ardennen. Ze had daar in haar jeugd in de nabijheid gewoond, namelijk in Samrée.
Andere kunstwerken dan deze beschilderde meelzak kwamen nog niet tevoorschijn. Een onderzoeksvraag is of Durand als docente van de meisjesscholen invloed heeft gehad op het versieren van meelzakken door studentes van deze scholen in 1915. [6]


Rose Houyoux, ‘Allégorie’, To those Who gave us the Joy to be grateful’, 1915, meelzak Castle, Maple Leaf Milling Coy., Ontario, Canada – Canada’s Gift, afm. 94×107 cm. Coll. HHPLM 62.4.215, VS, foto auteur.

ROSE HOUYOUX was 20 jaar in 1915 (°Brussel 30-07-1895 +Elsene 02-09-1970). De dochter van Léon Houyoux beschilderde haar meelzak met een voedingsallegorie. De vrouwen lijken een representatie te zijn van Columbia -in blauwgroen- met een bundel korenhalmen en Dame Belgica -oranjerood- met uitgestrekte armen om het koren in ontvangst te nemen.

Léon HOUYOUX, ‘Fillette revenant de la distribution de pain’, Auderghem, (Belgium), 1915, afm. 84×31 cm. Coll. en foto M. Moulckers.

LÉON HOUYOUX was 59 jaar in 1915 (°Brussel 24.11.1856 – Oudergem 10.10.1940). Hij schilderde op bloemzak een meisje dat terugkwam van de broodverdeling. De gemeente Oudergem bezit het olieverfschilderij ‘Winterhulp’ van Houyoux. Het meisje in rood, wit, blauwe kleding lijkt zo weggelopen uit het schilderij, ze klemt het ronde brood, gebakken van Amerikaanse bloem, stevig tegen zich aan. Haar gele klompen en zwarte sokken vertegenwoordigen haar vaderland.

De verbinding in de patriottische expressie van vader en dochter ontvouwt zich in een detail op het schilderij van vader Leon. De letters ‘s, y en l’ linksboven aan de rand zijn de laatste letters van de woorden ‘us, joy en grateful’ van dochter Rose.

De catalogus van de Auderghem-expositie in 1915, vermeldt een tweede werk van Léon Houyoux: ‘Fillette revenant de la distribution de pain’; deze zak is nog niet getraceerd.


Paul Jean Martel, ‘The Return of King Albert, 22-11-1918, Bruxelles’, bloemzak Madame Vandervelde Fund, afm. 53×88 cm. Coll. en foto: Maclovia Martel.

PAUL JEAN MARTEL was 36 jaar in 1915 (ºLaken, België, 04-08-1879 +Philadelphia, Penn. VS, 26-09-1944). Martel nam deel aan de tentoonstelling in Oudergem. Hij bewaarde een lege meelzak en heeft deze uitzonderlijk beschilderd ná de bezetting. Martel schilderde de heroïek van de ‘Blijde Inkomst van koning Albert en koningin Elisabeth op 22 november 1918’. Het licht schittert op de meelzak; kleurrijke pasteltinten geven Martel’s blijdschap weer, gedeeld met duizenden mensen in Brussel.

De catalogus van de Oudergem-expositie in 1915, vermeldt twee eerdere werken van Martel. ‘My dear wife’ en ‘Printemps’ zijn genoemd in een krantenartikel. ‘(…) we trokken naar het Gemeentehuis, een klein, onaanzienlijk gebouwtje, waar in eene der zalen de tentoonstelling ingericht wordt van … Amerikaansche zakken. Prachtig zijn twee tafereelen, door M. P. Martel op het ruwe lijnwaad geborsteld; bijzonder zijne ‘Glimlachende vrouw’ is buitengewoon kleurrijk.[8]

Paul Jean Martel, ‘Vrouw met handwerk’, 1915; Coll. HILA, George I. Gay Papers; foto: HILA staff

‘My dear wife’ bevindt zich in HILA. Het etiket vermeldt: ‘George I. Gay Collection. Oil painting of woman sewing. 17” x 23” (schilderij in olieverf van vrouw die naait, br. 43 x h 58 cm).

‘Printemps’ of ‘Glimlachende vrouw’ is mogelijk geschenk gegeven door The Friends of Belgium aan de Girl Scouts in Brooklyn, New York in 1924. Amerikaanse krantenartikelen verwijzen naar dit werk als ‘the picture of a beautiful blond girl dressed in white with collar and cuffs in red and a blue bow at the neck’, maar de zak is nog niet getraceerd.[9]


Armand Rassenfosse, ‘Nu’, ‘Imprimé à Liège en 1915 sur sac américain’, meelzak ‘James River Falls’, The Dunlop Mills, Richmond, Virginia, VS. Privé-coll. België, foto N. de Rassenfosse.

ARMAND RASSENFOSSE was 53 jaar in 1915 (°Luik 06-08-1862 +Luik 28-01-1934). Hij etste het portret van een naakte vrouw op een bloemzak uit Virginia. Op andere meelzakken heeft hij portretten van mijnwerksters geëtst. Meerdere kunstenaars verheerlijkten in vooroorlogse jaren de jonge vrouwen met een loodzwaar en gevaarvol beroep als waren zij nimfen.[10] Rassenfosse had zijn etsen al eerder in vooroorlogse jaren gemaakt. Het overlijden van zijn zoon in 1913, het uitbreken van de oorlog, de zware gevechten rond zijn stad Luik, zullen hem zwaar op de proef hebben gesteld. Rassenfosse hield vast aan het hem bekende, de dagelijkse routine hield hem overeind.
Rassenfosse maakte deel uit van een groep Luikse kunstenaars die voor het goede doel 67 meelzakken beschilderden en bedrukten voor de grote liefdadigheidstentoonstelling, gehouden in de Académie des Beaux-Arts in Luik van 4-11 juli 1915.[11]

Van Rassenfosse zijn twee andere werken op meelzak bekend. ‘Hiercheuse’ (mijnwerkster) is een lithografie op meelzak uit de VS-westkust, collectie HILA Frederick H. Chatfield Papers. Hij noteerde op het doek ‘Etude pour un tableau’.
Het tweede werk ‘Hiercheuse. Imprimé sur toile de sac américain’, 1915, is een lithografie in de collectie van Musée de la Vie wallonne.


Louis Thevenet, ‘Stilleven’, 1915, meelzak, ‘American Relief for Belgium Flour milled by Wm. Kelly Milling Co., Hutchinson, Kansas, USA’. Coll. Atelier Martin Wallaert © den AST Halle/foto R. Cosaert.

LOUIS THEVENET was 41 jaar in 1915 (°Brugge 12-02-1874 +Halle 16-08-1930). Hij schilderde een stilleven zoals hij er vele heeft gemaakt. Maar dit kleine schilderij vulde hij specifiek met bezettingssymboliek. De kleuren zwart, geel en rood van stoel en strohoed – uit de vallei van de Jeker – rood, wit, blauw van de vaas met bloemen, waarnaast de soepkom, het tafelkleed in wit van de onschuld vult het halve doek, en contrasteert met het zwart van tafelpoot, plint en strohoedband. Een schetsboek ligt binnen op tafel. ‘Buiten’ – een groen veld met bomen tegen blauwe hemel – hangt ingekaderd aan de kamermuur.

Thevenet is erom bekend ook in latere werken via kleuren een vaak verdoken politieke boodschap te brengen. Zie ook Karel van de Woestijne over Zaal Giroux juni 1915, dagboeken, blz. 480: ‘Thévenet blijft mij lief om zijne vranke eerlijkheid.’


Henri Thomas, ‘Jeune femme au manchon’, 1915, meelzak ‘White Fawn’, Duncombe Bros, Waterford, Ontario, Canada. Coll. KBR Prentenkabinet, België, foto auteur.

HENRI THOMAS was 37 jaar in 1915 (°Sint-Jans-Molenbeek 22-06-1878 +Brussel 22-11-1972). Hij maakte een gravure in zacht vernis van een jonge vrouw van goeden huize, gekleed in donkere jas, haar gehandschoende linkerhand in een mof stekend. Ze heeft een starende blik, haar ogen en mond staan triest en afgewend als om misère te verwerken. Haar lichte hoofdbedekking op donker, kort geknipt haar lijkt een verpleegsterskap. Haar beeltenis associeert met de vele jonge vrijwilligsters die na het uitbreken van de oorlog in de geïmproviseerde hospitalen de zorg namen voor gewonde soldaten -hun mannelijke leeftijdsgenoten- ze zagen hen lijden en sterven.

Henri Thomas maakte meer werken op bloemzak: ‘Mouth of the Eyser’ and ‘A Child’s Head’ zijn aangeboden op een tentoonstelling in New York in 1920.[12] De vindplaats is niet bekend.


Guillaume Van Strydonck, ‘Washington’s Spirit Does Flourish in USA’, 1914-1915 (New York 1908), meelzak Washington Flour A.B.C. Coll. St. Edward’s University, foto: Linzee Kull McCray

GUILLAUME VAN STRYDONCK was 54 jaar in 1915 (°Namsos, Noorwegen 10-12-1861 +Sint-Gillis 02-07-1937). Van Strydonck, docent aan de Academie van Schone Kunsten in Brussel, schilderde een leraar die lesgeeft aan vier jongetjes met boterhammen in hun hand, gekleed in rood, wit, blauwe schorten. Belgische symbolen ontbreken bij Van Strydonck, hij focust volledig op de VS, waaruit zijn kennis en levenservaring van het land naar voren komt. Van Strydonck kwam uit een gegoede familie, hij was een bereisd man. In 1911 trad hij toe tot de Vrijmetselarij in Brussel.

De skyline van New York, gezien vanaf de Hudson, tekende hij in detail. De schilder noteerde: ‘G.S. Van Strydonck 1914-1915. (New York 1908)’ en hij signeerde zijn werk verticaal met zijn naam.
Een foto van 1908 toont de toenmalige skyline van New York, bezien vanaf de Hudson. [13]

Guillaume Van Strydonck, Skyline New York op bloemzak 1914-1915. Coll. Moulckers
Een foto van de skyline van New York gezien vanaf de Hudson, rond 1908. Foto: online

De tekst ‘Washington’s Spirit Does Flourish in USA‘ weerspiegelt in de Hudson.

Guillaume Van Strydonck, Washington’s Spirit does Flourish in USA’, bloemzak 1914-1915. Moulckers coll.

De kunstenaar verwijst naar het gedachtengoed van George Washington, de 1e president van de Verenigde Staten die schreef over eventuele Amerikaanse interventies in het buitenland in het geval van noodsituaties: ‘(…) we may safely trust to temporary alliances for extra-ordinary emergencies. Harmony, liberal intercourse with all nations, are recommended by policy, humanity and interest’.[13a]
Op 22 februari 1915 werd in België de verjaardag van George Washington gevierd. Amerikaanse vlaggen en Amerikaanse kleuren werden overal getoond.[14]

Guillaume Van Strydonck, Stock Exchange, Bruxelles, 1914-1915. Part. coll. USA

Een tweede bloemzak van Van Strydonck bevindt zich in de collectie van Mike Moulckers, Tx., VS. De schets toont de ‘Stock Exchange’, het Beursgebouw van 1873 in Brussel. De origine van het doek lijkt door de resterende bedrukking op een ‘Belgian Relief Flour’ zak. Van Strydonck voegde ook hier letters toe aan de tekst. ‘(Belgia)n’s (…) were (Flouri)shing’.
De schets van het Belgische beursgebouw zou -in analogie met het andere schilderij- een verwijzing kunnen zijn naar de Amerikaanse Federal Hall op Wallstreet, New York, waar George Washington werd ingehuldigd als president. Op de trappen van dit gebouw legde hij in 1789 de president’s eed af.

Conclusie
Voedseltekorten en hongerlijden ontbreken in de iconografie.[15]
In analogie met de WO I symboliek van moedige soldaten en escapisme, brengt de meelzakken iconografie een representatie in beeld van gezonde en moedige vrouwen en kinderen. De kunstenaars in bezet België uitten zich al doende met vaderlandse propaganda tegen de vreemde bezettingsmacht. Hun verregaand escapisme is op te maken uit de idealisering van voldoende en lekker eten, loftuitingen en dankbetuigingen aan de vreemde mogendheid overzee. Ze geloofden in het eerste oorlogsjaar 1915 dat de hoge Belgische levensstandaard, mede dankzij hun creatieve bijdrage, hoe dan ook stand zou houden.

Voetnoten:

[1] Hoffmann, I., e.a., Het Russiche Symbolisme. De Blauwe Roos. Brussel: Europalia International, catalogus Museum van Elsene, 2005

[1A] ‘Une brouette’, een kruiwagen of plaggenkar (in Engels: wheelbarrow), was voor schilders die ‘en plein air’ werkten een onmisbaar vervoermiddel.

Emile van Doren schildert, gezeten op zijn plaggenkar. Foto: Emile Van Dorenmuseum

Kristof Ruelens, conservator van het Emile Van Dorenmuseum in Genk,  schreef mij:  “Emile Van Doren (Brussel, 14 april 1865 – Genk, 19 mei 1949) herbruikte zo’n plaggenkar voor zijn schildersuitstappen, om zijn schildersdoeken, draagbare schildersezel en schilderskoffer met palet, tubes en penselen te vervoeren. En hij gebruikte het dan ter plaatse ook nog om op te zitten.”

Millet, ‘L’Angélus’, Coll. Musée d’Orsay, foto online

De kruiwagen op Philibert Cockx’s bloemzak roept ook een associatie op met het schilderij ‘Angélus’ (1857-1859) van Jean-François Millet, waarop een vrouw en man bidden op hun akker, staande voor hun kruiwagen met zakken aardappels.

 

 

[2] HILA CRB records 22003 Box 663.1 Rotterdam Office Clippings.

[3] Over Josué Dupon:
– dank aan Raf Cromheecke-Dupon te Kalmthout, die een omvangrijk archief van Josué Dupon bewaart en meerdere niet-gepubliceerde recensies over zijn werk schreef.
– Frieda Sorber  mededeling van 1/11/2020 : Wat de werkplekken in Antwerpen betreft. De juffrouwen Dupon, dochters van de beeldhouwer Josué Dupon, vertelden me op het einde van hun leven, ca. 1980, dat zij hielpen in een grote werkplaats voor Vrouwen in een grote zaal in Antwerpen-zuid.

[4] Ardan, Felix, ‘Les Cloches d’Eppeghem’, 1 december 1914, in: 1914 Illustré: revue hebdomadaire illustrée des actualités universelles, verschenen tussen 1914-1918.

[5] Rossi-Schrimpf, Inga, Kollwelter, Laura, 14/18 – Rupture or Continuity. Belgian Art around World War I. Leuven: Leuven University Press, 2018

[6] De Kunstvrienden hebben intensieve naspeuringen gedaan naar leven en werk van Marie Durand.

[7]—

[8] Geïllustreerde Zondagsgazet, 25 juli 1915

[9] The Brooklyn Citizen, 23 juni 1924

[10] Hilden, Patricia Penn, Women, Work and Politics. Belgium 1830-1914. Oxford: Larendon Press, 1993. Zie ook: Mélon, Marc-Emmanuel, Paradoxe esthétique et ambiguïtés sociales d’un documentaire photographique: La Houillère de Gustave Marissiaux (1904-1905). In: Art&Fact, no. 30, Luik 2011, p.146-156

[11] ‘Exposition des sacs d’Amérique’, Le Messager de Bruxelles, 7 juli 1915

[12] Abilene Weekly Reflector, 18 maart 1920

[13]
– Ekonomidès, C., Guillaume Van Strydonck [1861-1937] Florida 1886, Indië 1891. De reizen van de impressionistische schilder. Catalogus Charlier Museum, Brussel, 2002.
– Dank aan Luc Dewilder voor de foto uit 1908 van de New York skyline.

[13a]Washington’s Farewell Address to the People of the United States’, gepubliceerd in de Philadelphia Daily American Advertiser, 19 september 1796. Washington sprak zich uit tegen bondgenootschappen met andere landen, het zou leiden tot ongewenste onderlinge afhankelijkheid; maar buitengewone noodsituaties konden het tijdelijk vragen.

[14] Ashbury Park Press (Ashbury Park, New Jersey), 25 februari 1915

[15] Welke beelden zijn er van voedseltekorten en hongerlijden in bezet België in het eerste oorlogsjaar 1914/15? Foto’s in zwart-wit tonen stoere mannen actief in bevoorradingen van volle zakken, lange rijen geduldige mensen voor de hulpcentra van de komiteiten, tevreden kinderen met boterhammen.
Belgische kinderen zijn steeds ordelijk, welgemoed en -gekleed gefotografeerd, binnen de structuur van hun klas of school, ook het eetgerei ziet er verzorgd uit.
Maar foto’s uit andere Europese landen tonen een mengelmoes aan kinderen zich met verbeten gezichten en divers eetgerei, opdringen om eten te ontvangen. Inmiddels zijn er dus historici die zich van zulke foto’s bedienen om de honger van Belgische kinderen te illustreren…

De kunst van de meelzak. Tweede publicatie van de Kunstvrienden.

Mijn artikel ‘De kunst van de meelzak’ is verschenen!
Het is gepubliceerd in de Tweede Publicatie van de Kunstvrienden, Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950.

In het artikel presenteer ik de resultaten van mijn onderzoek specifiek voor de in 1915 door Belgische kunstenaars beschilderde meelzakken. Daarbij heb ik er voor gekozen de uitkomsten meer wetenschappelijk toe te lichten met:

  • Een definitie van de beschilderde meelzak
  • Een overzicht van tentoonstellingen, kunstenaars en collecties
  • De identificatie van de meelzak als trench art uit bezet België
  • De tegenstrijdigheden in de geschiedschrijving over de context van de zakken
  • De onderscheidende iconografie binnen de Belgische WO I schilderkunst.
Jean Brusselmans, ‘Fleurs’, 1915, bloemzak American Commission, Coll. HHPLM, foto auteur.

Ik concludeer dat de teruggevonden beschilderde meelzakken, ruim honderd in getal van de hand van zeventig Belgische kunstenaars, een nauwkeurige beschouwing verdienen om door te dringen tot de diepere lagen van hun iconografie.

De meeste werken zijn tot heden teruggevonden in de Verenigde Staten, maar door de toenemende kennis over de zakken blijken de kunstwerken ook in België bewaard, met name in particuliere collecties.

De aanwezigheid van jonge Amerikanen, betrokken bij de levensmiddelendistributie in bezet België, heeft invloed uitgeoefend op de kunstenaars. De kunst van de meelzak getuigt van een intrigerende culturele overdracht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Deze zal een bijdrage hebben geleverd aan de internationalisering van de Belgische kunst.

Louis Thevenet, ‘Stilleven’, 1915, meelzak, ‘Wm. Kelly Milling Company, Kansas, USA’. Privé-coll. België.

U kunt het artikel hier lezen: ‘De kunst van de meelzak’.

Lees ook de uitgebreide toelichting op de dertien beschilderde meelzakken die als illustratie dienen bij het artikel: De kunst van de meelzak. Toelichting op dertien schilderijen.

 

 

Boekpresentatie in Brugge, 11 oktober 2025


Op zaterdag 11 oktober is in Brugge tijdens hun Derde Trefdag de tweede publicatie gepresenteerd van De Kunstvrienden, Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950. De uitgave telt 224 pagina’s en 28 bijdragen.
Coördinatie: Jacques Laperre
Vormgeving: Sam Vanoverschelde
Druk: Drukkerij stad Genk
Oplage 250 exemplaren.

 

Eerder publiceerde ik het blog: Show beschilderde bloemzakken voor Kunstvrienden in MuZee

 

Canadese meelzakken en de gigantisch opgeblazen ‘Hulde aan Amerika’

Versierde meelzakken zijn kleurrijke doeken, maar ook zakken vol ongemak en tegenstrijdigheden. De zakken meel zijn deels donaties, deels aangekocht in de Verenigde Staten en Canada en naar bezet België verzonden. Het Belgische hergebruik van zakken uit beide landen mondde uit in een gigantisch opgeblazen ‘Hulde aan Amerika’. Waarom zijn ook de Canadese zakken bedolven onder Amerikaanse symbolen? Vanwaar de overdrijving van de hulde aan de Verenigde Staten?

Tweeluik Canadese meelzakken ‘Castle’: ‘A la noble Amérique si bienfaisante, la Belgique reconnaissante. Amour à notre Reine. Mère de nos soldats. Gloire à notre Roi. Chef de nos héros’. Beschilderd door Ecole libre des Sœurs de Notre-Dame, Anderlecht. Coll. HHPLM 62.4.4, foto auteur

VS en Canada
Vijfenzeventig procent van de versierde meelzakken die ik tijdens mijn onderzoek heb teruggevonden zijn meelzakken met origine Verenigde Staten. Tien procent is onbekend.

Vijftien procent komt uit Canada. Voorbeelden zijn te zien op de illustraties in dit blog: ‘Flour. Canada’s Gift’; ‘Castle’; Lake of the Woods Milling Co., Keewatin; The Dowd Milling Co., Pakenham, Ontario; ‘To the Belgians Flour from the City of St. Catharines And Vicinity, Ontario, Canada’; enzovoort: zie de tabel.

Canadese meelzak, ‘Boulanger Belge Reconnaissant’ met portret van Brand Whitlock, Amerikaans ‘ministre-protecteur in België, ‘BDB’, 1915. Beschilderd. Coll. HHPLM 62.4.75, foto auteur

In België: Amerikaansche bloemzakken/sacs américains
Toch zijn àlle meelzakken in de volksmond ’Amerikaansche bloemzakken’ en ‘sacs américains’, ongeacht de afkomst uit de Verenigde Staten of Canada.

Belgian Relief County of Perth, Canada, met borduurpatroon van Amerikaanse stars en stripes in de kleuren rood, wit, blauw. Belgische part. coll.

Wat opvalt is dat donaties uit Canada in België geborduurd en beschilderd zijn met Amerikaanse symbolen, de vlag, het wapenschild en het portret van de Amerikaanse gevolmachtigd minister in Brussel, Brand Whitlock. De teksten roepen hulde aan Amerika:
– Merci à l’Amérique
– Merci aux Etats-Unis!
– Vive l’Amérique
– A la noble Amérique si bienfaisante, la Belgique reconnaissante. Amour à notre Reine. Mère de nos soldats. Gloire à notre Roi. Chef de nos héros.

Enkele versierde meelzakken brengen hulde aan Canada.

‘Remerciements chaleureux de la Belgique aux vaillants Canadiens’, 1915, door Ecole Professionnelle Bischoffsheim, Brussel, op een bloemzak Perths Standard flour, donatie van County of Perth, Ontario. Coll. HHPLM 62.4.148, foto’s auteur.
Canadese bloemzak, ‘Thanks to Canada, Brussels, 1915’. Ecole Professionnelle Couvreur, Brussel. Coll. HHPLM 62.4.163, foto auteur.

Verscholen identiteit van Canadese meelzakken
Tijdens het onderzoek naar de versieringen op de meelzakken, verwachtte ik dat Canadese zakken in België versierd zouden zijn met Canadese symbolen. Maar dat is niet zo. Was mijn aanname onjuist? Waarom zou de Canadese identiteit van de zakken verscholen gaan onder Amerikaanse symbolen? Een zestal beweegredenen komt bij me op.

1. Waren de Belgische (jonge) handwerksters en kunstenaars onbekend met het onderscheid tussen de landen VS en Canada?
Dit is onwaarschijnlijk want zij behoorden tot het welstellende deel van de bevolking en waren goed opgeleid. Bovendien wisten zij dat Canadese militairen aan de zijde van de geallieerden meevochten.

2. Of, een practische overweging: de Belgische komiteiten hielden liever zelf de echte, originele, Amerikaanse meelzakken en stelden de Canadese meelzakken ter beschikking om te transformeren tot oorlogssouvenirs met bestemming Amerika?!

3. Zou de invoer van Canadese levensmiddelen vraagtekens hebben opgeroepen bij de Duitse bezetter? Canada was toegetreden tot de oorlog in navolging van het moederland Groot-Brittannië; de Verenigde Staten waren neutraal en zouden pas in april 1917 toetreden tot de oorlog.

4. Zou het de invloed zijn geweest van Amerikaanse journalisten en oorlogsfotografen? Zij konden zich vrij in bezet België bewegen. Hun Canadese, Britse en Franse collega’s waren vertrokken. De Amerikaanse kranten, die uitgebreide hulpacties voor België hadden gehouden, hebben via hun journalisten in België gevraagd om bewijs van ontvangst en overtuigende, zichtbare uitingen van dank. Hebben de Canadese weldoeners niet gevraagd om Belgische dank?

5. Of benadrukt het dat voor burgers in bezet België de hulde aan Amerika allesomvattende propaganda was, waarmee zij hun vaderlandslievende plicht vervulden en zich in patriottisme konden uitdrukken?
Was het de tegenhanger van de buitenlandse propaganda met ‘Poor Little Belgium’, ‘un pays entièrement détruit, plongé dans la misère’? In het begin van de oorlog leverden deze overdreven berichten de sympathie op van het publiek voor de goede Belgische zaak.*)

6. Heeft de dubbelzinnige houding van de Britten een rol gespeeld? België was door de oorlog in drieën gedeeld: het leger aan het front, de vluchtelingen buiten het land en bezet België. Groot-Brittannië had zich militair -aan het front- opgeworpen als beschermer van de natie België, Belgische vluchtelingen heette het welkom, maar de bevolking van bezet België liet het in de steek. De machtige Britse natie hield door een volledige handelsblokkade en zeemijnen voor alle Belgische havens, de broodnodige toegang van levensmiddelen tegen. Zou de Canadese identiteit verscholen zijn gegaan achter de antipathie voor Groot-Brittannië?

Canadese meelzak Lily White, Wellesley Mills, Ontario. Gift of flour for Belgian Relief Fund from Wellesley Township, 1915. Geborduurd. Part. coll. Groot-Brittannië

Hoe dan ook: de sympathie van de burgers in bezet België ging naar de natie waarvan ze verwachtten dat deze redding zou brengen: ‘Amerika’.**)

‘Amerikanische Lebensmittel für Belgien’, Duits krantenbericht over de aankomst van SS Orn in Rotterdam. Hamburger Fremdenblatt, 5 december 1914

‘Amerika zou ons redden’
België was in augustus 1914 bezet door Duitsland, de grenzen waren gesloten, de handelsblokkade van Groot-Brittannië maakte import van broodgraan onmogelijk. Diplomatiek overleg met neutrale landen opende de grenzen voor levensmiddelenbevoorrading.

‘Mais non, le pays ne pouvait pas mourir, ne voulait pas mourir. (…)
 l’Amérique avait donné l’espoir qu’elle nous sauverait…[1]
(‘Maar nee, het land kon niet sterven en wilde niet sterven. (…)
Amerika gaf ons hoop dat het ons zou redden…’)

Meelzak ‘Flour. Canada’s Gift O.’, beschilderd met een oceaanstomer (in Amerikaanse kleuren rood, wit, blauw, de schoorstenen in de Belgische kleuren rood, geel, zwart)) en een zeemeeuw met tarwehalm in zijn snavel. Part. coll. België

Vrachten Amerikaans en Canadees broodmeel arriveerden via de haven van Rotterdam in België tussen november 1914 en mei 1915. Om de bevoorrading te vrijwaren van beslaglegging door de Duitse bezetter werden de levensmiddelen in België opgeslagen onder bescherming van de neutrale, Amerikaanse vlag en Amerikaanse burgers werden in bezet België gestationeerd om toezicht te houden.

Canadese meelzak The Dowd Milling Co., Pakenham, Ontario, ‘Merci à l’Amérique’, Nassogne, provincie Luxemburg, 1915. Geborduurd. Coll. HHPLM 62.4.404, foto auteur

De voorraden broodmeel werden successievelijk afgeleverd bij Belgische bakkerijen, zij leegden de zakken meel en bakten brood.
De geleegde, fraai bedrukte ‘Amerikaanse’ zakken trokken de aandacht van het publiek. De overtuiging was dat de afzenders van de zakken -de weldoeners in ‘Amerika’ – de overleving van het Belgische volk hadden gewaarborgd.

Achtergrond van de levensmiddeleninvoer
In oktober 1914 was het Belgische Comité National de Secours et d’Alimentation (CNSA) in Londen terecht gekomen om de invoer van levensmiddelen mogelijk te maken. Hun samenwerkingspartner werd het internationale, particuliere inkoopbureau, de Commission for Relief in Belgium (CRB), gevestigd in Londen, Groot-Brittannië, maar bemensd door in Europa gevestigde ‘neutrale’ Amerikanen.[1A]

Volgens hooggestemde Belgische verwachtingen zou de CRB een dubbele taak vervullen:
(…) c’est lui qui provoquera l’esprit de solidarité et la générosité mondiale et amassera les trésors qu’on lui enverra; c’est lui qui dirigera vers la Belgique les dons en nature qu’il aura reçus et les vivres qu’il aura achetés pour elle.[2]

  1. ‘(…) de Commissie zal de geest van solidariteit en wereldwijde vrijgevigheid opwekken en de schatten vergaren die naar haar zullen worden toegestuurd;
  2. de Commissie zal de giften in natura die zij heeft ontvangen en het voedsel dat zij daarvoor zal kopen, naar België overmaken.’

‘Reconnaissance pour les Etats-Unis
Les délégués américains et espagnols de Londres et Bruxelles ont réussi de faire importer en Belgique, malgré la guerre des grains et autres produits alimentaires. Nous leur en sommes très reconnaissants et dans ce conflit européen, la diplomatie n’a executé de plus bel et plus noble ouvrage.’[3]


Twaalf Canadese zakken bloem van 98 lbs en tien Amerikaanse zakken bloem van 49 lbs. Belgische propaganda voor Amerikaanse broodmeelaanvoer, 1915. Foto: ‘Heures de Détresse’

De wereld kwam België te hulp
De wereld kwàm te hulp, waardoor bezet België van de CRB nóg een nuttige taak verwachtte.
La Commission for Relief in Belgium avait encore, en Belgique, une autre charge dont les effets étaient utiles au pays.
Lorsqu’on nous fait une faveur, lorsqu’on nous accorde une grâce, ou que nous jouissons d’un bienfait, n’est-il pas d’une âme bien née de montrer à celui qui nous a assistés que nous sommes dignes des égards qu’il a manifestés pour nous? Comment le lui prouver autrement qu’en l’associant jusqu’aux plus petits faits de notre existence.
Le monde nous secourait, il fallait qu’il sut ce que nous faisions de ses secours et la Commission for Relief devait être là pour le dire.[4]

(‘De CRB verrichtte nog een andere nuttige taak voor België.
Op het moment dat iemand je een gunst, een voorrecht of een weldaad verleend, is het gepast dat je als welopgevoed persoon aan degene die de ondersteuning heeft gegeven, laat weten dat je de aandacht die je geschonken krijgt, ook daadwerkelijk verdient.
Op welke manier kan je de weldoener beter tonen dat je het waard bent, dan door hem te verbinden met de kleinste gebeurtenissen van je bestaan? De wereld kwam ons te hulp, daarom moesten de mensen in de wereld weten wat wij met haar hulpverlening deden en de Commission for Relief moest er zijn om dat aan hen te vertellen.’)

‘Merci aux Américains’, leerlingen en docenten juichen Amerika toe in het auditorium van hun school in Brussel voor de cameralens van de Amerikaanse fotograaf Paul Thompson. The Saturday Evening Post, 28 augustus 1915.

Hergebruik van de meelzakken – propaganda
Het hergebruiken, transformeren en versieren van de meelzakken bood de makers -de schoolmeisjes, jonge vrouwen en kunstenaars- de gelegenheid om de weldoeners te verbinden ‘met de kleinste gebeurtenissen in hun bestaan’ en de wereld te laten weten wat de Belgische bevolking met de hulp had gedaan. Ten tweede male werden de meelzakken voor liefdadigheid ingezet.
In georganiseerd verband wisten de makers hun sterk levend patriottisme om te zetten in heroïsche beelden en symboliek. Het stelde hen in staat om zowel hun liefdadige plicht te vervullen als vaderlandse propaganda te bedrijven.[4A] De censuur van de Duitse bezetter en de blokkerende houding van de Britse zeenatie leidde tot de innige verbinding van Belgisch patriottisme met Amerikaanse symboliek. Een enkel individueel geval met Canadese symboliek vormde de uitzondering op de regel.

Canadese meelzak ‘Flour. Canada’s Gift’ met Canadese vlag en symboliek, 1916. Beschilderd. Coll. IFFM

De hulde aan Amerika gigantisch opgeblazen
De ‘Hulde aan Amerika’ op de meelzakken werd in februari, maart 1915 aldus gigantisch opgeblazen.**) De zakken zouden immers allemaal naar Amerika worden teruggezonden om te worden verkocht ten behoeve van nieuwe voedselleveranties.

Edouard Verschaffelt, ‘Pour l’Absent’, Bruxelles 1915, Canadese bloemzak Lake of the Woods Milling Co., Keewatin, 1915. Beschilderd. Moulckers Collection, St. Edward’s University

‘Amerikaansche bloemzakjes.
Overal in België wordt thans door dames en schilders hard gewerkt om honderden en nog eens honderden leege bloemzakjes van het American Relief Fund door handwerk of schilderwerk te versieren. (…) Dit alles wordt gereed gemaakt, (…) om naar Amerika te worden gezonden als een hulde van de Belgen voor den door Amerika verleender steun, en het belooft een waardige hulde te worden, want er zal werk van eerste meesters bij zijn.’[5]

‘Terwijl ons uit het miljardenland allerlei benodigdheden toekomen om de in druk en nood verkeerende Belgische bevolking te helpen, heeft ons vrouwelijk element met zoveel fijnen tact als edelmoedig gevoel een middel gezocht en gevonden om de Amerikanen een blijk te geven van innige dankbaarheid.’[6]

Canadese bloemzak ‘To the Belgians Flour from the City of St. Catharines And Vicinity, Ontario, Canada, /Opwijck Brengt Hulde & Dank aan Amerika’, 1915. Geborduurd. Part. coll. België, foto: HOM, 2004

‘Wij zijn nog altijd goed voorzien van eetwaren: Amerika zorgt voor alles. Leve Amerika! We krijgen meel en dons alle weken (…) Wij nu om onze dankbaarheid aan onze weldoeners te betoonen, borduren ledige meelzakjes met driekleurige teekeningen en als opschrift: «Het dankbaar Opwijck aan de Vereenigde Staten», en andere. (…) Zoo werkt men in alle dorpen en ’t schijnt dat ons werk dollars verkocht wordt aan de milliardairen die gedenkenissen willen van het diep geteisterde België. De opbrengst is voor ons.’[7]

Canadese meelzak, Het sprookje van de Amerikaanse voedselhulp voor België, 1915. Beschilderd. Coll. HHPLM 62.4.89, foto auteur

De paradox van de dankbaarheid – zuinige donaties uit Amerika
De versierde meelzakken dragen de weerklank van oorlog. Ze zijn trench art gemaakt in bezet België. Het zijn: ‘items gemaakt door burgers, rechtstreeks uit materiaal dat in tijd en plaats wordt geassocieerd met de gevolgen van gewapend conflict’. De zakken schuren en verpakken tegenstrijdigheden.

De paradox van de dankbaarheid, de ‘Hulde aan Amerika’ op de zakken, was, dat de belofte om deze terug te sturen zodat ze een grote opbrengst voor nieuwe voedselleveranties zouden opleveren, niet werd waargemaakt.
– Het voornemen om de versierde meelzakken naar de VS te verschepen, – vol enthousiasme aangekondigd – heeft pas ná de Wapenstilstand plaats gevonden, met uitzondering van een zending die in 1915 voor propagandadoeleinden naar New York was gestuurd.[8] De zakken hebben een miniem bedrag aan dollars opgebracht voor het steunwerk.
– De bevolking van de Verenigde Staten heeft slechts enkele procenten van de levensmiddeleninvoer gedoneerd.[9] De Canadese bevolking heeft gemiddeld per hoofd van de bevolking méér bijgedragen.[9A]

‘Sadly far from true’
De Amerikaanse CRB-vertegenwoordigers hebben keer op keer expliciet aan de wereld verteld dat de Amerikaanse bijdragen zuinig waren.


Laurence Wellington – provincie Luxemburg:
‘Mr. Wellington (…) brought with him many interesting souvenirs of his work in Belgium, including several American flour sacks artistically painted by women and children in that province.
“Americans are the real people in Belgium”, said Mr. Wellington. “They do not seem to be able to sufficiently show their gratitude for what the American people, through the Commission, have done for them. The commonest expression to be heard anywhere by the Americans in Belgium is:- “Sauf par vous, nous serons morts de faim”;- “But for you we would have starved to death”.’[10]

Canadese meelzak ‘Flour. Canada’s Gift’. Hulde en Dank 1916, Leerbeek. Geborduurd. Coll. HHPLM 62.4.439 foto auteur

Samuel Seward jr.-Provincie Limburg:
To the Belgians the relief that has come to them is a very simple thing – the practical expression of your providential, generous sympathy. And their response is as simple and direct. What matter that the complex significance of the Commission escapes them – its wide international scope, its unique diplomatic problems, its efficient engineering methods of administration?
(…)
for the average notary in his village, the peasant on his farm, or the nun in her convent, the one great fact is enough, – that actual hunger threatened them- when a great, friendly nation stepped in, in time, to save. (…)
One of my occupations at times of leisure was to say “Thank you” for some of the presents that came pouring into the office- not personal presents, but expressions of gratitude to you in America and elsewhere, friends whom those in Belgium had never seen. The favorite form was to take a flour sack, preferably one that had been specially stamped as gift flour from a certain town or mill, and to ornament it variously, with embroidery, drawn work, painting, in symbols of friendly “reconnaissance.” Sofa pillows were made in this way, table covers, workbags, tea-cosies, little dresses, even, and quaintly shaped caps.’[10A]

Canadese meelzak, ‘Most hearty thanks from the Belgian pupils to dear America.’ Ecole Professionnelle Couvreur, Brussel. Coll. HHPLM 62.4.255, foto auteur

Edward Eyre Hunt, provincie Antwerpen:
‘There was something almost ritualistic in the reiteration of their gratitude.’[11]

Charlotte Kellogg, née Hoffman. The San Francisco Examiner, 3 juni 1916

Charlotte Kellogg, née Hoffman:
‘Mrs. Kellogg said that there is great gratitude in Belgium towards the United States. “The mass of people in Belgium believe that we are doing everything, even though this is sadly far from true,” she said. “In money the United States has taken care of Belgium about one month of the two and one quarter years of the war.”[12]

‘à Monsieur F.H. Chatfield, Délégué à la Commission for Relief in Belgium. Souvenir de la remise des récompenses aux élèves de l’Ecole Moyenne Professionnelle de demoiselles de la Ville de Liège’, 1 augustus 1916. Foto: Ernest Würth, Liège. HILA F. Chatfield Papers box 53008 envelope mB

Frederic Chatfield, Provincie Luik:
‘The country is given credit far beyond its merits. ‘I felt a sense of shame. It seemed as if I were receiving this extraordinary tribute of which I was not worthy. (…) The Belgians give America all the credit for the relief that is saving their lives. The work is carried on by Americans, our stores are known as American stores, $150.000.000 worth of foodstuffs have been purchased in the US and bear the American label.
France and England notwithstanding the heavy expenses of the war are providing the CRB with $10.000.000 a month, more than the US has contributed in nearly two years and a half. Knowing this it is no wonder I felt that I was the unworthy recipient of a great honor.
(…) he presented me with a large bouquet of roses, and this is what he said as he pressed the flowers into my hand: “If we had known that one day these roses would come into the hands of an American, we would have cultivated them with greater care.”
That was the sentiment. It was not for Fred Chatfield that the good wishes, the admiration, the eternal gratitude of this people was expressed, but for an American, typifying the regard of the Belgians for America and all Americans.’[13]

Canadese meelzak ‘Donated to the Belgian People, The Heroic Nation, May God bless them. From Fort Frances, Canada, 400 bags no. 1 flour.’ ‘L’Union fait la force’. ‘Vive la paix’. Anderlecht, 1915. Coll. HHPLM foto auteur

Voedseltekorten en hongersnood
De propaganda over de levensmiddelenbevoorrading van bezet België is steeds zo sterk geweest dat tot op de dag van vandaag de werkelijkheid maar moeilijk doordringt. De bewaarde huldeblijken op de ‘Amerikaansche bloemzakken/sacs américains’ dragen bij aan de blijvende mythevorming.

The idea that (American) philantropy spared Belgian children from going hungry is blatantly untrue.’ (Nel de Mûelenaere, 2021). [14a]

In totaliteit bezien faalde de hulpverlening voor bezet België in voedselhulp, lokale voedselproductie en distributie. De invoer van voedingsmiddelen heeft maximaal 25% van de noden gedekt; in 1915 hielp het de prijzen te beheersen; de jaren 1916-1918 waren er grote tekorten en heeft er hongersnood geheerst.[14b]

 

‘Canadian Gifts for Destitute Belgians’, Canada, 16 november 1915. Coll. HHPLM

Is Canada bedankt?
In september 1914 hadden in Canada verblijvende Belgen in Ottawa en Montreal het initiatief genomen om hulpgoederen voor België in te zamelen via het Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique.[15] De Canadese bevolking, reeds bij de oorlog betrokken, reageerde enthousiast en bracht vele hulpgoederen en geld samen. De Canadese schepen met hulpgoederen kwamen als een van de eerste in Rotterdam aan.

SS Calcutta met donaties hulpgoederen uit Canada vertrok op 19 december 1914 uit Halifax en kwam op 8 januari 1915 aan in de Maashaven, Rotterdam. HILA CRB records 22003 box 619

Zodoende schreef Emile Francqui, directeur van de CNSA, op 15 december 1914 in Brussel een bedankbrief aan de penningmeester van de Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique, H. Prud’homme in Montreal.
Hij adresseerde Prud’homme als Belg en landgenoot, hij bedankte voor de goederen die zo welkom waren in ‘uw ongelukkige land’:
‘C’est à vous que nous devons cet heureux résultat et nous ne pourrons jamais assez dire combien nous vous en sommes reconnaissants et jusqu’à quel point vous avez là servi les intérêts de votre malheureux pays.
(…) avec nos remerciements et ceux de milliers de gens que vous avez ainsi secourus (…)’[16]

Een verrassend inzicht: de Canadese identiteit van de zakken gaat wellicht verborgen onder Amerikaans symboliek, omdat de Canadese weldoeners en organisatoren van Canadese hulp voor België overzee wonende Belgen waren…

‘Dank u wel, Canada’, Het 14-18 Boek. De kleine Belgen in de Grote Oorlog, van Daniël Vanacker

Inhoudsopgave blogs Canadese meelzakken
Eerdere blogs over de Canadese meelzakken, ‘les sacs canadiens’, zijn:
Lake of the Woods Milling Company, Keewatin, Kenora, Canada

Canadese bloemzakken met Belgische dank aan het ‘Moederland’

Eén miljoen zakken meel uit Canada voor Groot-Brittannië

Dank van Puers/Flour Canada’s Gift


Voetnoten:

*) JAUMAIN, S., Un regard original sur la Belgique en guerre. Le Devoir de Montréal (1914-1918). Dans: Michael Amara et al., Une Guerre total? La Belgique dans la Première Guerre mondiale. Nouvelles tendances de la recherche historique. Bruxelles, 2005 p. 343-365. 5.3.  « Un pays dévasté? », p. 357

**) PROCTOR, T., U.S. Food Aid and the Expectation of Gratitude, 1914-1950, 2011. Tammy M. Proctor onderzocht hoe de validering van Amerikaanse hulp aan het buitenland afhankelijk werd van de dankbetuigingen van de hulpontvangers, het bepaalde de relatie tussen de VS en Europese landen. ‘American leaders called for assistance for war victims with the understanding and expectation that Europeans would not only understand and welcome the aid, but would also show appropriate gratitude.’ Recent is Proctor’s nieuwste boek gepubliceerd:
PROCTOR T., Saving Europe. First World War Relief and American Identity. Oxford University Press, 2025.
Het actuele Amerikaanse overheidsbeleid voor buitenlandse hulpverlening becommentarieerde Proctor in het blog: ‘The end of the “American Century”?‘, Oxford University Press’s Academic Insights for the Thinking World, 16 februari 2025.

***) Sophie de Schaepdrijver gebruikte de uitdrukking ‘gigantisch opgeblazen’  voor de zeggenschap van Amerikaans gevolmachtigd minister Brand Whitlock in België. Het idee was dat Amerikaanse bescherming bijdroeg tot het moreel in bezet België. ‘Whitlock werd een grotere macht toegeschreven dan hij in werkelijkheid bezat; zijn titel van ‘ministre protecteur’ van het voedselhulpwerk werd gigantisch opgeblazen tot beschermheerschap van heel het land tegen de hebzucht en willekeur van de bezetter.’
DE SCHAEPDRIJVER, S., De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1998, p. 114-115

[1] PICARD, E., Heures de Détresse. L’Oeuvre du Comité National de Secours et d’Alimentation et de la Commission for Relief in Belgium. Belgique 1914 – 1915. Bruxelles: CNSA, L’ Imprimerie J -E Goossens SA, 1915, p. 17

[1A] PROCTOR T., London & the Making of Herbert Hoover. Blog op website North American Conference on British Studies, 17 januari 2025

[2] Heures de Détresse, p. 20

[3] Lloyd anversois: journal maritime emanant des courtiers de navires, 25 december 1914

[4] Heures de Détresse, p. 21

[4A] DE SCHAEPDRIJVER, S., Shaping the Experience of Military Occupation: Ten Images. In: Rossi-Schrimpf, Inga, Kollwelter, Laura, 14/18 – Rupture or Continuity. Belgian Art around World War I. Leuven: Leuven University Press, 2018, pagina’s 43-58.

[5] De Vlaamsche Stem: algemeen Belgisch dagblad, 12 juni 1915

[6] De Kempenaar, 21 maart 1915

[7] Brief van Celine Geeurickx-Moens (ºDendermonde 03-04-1887 +30-04-1980) in Opwijk, 5 april 1915. Geciteerd in De Belgische Standaard, 7 mei 1915.
Celine schreef de brief aan haar echtgenoot Karel Lodewijk Geeurinckx (ºOpwijk, 13-04-1883 +Opwijk 14-08-1952), zij waren gehuwd op 22 mei 1912.

[8] America Feeding Belgian Children, Literary Digest, 12 februari 1916.

[9] WILLIAMS, JEFFERSON and MAYFAIR, The Voluntary Aid of America. New York, London: 1918

[9A] PRINCE, B., Le Canada et la solidarité internationale à la Belgique (1914-1921). L’Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique. In: Revue Belge d’Histoire Contemporaine, LIV, 2024, 1-4.

[10] CRB Press Department, New York, 9 augustus 1915. HILA 22003 box 324 NY Office PR file 1915-1919

[10A] S.S. Seward, Jr. Delegate for Limbourg, Belgium, Juni – dec 1915. Professor Samuel Swayze Seward (1876-1932) – HILA Seward (Samuel Swayze) papers 1915-1932; collection nr. 40005

[11] HUNT, E.E., War Bread. A Personal Narrative of the War and Relief in Belgium. New York: Henry Holt & Company 1916

[12] The San Francisco Examiner, 21 januari 1917

[13] Cincinnati, 21 maart 1917. HILA, Frederick H. Chatfield papers 53008 Box 2

[14a] DE MÛELENAERE, N., Still Poor, Still Little, Still Hungry? The Diet and Health of Belgian Children after World War I. In J. Nordstrom (Ed), The Provisions of War: Expanding the Boundaries of Food and Conflict, 1840-1990 (pp.207-217) Article 12 (Food and Foodways). The University of Arkansas Press, 2021

[14b] SCHOLLIERS, P., Oorlog en voeding: de invloed van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische voedingspatroon, 1890-1940. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 11de jg., nr. 1, februari 1985;
NATH, GISELLE, Brood willen we hebben! Honger, sociale politiek en protest tijdens de Eerste Wereldoorlog in België. Antwerpen: Manteau, 2013

[15] PRUD’HOMME, H., Relief Work for the Victims of the War in Belgium. Report on donations received and shipments made to Belgium since the Work was started up to February 5th, 1915. Montréal, February 5th, 1915

[16] Brief van E. Francqui aan H. Prud’homme, Montreal, 15 december 1915. Doorslag brief in het Rijksarchief België, Brussel.

Olga Kums’ beschilderde bloemzak

Een post op Facebook werd me toegestuurd door een van de Kunstvrienden, Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950. Het bericht had foto’s van een beschilderde meelzak met de vraag wat deze waard zou kunnen zijn en dat extra bijbehorende info ook altijd welkom zou zijn.

Met behulp van de Kunstvrienden heb ik in korte tijd zoveel interessante achtergrondinformatie gevonden, dat het uitnodigde tot dit blog.

Meelzak ‘Gift from Ontario (Canada) to the Motherland O’, katoen, beschilderd met ‘Chief Eagle Feather’ door Olga Kums, Antwerpen, 1-1916. Privécollectie België

Meelzak ‘Gift from Ontario (Canada) to the Motherland’
De katoenen zak, met originele bedrukking ‘Gift from Ontario (Canada) to the Motherland -O-‘, van 98 LBS (45 kg) meel uit Canada arriveerde in Antwerpen tussen november 1914 en januari 1915 als onderdeel van de eerste leveranties voedselbevoorrading in bezet België door de Commission for Relief in Belgium (CRB).
De CRB had tonnen meel kunnen overnemen van de Britse overheid. In augustus 1914 had Canada een miljoen zakken meel, aangevuld met een kwart miljoen zakken meel van de provincie Ontario, geschonken aan het moederland Groot Brittannië. Zij bleek dit meel niet direct nodig te hebben, waardoor de CRB 440.000 zakken meel heeft kunnen overkopen.
Het verklaart waarom de verrassende tekst ‘Gift from Ontario (Canada) to the Motherland’ op in België versierde meelzakken is terecht gekomen. Lees: Canadese bloemzakken met Belgische dank aan het ‘Moederland’

Amerikaansche bloemzakken
Geleegde zakken, zogenaamde ‘Amerikaansche bloemzakken’ of ‘sacs américains’ waren tijdens de Groote Oorlog gewild als souvenirs. Deze benaming impliceerde alle Noord-Amerikaanse meelzakken, ongeacht of deze afkomstig waren uit Canada of de Verenigde Staten.
Liefdadigheidsinitiatieven voor oorlogswezen vroegen in 1915 en 1916 aan de scholen voor meisjes lege zakken te versieren met handwerken en beschilderingen. Op verkooptentoonstellingen en via tombola’s zijn de versierde meelzakken vervolgens verkocht. Amerikaanse CRB-medewerkers namen ook souvenirs mee terug naar de Verenigde Staten.

‘Antwerpsch Komiteit voor Hulp’
In juli 1915 deed het Beschermings Komiteit ‘Antwerpsch Komiteit voor Hulp’ een beroep op Damen en Juffrouwen, die vanwege de oorlog niet op vakantie konden, mee te helpen aan een liefdadig werk: ‘het benuttigen van den Amerikaansche Bloemzak, alzoo meteen gedenkenis en kunstvoorwerp wordend’, waarbij ‘de bijzonderste Antwerpsche Kunstenaars en namelijk de HH. Bestuurder en de bijzonderste Leeraars van ons Koninklijk Academie van Schoone Kunsten, ons met de meest bereidwilligheid hunne medewerking in de leiding der werking beloofden’.
Begin 1916 was er een grote zakkenverkooptentoonstelling in Antwerpen. Lees: Het ‘Ouvroir’ van Antwerpen (2)

Olga Kums

Meelzak ‘Gift from Ontario (Canada) to the Motherland’, katoen, beschilderd met ‘Chief Eagle Feather’ door Olga Kums, Antwerpen, 1-1916. Privécollectie België

Olga Kums (°Zandvliet 14-01-1896 +Monaco 04-03-1970) werd wees op tweejarige leeftijd en is opgevoed door haar grootouders De Geyter. Zij is op 21 oktober 1917 getrouwd met Paul Jan Van Stappen (°15-05-1889 +16-08-1984). Zij woonde ten tijde van haar huwelijk Avenue Quinten Matseyslei 33, Antwerpen. In Antwerpen is een appartementsgebouw ‘Résidence Ermitage’ in naoorlogs modernisme, opgetrokken in opdracht van Paul Van Stappen en de dames Olga Kums en O. Lonnoy-Van Stappen, naar een ontwerp door de architect Marc Segers uit 1948, het is een Vlaams erfgoedobject.

Olga was zelf geen (gekende) kunstenaar, maar kwam uit een zeer welstellend milieu, precies de doelgroep die zorgde voor de versiering van de meelzakken, zoals opgeroepen door het Antwerpsch Komiteit voor Hulp.
Olga was geboren in 1896 en was dus 20 jaar in 1916.

Amerikaanse Indiaan

Postkaart ‘Chief Eagle Feather’, L. Peterson, 1909, Foto: online

Haar schildering is een afbeelding van een Amerikaanse Indiaan met hoofdtooi. Nageschilderd, namelijk naar een bestaande postkaart met beeltenis van Chief Eagle Feather, geschilderd door L. Peterson: ‘Crafted with an eye for detail, the Peterson Artwork Postcard features a striking representation of an Indian Chief, adorned with an eagle feather and embodying the spirit of Native American culture. A standard-sized gem from the era of 1907-1915‘.

De houder van de veren is zowel op de postkaart als op de meelzak geschilderd in de kleuren rood, geel, zwart. Voor Olga Kums betekende dit een patriottisch motief, want de kleuren van de Belgische vlag. Zo symboliseerde de Amerikaanse Indiaan voor haar de drang van de Belgische bevolking naar autonomie en vrijheid in het door Duitsland bezette land. Lees ook: Nieuwe afgoderij in Brussel – het succes van de geborduurde zak

De familie van Olga Kums
Olga’s grootvader van vader’s kant was Eduard Kums, kunstverzamelaar, oprichter van Musée Kums op de Paardenmarkt in Antwerpen. Armand Kums, Olga’s vader, zette dit voort. Familiestrubbelingen na de dood van beide mannen leidden in 1898 tot veiling van de complete kunstverzameling met kostbare Vlaamse en Hollandse meesters. Het overlijden van Olga’s moeder in februari 1898 zou wel eens te maken kunnen hebben gehad met de strubbelingen.

Het Handelsblad, 30 januari 1898
Belgische ministers gingen op bezoek in museum Kums, dat werd opgeheven. La Métropole, 15 mei 1898

Zandvliet
Olga’s grootvader van moeder’s kant was Julius De Geyter, Vlaams journalist en schrijver. Hij droeg het volgende gedicht aan haar op.

‘Olga Kums

Zandvliet.
Den poldertelegraaf, lief kindje, hebt gij dus
Blij ingehuldigd met een kus?
Ho! weze dat een teeken
Van ’t goede dat een kleine daad,
Het trillen van een draad,
Zal brengen in uw stille streken.’

In: Werken. Deel 5. Onuitgegeven en verspreide gedichten; Mijne levenswarande; Bloemen op een graf I van Julius de Geyter uit 1908.

De waarde van Olga Kums’ bloemzak
En dan de vraag over de waarde van Olga Kums’ beschilderde bloemzak.
Een van de reacties in de Facebook groep over de materiële waarde in geld uitgedrukt was: ‘Als deze origineel is 3 à 400 euro voor de echte kenner.’

De verkoopprijzen in 1916 -in hedendaags geld uitgedrukt- waren naar schatting 25 euro voor een originele, onbewerkte zak en tussen de 125 en 300 euro waren voor een versierde meelzak met schilderingen, borduursels, kant en naaiwerk.
Er blijkt dus weinig prijsontwikkeling te zijn geweest tussen toen en nu.
Maar de geschiedenis van de zak is niet in geld uit te drukken.

Kunstvoorwerp en gedenkenis
Wat is dan de eigenlijke waarde van de meelzak? De echte waarde zit in ‘de emotie van de meelzak’.
De meelzakken zijn versierd ten tijde van oorlog en bezetting. Dat maakt de zakken ongemakkelijk, ze zijn gevuld met spanning. Als souvenirs zijn ze ontstaan door gewapend conflict, handelsblokkades, voedseltekorten en honger. Met de daaruit volgende gevoelens van verlies en rouw.
Olga Krum’s bloemzak, het kleurrijk beschilderde textiel, is kunstvoorwerp én gedenkenis.


Versierde meelzakken van WO I zijn zakken vol herinneringen. Iedere zak koestert een kostbaar en kwetsbaar verhaal.


Meer blogs over versierde meelzakken van WO I in Antwerpen
Het ‘Ouvroir’ van Antwerpen (1) – Nederlands

Het ‘Ouvroir’ van Antwerpen (2) – Nederlands

–  ‘Haan op eikentak in ochtendgloren’: Piet Van Engelen in de Herbert Hoover Presidential Library and Museum


Dank aan:
– Kunstvrienden Karl Scheerlinck, Hubert Bovens en Freddie Snoeck
– Facebook groep ‘Stukken van Mensen – Patrick’

Duizend geborduurde meelzakken in Leuven

In Leuven en omgeving, zwaargehavend door de verwoestingen van het Duitse leger in de eerste weken van de Groote Oorlog, zijn duizend meelzakken geborduurd voor een zeer mooie liefdadigheidstentoonstelling ten bate van het Werk van den Kapmantel in de Paastijd 1916.

De ruïnes van Leuven, 1914. Postkaart, bron: Europeana

Ik vond het nieuws in dag- en weekbladen op de website ‘Het Archief – Nieuws van de Groote Oorlog’. De website geeft toegang tot de online databank van ‘Belgische pers uit de Groote Oorlog’.

Het weekblad Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven

Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven, 9 april 1916

Het weekblad Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven was een advertentieblad waarin katernen beschikbaar waren voor nieuws uit de stad.
Het blad was door het begin van de oorlog en de Duitse bezetting een aantal weken niet verschenen: tussen 15 augustus en 29 november 1914 ontbreken veertien edities, wat een ‘verplichtende opschorsing’ was geweest. De publicatie van 29 november 1914 maakte duidelijk dat het weekblad weer kon verschijnen en behoorde tot de door de Duitse bezetter gecensureerde pers.

Oorlogsberichten, Duitsche mededeeling. Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven, 29 november 1914

Buiten de advertenties zouden de oorlogsberichten aangeleverd door de ‘Duitsche Krijgsoverheid’ worden opgenomen, alsmede plaatselijk nieuws, burgerlijke stand en nuttige inlichtingen. Het bestuur van het weekblad vond het annoncenblad ‘merkelijk gewijzigd, verbeterd en vermeerderd’.

Duizend ‘Amerikaansche zakken’
Aldus berichtte het Leuvense weekblad in 1916 over het initiatief duizend ‘Amerikaansche zakken’ te borduren voor de verkoop.

Het ‘Werk van den Kapmantel’ te Leuven organiseerde de grote verkooptentoonstelling die op Paaszondag 23 april opende. Het goede doel was geld inzamelen om te voorzien in ‘kapmantels’, jassen, voor schoolkinderen zonder middelen om zelf een jas te kopen.
In de winter van 1915/16 had het Werk van den Kapmantel aanzienlijke uitgaven gehad bij het verstrekken van de winterjassen. Geld was ook nodig als voorbereiding op de winter van 1916/17.

Het Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven publiceerde de volgende artikelen over de tentoonstelling en het vervolg van de verkoop van de meelzakken:
Op 9, 16 en 23 april 1916 – aankondiging van de tentoonstelling
Op 30 april 1916 – de tentoonstelling is verlengd tot donderdag 4 mei
Op 7 mei 1916 – zeer uitgebreid verslag van de opening en bezoek aan de tentoonstelling op Eerste Paasdag, 23 april
Op 22 oktober1916 – aankondiging verkoop bij La maison Delsart
Op 12 november en 17 december 1916 – aankondiging van de trekking van de Tombola (verloting)
Op 7 januari 1917 – trekking van de Tombola
Op 11 februari 1917 – de winnende loten kunnen worden afgehaald
Op 7 juli 1918 – rekening en verantwoording over de werkzaamheden.

Dagblad Het Vlaamsche Nieuws, Antwerpen

Het Vlaamsche Nieuws, 14 januari 1915

De krant ‘Het Vlaamsche Nieuws’ verscheen in nieuwe vorm met ingang van 14 januari 1915. Voor die datum was het dagblad tweetalig, Vlaams en Frans. ‘Het best ingelichte en meest verspreide Vlaamsche dagblad van België. Het eenige vrij en onafhankelijk orgaan van Vlaamsche, Vooruitstrevende Liberale denkwijze.’’, verscheen zeven dagen per week en was een door de Duitse bezetter gecensureerde krant.
Het Vlaamsche Nieuws berichtte lovend en kritisch:
Op 8 mei 1916 – in Leuven was de zeer mooie liefdadigheidstentoonstelling met ‘veel brio’ aangekondigd met zeer-hoogklinkende namen. Maar: de aanplakbrieven waren uitsluitend in het Frans gesteld. Sarcastisch merkte de krant op ‘Ook al een vorm van vaderlandslievende achting voor de Vlaamsche bevolking van Leuven.

Het dagblad Le Quotidien, Brussel

Le Quotidien Littéraire et Economique, 10 september 1914

Het dagblad Le Quotidien in Brussel werd opgericht in oorlogstijd; het verscheen met de eerste uitgave op 10 september 1914 en was een door de Duitse bezetter gecensureerd dagblad: ‘(…) het enige doel was ten dienste staan aan de inwoners van Brussel om onder de moeilijke levensomstandigheden hun bestaan zo waardig mogelijk te maken.
In de databank Het Archief ontbreken tientallen exemplaren van de krant, maar in de navolgende uitgaven staan berichten over de tentoonstelling van versierde meelzakken, omdat deze na Pasen voor een zomermaand verhuisde van Leuven naar Brussel:

Stempel op de werkstukken van de leerlingen van Ecole Professionnelle Bischoffsheim, Brussel. Foto: auteur

Op 24 april 1916 – benadrukking dat de leerlingen van de Ecole Professionnelle Bischoffsheim in Brussel deelnamen aan de tentoonstelling;
Op 12 juni 1916 – de verkooptentoonstelling voor het Werk van den Kapmantel in Leuven bracht een aardig bedrag op, namelijk 9.470 francs 70 centimes;
Op 8 juli 1916 – het Werk van den Kapmantel van Leuven exposeert en verkoopt een voorraad geborduurde meelzakken in de winkel van ‘Amerikaansche zakken’ in Brussel, Nieuwstraat 105;
Op 6 en 15 augustus 1916 – de verkooptentoonstelling in Brussel is voorbij, maar giften voor het Werk van den Kapmantel in Leuven zijn welkom bij Emile Pels in Brussel, boulevard Militaire 148 (NB. Dit is het adres van de directie van Le Quotidien).

‘La Jeunesse de Berthem-Leuven’. Zij namen niet deel aan de Leuvense tentoonstelling, maar gaven hun tijd en talenten aan andere liefdadige werken. Coll. HILA CRB papers 1914-1930; 22003-10.A-V KK. Foto: auteur

Artistieke borduurwerken
Tevoren al beloofde de tentoonstelling een groot succes te worden, omdat er weken en maanden vlijtig aan het transformeren van de bloemzakken was gewerkt en de resultaten een lust voor het oog van de bezoekers zouden zijn.

L’ingéniosité, bon goût et l’esprit artistique des orphelines des hospices civils, des élèves des écoles communales et des écoles libres et des dames et demoiselles qui ont prêté leur bienveillant concours de l’œuvre, dans l’exécution des ouvrages féminins, sont choses connues.’[1]

(‘De vindingrijkheid, de goede smaak en de artistieke geest van de weesmeisjes in de burgerlijke weeshuizen, van de leerlingen van de gemeentelijke scholen en de vrije scholen en van de dames en jonge dames die allen hun welwillende medewerking aan onze liefdadigheid verleenden door de uitvoering van de vrouwelijke handwerken, zijn ons welbekend.)

Geborduurde meelzak ‘Hulde van Oud heverlee aan de Vereenigde Staten 1916’ (verso), ‘American Commission’ (recto). Coll. HILA, foto’s: auteur

Motivering van de versieringen
De gedachte achter de versieringen op de zakken is door de organisatoren duidelijk uitgesproken.
Op zich waren de meelzakken uit de VS en Canada in originele staat met hun kleurrijke bedrukkingen, Engelse woorden of bemoedigende teksten genoeg interessant om te verkopen en gewilde verzamelobjecten voor de bevolking in bezet België.
Waarom dan de opwerking van de katoenen zakken door versieringen met borduurwerk, kanten en beschilderingen, en/of confectioneren tot schortjes, tafelkleedjes, theemutsen, enzovoort?
De organisatoren in Leuven gaven de volgende motivering:

1) Amerikaanse beeldmerken
‘Les détails des vignettes imprimées sur la toiles des sacs par les généreux Américains, ont servi de motifs aux plus élégantes et harmonieuses combinaison de lignes et de couleur.’ [2]

Le Temps Présent, magazine d’actualité, 31 maart 1915

(De details van de beeldmerken die de vrijgevige Amerikanen op de stof van de zakken drukten, dienden als motieven voor de meest elegante en harmonieuze combinatie van lijnen en kleuren.)

2) Originele vormen
‘(…) ce qui jettera les visiteurs dans l’émerveillement, ce sera le talent qui a été dépensé pour présenter ces travaux sous les formes les plus variées et les plus originales.[3]

Bloemzak ‘Rosabel’, getransformeerd tot doosje (links) en kussentje (rechts) door leerlingen van Ecole Bischoffsheim, Brussel, 1915. Coll. HHPLM, foto: auteur

((…) wat de bezoekers zal verbazen, is het talent waarmee deze werken in de meest uiteenlopende en originele vormen worden gepresenteerd.)

3) Een gedachte van dankbaarheid

Dank, Liefdadig Amerika. Schoolkinderen – Berthem – Leuven, 5e en 6e Studiejaar 1916. Coll. HILA CRB papers 1914-1930; 22003-10.A-V KK. Foto: auteur

‘Le comité du Caban se permet de recommander aux donateurs l’achat d’objets confectionnés avec des sacs américains, artistiquement exécutés. Ils constitueront des souvenirs précieux; une pensée de reconnaissance envers l’Amérique si généreuse, a présidé à la confection.’

Bloemzak ‘Perfection’, Welch & Eason, Charleston, South Carolina, VS. ‘Hommage de gratitude au Peuple Américain, 1914-1915. Kussentje door leerlinge van Ecole Professionnelle Bischoffsheim, Brussel. Coll. HHPLM, foto: auteur

(‘Het Werk van den Kapmantel wil haar donateurs van harte aanbevelen om artistiek uitgevoerde objecten te kopen, vervaardigd van ‘Amerikaanse zakken’. Ze zullen dierbare herinneringen vormen; ‘een gedachte van dankbaarheid tegenover het zo genereuze Amerika’ is het uitgangspunt geweest voor de versieringen op de zakken.’)

De teksten van dankbaarheid waren dus gericht op de Belgische bevolking. Zij dienden de herinnering te bewaren dat er meel was geschonken vanuit Noord-Amerika.
De geborduurde bloemzakken waren niet bedoeld om terug te sturen naar Amerika. Die foute veronderstelling wordt vaak gemaakt.

4) Bijdragen aan het goede doel
Het opwerken van de meelzakken bracht voor de liefdadige doelen een hogere opbrengst. Een originele zak had gemiddeld een verkoopprijs van 4 francs, versierde meelzakken brachten gemiddelde prijzen op van 15 tot 50 francs met uitschieters tot 200 francs.
‘En les acquérant, les personnes charitables feront profiter du prix de leurs achats deux œuvres, toutes deux si nécessaires: le «Secours discret» et l’ «Œuvre du Caban»’.[4]
(‘Met hun aankoop dragen de goede gevers bij aan twee zeer noodzakelijke goede doelen: de ‘Discrete Hulp’ en het ‘Werk van den Kapmantel’.)

Bloemzak ‘Page’s Climax Flour’, VS. Getransformeerd tot kussentje door leerlinge van Ecole Professionnelle Bischoffsheim, Brussel. Coll. HHPLM, foto: auteur

Meisjesscholen

Deze school heeft niet deelgenomen aan de tentoonstelling, maar staat model voor de leerlingen die dat wel deden. ‘Dank, Liefdadig Amerika’. Schoolkinderen – Berthem – Leuven, 5e en 6e Studiejaar 1916. Coll. HILA CRB papers 1914-1930; 22003-10.A-V KK. Foto: auteur

Elf scholen en instituten hebben bijgedragen aan het succes van de tentoonstelling, acht instellingen van Leuven, een van respectievelijk Heverlee, van Tildonk en van Brussel.

  1. L’orphelinat des hospices civils (sous la direction de Mlle Mottie);
  2. Les Sœurs de Marie (écoles de St-Quentin et de la rue de Beriot);
  3. L’Institut des Minimes;
  4. L’Institut du Sacré Cœur à Héverlé;
  5. Le pensionnat des Ursulines à Thildonck;
  6. L’école De Wandeleer;
  7. L’Institut Paridaens;
  8. Les Sœurs Rédemptoristines;
  9. La Protection de la jeune fille;
  10. L’école professionnelle communale des jeunes filles (direction de Mlle Vanhulst);
  11. L’école professionnelle Bischoffsheim à Bruxelles.

Overigens hebben ook vele individuele personen een bijdrage geleverd, maar zij zijn niet met name genoemd, omdat hun bescheidenheid dat niet toeliet…

Mlles Breuls, Vandemarck en Florentine Franckx
Drie borduursters zijn wel met name genoemd en gecomplimenteerd met hun werk.
* Mlle Breuls (mogelijk Marie Louise Breuls, ºSint-Gillis 11-10-1896 +Péruwelz 03-01-1978, dochter van Camille Breuls), beschilderde en borduurde een meelzak – geëxposeerd in de stand van de école libre;
* Mlle Vandemarck (mogelijk Joséphine Vandemarck, °Leuven 29-12-1893 +vóór 23-01-1968; zij was kleermaakster toen ze huwde te Leuven op 23-07-1921 met François Lemaître, bediende), borduurde een meelzak met de wapenschilden van de stad, tentoongesteld in de stand van het werk voor de Wezen;
* Mlle Florentine Franckx (ºLeuven 14-12-1895 +Leuven 30-07-1977; dochter van Isabelle Dekimpe (°Merksem 21-12-1860 +Leuven 31-08-1940), huisvrouw, en Eugène Théodore Franckx, medewerker in de burgerweeshuizen, zij hebben gewoond Rue Arnould Nobel 26, Leuven) borduurde als 20-jarige een kussen, een meelzak met de wapenschilden van België, tentoongesteld in de stand van de lokale beroepsschool voor meisjes. Florentine was later onderwijzeres/lerares, ze bleef ongehuwd en had geen kinderen.

Geborduurde meelzak ‘Chicago Evening Post, B. A. Eckhardt Milling Co., Chicago, Illinois’, 1914-1915. De borduurster gebruikte de originele bedrukking als patroon en zette steken op en om alle letters in kleurrijke garens. Het rood, geel, zwart van België en rood, wit, blauw van de VS zijn herkenbaar. De patronen die zij zelf toevoegde, zijn de kroon en de negen wapens van de Belgische provincies, verbonden door een guirlande van groene takken met blaadjes en rode bessen. Belgische privé collectie.

In een Belgische privé collectie bevindt zich een prachtig geborduurde bloemzak ‘Chicago Evening Post van B.A.Eckhardt Milling Co., Chicago, Illinois’, met de wapenschilden van België. De verzamelaar kocht het borduurwerk eens, reeds ingekaderd, op een rommelmarkt. Hypothetisch komt deze in aanmerking om te zijn geborduurd door Florentine Franckx.

Mlles van Brussel

Twee Art Nouveau kunstwerken gemaakt te Leuven voor Mariette en Louisa Van Brussel, 1917. Foto Haynault Kunstveilingen, 2023

De juffrouwen Van Brussel kregen complimenten voor een collectieve presentatie van smaakvolle objecten.

Een van de centrale aandachttrekkers op de tentoonstelling was een ameublement voor een boudoir gepresenteerd door de lokale beroepsschool voor meisjes.

Haesendonck
De houtbewerker Haesendonck (waarschijnlijk ‘Corneille’ Michel Haesendonck, °Mechelen 07-08-1876, die ‘sculpteur’ (beeldhouwer) van beroep was; hij was zoon van Jean François Haesendonck, +Leuven 1910, ook houtbewerker) maakte een meesterwerk in hout, zijn gesneden houten frame rond een klein scherm was een bijzondere aandachtstrekker.
De journalist van het weekblad legde nadruk op de prachtige houtbewerking, omdat de glorie van het ambacht, zoals in de 18e eeuw in België gevierd, bezig was om uit te sterven, net zoals het kantkloswerk.

Le pensionnat des Ursulines à Thildonck. Postkaart: ‘Een os verving de paarden tijdens de Duitse bezetting.’ Foto: Tijdschrift Belevingscentrum Tildonk

Vooraanstaande vrouwen in het organiserend comité
Vooraanstaande vrouwen vormden het organiserend comité. Voorzitster was mevrouw Céleste Boels, née Céleste Vérité Fontaine, (°Gilly 11-08-1864 +Woluwe St. Pierre 16-08-1948), haar man was de advocaat Léon Boels, hij was onder meer voorzitter van het comité van de weeshuizen in Leuven. Vice-voorzitter was Juffrouw Nève (Madeleine Nève, 1891-1989? Of haar zus Suzanne 1887-1972?). Erevoorzitters waren de vrouw van de burgemeester van Leuven, L. Colins, née Stroobants, en de vrouw van Prosper Poullet, de minister van Wetenschap en Kunsten.

Net zoals de welstellende vrouwen de organisatrices waren, zijn de borduursters van de zakken vooral welstellende meisjes en jonge dames geweest. Zij borduurden om hun minderbedeelde leeftijdgenoten van jassen te voorzien. Of deze laatsten ook mee borduurden wordt in de krantenberichten in het midden gelaten.
‘... fillettes qui ont rivalisé de travail opiniâtre et de talent pour venir en aide à leurs petits condisciples.‘ (Le Quotidien, 8 juli 1916)
(… kleine meisjes die met hard werken en talent met elkaar wedijverden om hun klasgenootjes te helpen.)

Arthur Peters – Moulins Hungaria
De voorzitter van het Werk van den Kapmantel was Arthur Peters (‘Arthur’ Auguste Armand Peters, °Sint-Truiden 15-06-1874 +Leuven 12-06-1932). Hij was echtgenoot van ‘Ernestine’ Louise Berthe Domken (°Luik 03-01-1873). Zij trouwden in Luik op 08-07-1899. De familie Peters was verbonden aan de maalderij Moulins Hungaria aan de Vaartkom in Leuven.
Peters hield de openingstoespraak op 23 april, waarvan de tekst volledig in het weekblad is gepubliceerd.
Vele hoogwaardigheidsbekleders waren aanwezig: de burgemeester Leo Colins, de schepenen De Munter, Schmit en Tielemans en de raadsleden Dr. Janssens (tevens vicevoorzitter van het Werk van den Kapmantel), professor Bruylants en Ch. Bosman.

Maïs-Bloem-Linzen. Schoolkinderen – Berthem – Leuven, 5e en 6e Studiejaar 1916. Coll. HILA CRB papers 1914-1930; 22003-10.A-V KK. Foto: auteur

Tot besluit
Meelzakken onderzoek blijft nieuwe vragen oproepen, want waar zijn de duizend versierde zakken uit Leuven gebleven?
– Recent zijn twee objecten op een veiling verschenen die volgens mij zijn toe te schrijven aan de tentoonstelling, lees mijn blog Art Nouveau kunstwerken voor Mariette en Louisa Van Brussel.
– Van de leerlingen van de Ecole Bischoffsheim in Brussel heb ik een aantal door de school gestempelde exemplaren in de VS gespot. Ze zijn bewaard in de Herbert Hoover Presidential Library-Museum (HHPLM) en de Hoover Institution Library and Archives (HILA).
– Een geborduurde bloemzak van 1916 uit Oud Heverlee bevindt zich in de collectie van HILA.

Zouden de Leuvense scholen geen stempels hebben gebruikt? De namen van borduursters niet vermeld op de zakken? Dan leven eventueel bewaarde borduurwerken en objecten in anonimiteit voort.
Bezitten Leuvense publieke collecties versierde bloemzakken?
Zijn de Franstalige aanplakbrieven misschien bewaard gebleven?
Mogelijk bestaan er foto’s en postkaarten van de tentoonstelling?
Biografisch onderzoek naar de personen genoemd in het weekblad artikel zal wellicht hun identiteit onthullen?

Het is een uitdaging om anno 2025 op te schrijven wat er in honderd jaar geschied is met de duizend Leuvense geborduurde zakken. De zakken zijn immers in 1916 getransformeerd om te dienen als dierbare herinneringen.

 

Dank aan Hubert Bovens te Wilsele voor de opzoekingen van biografische gegevens van de in dit blog genoemde personen.

 

Voetnoten:
[1] Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven van 16 april 1916

[2] Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven van 16 april 1916

[3] Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven van 23 april 1916

[4] Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven van 22 oktober 1916

Art Nouveau kunstwerken voor Mariette en Louisa Van Brussel

Eind 2023 werd ik attent gemaakt op de veiling van 4 december bij Haynault Kunstveilingen in Ukkel, België.
Twee ‘Art Nouveau werken’ stonden ter veiling:
Itemnummer 223 ‘Meel/geschenk van Canada, 1917’ en
Itemnummer 224 ‘Compliments des amis des belges, 1917’.

Screenshot

“Of ik een bod wilde doen?”
Versierde meelzakken-kenners concludeerden direct, dit zijn fraai beschilderde en ingekaderde meelzakken van WO I. Ze bleken opgedragen aan de juffrouwen Van Brussel, Mariette en Louisa. Of ik een bod wilde doen?

Topstuk en cultureel erfgoed
Het framewerk en de beschildering waren wel zeer bijzonder, ze tilden de ‘gewone bloemzakken’ met origine Canada en Kansas, VS, naar het niveau van Art Nouveau kunst.
De persoonlijke teksten die de Juffrouwen eerden, gaven aan dat de stukken in privébezit moesten zijn geweest, ze waren voorname gedenkenissen van de Grote Oorlog.
Waarom kwamen ze dan nu openbaar ter veiling en wenste de familie deze gedenkenissen niet langer te bewaren? En dan ook ieder apart als veilingitem aangeboden, terwijl ze overduidelijk bij elkaar hoorden?
Door mijn onderzoekswerk naar de meelzakken van WO I overheerste direct maar één gedachte en wel dat deze stukken -tezamen- voor België behouden zouden moeten blijven en over zouden moeten gaan naar één publieke verzameling: dit was Belgisch cultureel erfgoed, dit zijn topstukken.

Onderzoek
Daarom, neen, een bod zou ik niet doen. Mijn kracht en toegevoegde waarde waren om de achtergrondinformatie van de twee versierde meelzakken bijeen te brengen en te combineren met mijn kennis van zak(k)en. Op basis van de twee foto’s van het veilinghuis ging ik aan de slag; mijn onderzoek leidde zelfs tot een zakkenreis naar Leuven met verrassende ontmoetingen!
In dit blog deel ik mijn bevindingen.

Origine van de zakken meel uit Noord-Amerika

Zakken maakten internationale verbindingen.

Origine van de twee meelzakken in Noord-Amerika en de route die ze aflegden naar Leuven, België. Routekaart: Annelien van Kempen, 2025

De origine van de meelzakken is Canada, respectievelijk de Verenigde Staten.

Veilingitem 223 is afkomstig uit Canada, de zak meel kwam naar België met de oorspronkelijke bedrukking: ‘Flour. Canada’s Gift’, 1917. Foto Haynault Kunstveilingen, 2023

Itemnummer 223 is afkomstig uit Canada, de zak meel kwam naar België met de oorspronkelijke bedrukking: ‘Flour. Canada’s Gift’.
Voor achtergrondinformatie over de Canadese zendingen meel verwijs ik naar mijn twee blogs: Eén miljoen zakken meel uit Canada voor Groot-Brittannië en Canadese bloemzakken met Belgische dank aan het ‘Moederland’.

Veilingitem 224 ‘Compliments des Amis des Belges
Crawford County Kansas’, 1917. Foto Haynault Kunstveilingen, 2023

Itemnummer 224 is afkomstig uit de Amerikaanse staat Kansas.
De oorspronkelijke bedrukking op de zak meel was:
‘Compliments des Amis des Belges
Crawford County Kansas
Etats-Unis d’Amérique
Pittsburg, Kansas. U.S. of America.
Made by Pittsburg Modern Milling Co.
Pittsburg, Kansas
(Bleached)’

Advertentie van Pittsburg Modern Milling. The Pittsburg Daily Headlight (Pittsburg, Kansas), 18 december 1913

De achtergrondinformatie over de zendingen Kansas meel voor de bevolking in bezet België vindt u in mijn blog: Retour Kansas – Limburg in zeven etappes.

Transformatie van meelzakken in België
Eenmaal geleegd zijn de meelzakken gesorteerd en ter beschikking gesteld voor transformatie tot kunststukken.

Twee Art Nouveau kunstwerken met bedankingen aan Mariette en Louisa Van Brussel, 1917. Foto Haynault Kunstveilingen, 2023

Schilderingen
De afbeelding, de beschildering, verdient nader onderzoek. Wie was de schilder? Is het doek gesigneerd? De twee schilderingen lijken in sfeer en kleurstelling gemaakt door dezelfde kunstenaar. Beide zakken zijn losgetornd op de naad en opengevouwen, waardoor het canvas ruimte bood voor de schildering naast de oorspronkelijke bedrukking.

Op nr. 223 zien we een allegorie, een staande, naakte vrouw (Canada) biedt korenaren aan, aan een zorgelijke, liggende, in bruine doeken gewikkelde vrouw met kind (België) in haar linkerarm. Zij strekt in dankbaarheid haar arm uit naar de korenaren. De achtergrond toont de toenmalige Canadese vlag en het wapenschild, boven op de kroon, aan weerszijden een lauwertak.*)

Op nr. 224 kijken we naar een cherubijn (de VS) die in zijn rechterarm korenhalmen draagt, zijn linkerarm omklemd een schild dat de oorspronkelijke tekst van de Amerikaanse vrienden van de Belgen op de zak omkaderd; rondom het schild zijn uitbundige versieringen van roze rozen tegen de achtergrond van de Amerikaanse vlag met stars and stripes.

Houten kaders
Het canvas van de beschilderde bloemzakken is gevat in grote lijsten van hout. De houten kaders zijn vormgegeven in art nouveau stijl. Wie zal de houtbewerker zijn geweest, was het een meubelmaker?

Itemnummer 223 heeft als afmeting 128 bij 128 cm, het vierkante buitenkader heeft afgeronde hoeken, daarbinnen een cirkel, daarbinnen het vierkante frame met het canvas.
Itemnummer 224 heeft dezelfde opbouw van houten kader met de afmetingen 106 cm hoog en 111 cm breed. In de onderzijde van de cirkel is een tekst aangebracht.

Detail: Mlle Mariette Van Brussel. Foto Haynault Kunstveilingen, 2023

Item nr 223:
Denier du Vêtement et du Réfectoire Scolaire
à
Mademoiselle Mariette Van Brussel
1916 Remerciements 1917

Detail: Mlle Louisa Van Brussel. Foto Haynault Kunstveilingen, 2023

Item nr 224:
Denier du Vêtement et du Réfectoire Scolaire
à
Mademoiselle Louisa Van Brussel
1916 Remerciements 1917

Het ‘Denier du Vêtement et du Réfectoire Scolaire’ (‘Fonds van kleding en school-eetzaal’) bedankte de juffrouwen Mariette en Louisa Van Brussel voor hun bijdragen in 1916-1917.
De namen leidden tot biografisch onderzoek van deskundige Hubert Bovens uit Wilsele.[1]

Huize Van Brussel in de Vaartstraat te Leuven. Foto auteur

Mariette en Louisa Van Brussel te Leuven
De stad Leuven, zwaar gehavend door de verwoestingen van het Duitse leger in de eerste weken van de oorlog, blijkt de woonplaats te zijn geweest van Mariette en Louisa Van Brussel.
De Mlles Van Brussel, Marietta en Louisa waren dochters van Louis Van Brussel (‘rentenier’/eigenaar) en Marie Marguerite Roekens. De ouders en grootouders Van Brussel lijken eigenaars en beheerders van onroerend goed te zijn geweest. Louis woonde bij zijn huwelijk in 1893, Vaartstraat 70, Leuven.

‘Mariette‘ Célénie Arthur Louise Van Brussel (°Leuven 04-09-1893 + Leuven 04-11-1920), huwde op 23 april 1919 in Leuven met Jules Molle (°Geldenaken 23-05-1893 +Brussel 26-02-1937), kapitein-commandant der artillerie, ze woonden in Elsene. Zij kregen een zoon Paul Molle (°Elsene 22-01-1920 +25-09-1975).
Mariette is overleden op jonge leeftijd, tien maanden na de geboorte van haar zoon, zij was 27 jaar.

Louisa‘ Clothilde Paule Adolphine Maria Van Brussel (°Leuven 27-11-1896 +Leuven 14-01-1978), huwde eveneens op 23 april 1919 in Leuven. Haar echtgenoot werd Léon Rosseels (Leuven 23-07-1893 +Leuven 21-11-1961), Kolonel/Lieutenant d’Infanterie. Ze kregen een zoon André Rosseels, °Leuven.

Mariette en Louisa trouwden beiden met een oud-strijder van WO I, vier maanden na de Wapenstilstand; de huwelijken waren op dezelfde dag in Leuven.

De jonge dames hebben zich tijdens de oorlog klaarblijkelijk flink ingezet voor het liefdadige werk van het Fonds van kleding en de school-eetzaal. De jaartallen 1916 en 1917 doen vermoeden dat de twee zusjes, Mariette was toen 24 jaar, Louisa 21 jaar, in (of na) 1917 ieder een beschilderde bloemzak met houten lijst in ontvangst hebben genomen.
Let wel: in 1917 waren de ‘Amerikaanse zakken’ door de intrede van de Verenigde Staten tot de oorlog en het vertrek van de Amerikaanse gedelegeerden van de Commission for Relief in Belgium niet meer publiekelijk toonbaar in bezet België.

Duizend artistiek geborduurde Amerikaanse zakken in Leuven, 1916

Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven, 9 april 1916

Mariette en Louisa Van Brussel blijken ook nauw betrokken te zijn geweest bij de verkooptentoonstelling van duizend artistiek geborduurde Amerikaanse zakken georganiseerd door het Werk van den Kapmantel in april 1916 in Leuven:
‘Le Comité de l’Œuvre, tant pour couvrir partie de ses dépenses que pour créér des ressources nouvelles a imaginé de faire confectionner un millier de sacs américains artistiquement brodés destinés à la vente‘. [2]

Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven, 7 mei 1916

In een uitgebreid krantenartikel over het evenement worden hun namen met respect genoemd: [3]
‘Une mention spéciale est due aussi à une collectivité d’objets de très bon gout déposés avec art et groupés sous la direction de Mlles Van Brussel.’

(Een speciale vermelding verdient ook een verzameling zeer smaakvolle objecten die artistiek zijn tentoongesteld en gegroepeerd onder leiding van de jongedames Van Brussel).

Huize Van Brussel, Vaartstraat in Leuven

Onderzoekers op zakkenreis te Leuven

In maart 2024 maakte ik een zakkenreis naar Leuven. Hubert Bovens leidde mij er rond. Op aanwijzing van Liesbeth Croimans, medewerker Stadsarchief Leuven, gingen we op zoek naar het huis in de Vaartstraat waar de familie Van Brussel heeft gewoond. Het pand staat er nog steeds.

Huize Van Brussel te Leuven. Foto auteur

We hadden een tref: een van de huurders in het pand liet ons binnen en ontving ons met gastvrijheid.

Het park achter Huize Van Brussel te Leuven. Foto auteur
De park-poes, Huize Van Brussel, Leuven

Hij vertelde dat de oude meneer Rosseels, (klein)zoon van Louisa Van Brussel, een jaar of wat geleden uit het pand was vertrokken; hij was verhuisd omdat hij vanwege zijn hoge leeftijd -ouder dan 90 jaar- meer zorg nodig had. Zijn nakomelingen hadden het pand fors opgeruimd. Vandaar zullen de familiestukken uiteindelijk op de veiling van Haynault Kunstveilingen zijn aangeboden.

 

 

Verwerving door In Flanders Fields Museum, Ieper
Inmiddels vernam ik het nieuws dat het In Flanders Fields Museum (IFFM) te Ieper de twee Art Nouveau kunstwerken heeft kunnen verwerven op de veiling, zodat de twee beschilderde meelzakken in hun houten kaders nu daar in de collectie zijn. Voor de IFFM collectie meelzakken zie mijn blog De weldaad van de meelzak. Jaarboek 2020 In Flanders Fields Museum.
Nader onderzoek van de kunstwerken zal mogelijk leiden tot identificatie van de makers ervan.

Conclusie
De stukken zijn voor België behouden en overgegaan naar een publieke verzameling: twee objecten van cultureel erfgoed met de allure van topstukken.

Dank aan:
– Hubert Bovens uit Wilsele
– Liesbeth Croimans, medewerker Stadsarchief Leuven
– Leden van de Kunstvrienden, zie voor hun werk mijn blog: Show beschilderde bloemzakken voor Kunstvrienden in MuZee

Voetnoten:
*) De gebruikte symboliek van het Canadese wapenschild, de ‘coat of arms’ en de kroon, zoals afgebeeld op de meelzak, zal door een kenner toch eens beter geduid moeten worden.

[1] Hubert Bovens onderzocht de biografie en vond allereerst op Geneanet een familiestamboom gemaakt door de kleinzoon van Mariette Van Brussel, Patrick Molle.

[2] Zie mijn blog Duizend geborduurde meelzakken in Leuven.
Het ‘Werk van den Kapmantel’ te Leuven organiseerde in 1916 een grote tentoonstelling van ‘Amerikaansche zakken’. Op Paaszondag 23 april was de opening. Het doel van de verkooptentoonstelling was geld in te zamelen om te voorzien in de behoefte aan jassen voor schoolkinderen die niet de middelen hadden om deze zelf te kopen.
In de winter van 1915/16 had het Werk van den Kapmantel aanzienlijke uitgaven gehad bij het verstrekken van de winterjassen. Het bestuur zag een grote inkomstenbron liggen: ze liet 1000 Amerikaanse zakken borduren voor de verkoop! Elf meisjesscholen in Leuven en omgeving werkten aan de versiering van de meelzakken.
……
La dépense qui est résultée de cette belle initiative a été considérable, cela va de soi. Le Comité de l’Œuvre, tant pour couvrir partie de ses dépenses que pour créér des ressources nouvelles a imaginé de faire confectionner un millier de sacs américains artistiquement brodés destinés à la vente. Il a obtenu l’exécution de ce travail d’art, les concours les plus précieux et les plus généreux. Ici encore, la charité a engendré des merveilles d’art, revêtant les formes les plus intéressantes, adaptées généralement à être bibelots, à quantité d’objets toujours jolis, très souvent utiles. Le comité a pensé que toutes ces merveilles réunies et groupées avec art méritaient d’ être exposées aux regards du public.
Un sous-comité de dames de la ville s’est constitué sous la présidence d’honneur de Mesdames L. Colins et P. Poullet, la présidence de Mme Léon Boels et la vice-présidence de Mlle Nève et s’est chargé de l’organisation de cette exposition qui s’ouvrira le dimanche de Pâques, le 23 avril, au local Salle des ventes des notaires, marché-au-Poisson, 7

 (De kosten die dit geweldige initiatief met zich meebracht waren uiteraard aanzienlijk. Het bestuur van het Werk van den Kapmantel stelde zich ten doel duizend artistiek geborduurde Amerikaanse zakken te laten maken voor de verkoop, zowel om een deel van de uitgaven te dekken als om nieuwe middelen binnen te krijgen. Voor de uitvoering van deze artistieke handwerken kreeg het Werk waardevolle en buitengewone hulp. Ook hier weer bracht de inzet voor liefdadigheid artistieke wonderen in vele gedaanten voort, meestens snuisterijen, maar ook een aantal objecten vol schoonheid of functionaliteit. …..
Een subcommissie van dames uit Leuven stond onder erevoorzitterschap van de dames L. Colins, echtgenote van de burgemeester, en P. Poullet; onder voorzitterschap van mevrouw Léon Boels en vice-voorzitterschap van mevrouw Nève. Zij waren verantwoordelijk voor de organisatie van deze tentoonstelling die zal openen op Paaszondag 23 april in de plaatselijke Notarissenverkoopkamer, Vismarkt 7).

(Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven van 9 april 1916)

[3] Journal des petites affiches/weekblad voor het arrondissement Leuven van 7 mei 1916

 

Translate »