
Tijdens ons meelzakkenonderzoek in de Herbert Hoover Presidential Library-Museum (HHPLM) in juni 2022 waren conservator Marcus Eckhardt en ik gefascineerd door twee kledingstukken gemaakt uit meelzakken.
Kleding voor volwassenen
We vonden een shirt en pantalon in onze maat te midden van dozen met kinderkleding. Welke volwassen personen hadden deze gedragen? Was het als werkmanskleding uitgegeven in bezet België?
Helaas verbood het museumprotocol om de kleren zelf aan te trekken, maar we konden het niet laten te experimenteren met passende fotografie.

Conservator Marcus Eckhardt herkent het honkbaltenue
Tot mijn verrassing wist Marcus Eckhardt op een later moment het shirt en de broek te identificeren: het was een honkbaltenue (‘baseball uniform’) gemaakt van meelzakken! Hij zag de onderstaande foto en herkende het shirt en de broek.
Bloemzakken ‘American Commission’ voorzagen in de behoefte aan een uniform shirt met clubnaam van Amerikaanse CRB-gedelegeerden in bezet België in de zomer van 1916.

Marcus schreef: “I may have some new information on the (large) shirt and pants. They may have been made and worn for a baseball game that American CRB people held in Belgium on July 4, 1916. We have a photo too that my colleague Lynn Smith shared with me from our photograph collection.”
Waren shirt en broek van deze honkbalwedstrijd? “Why do I think the shirt and pants we have are from this game? Well, that they still have the sweat stains in the armpits, as well as the dirt on them from playing the game. Most importantly, they look like the ones in the pictures of the game, which look like baseball uniforms from that time.”
En Marcus spoorde meer foto’s op: “Here’s the link to the Hoover Institution’s slideshow, (HILA) where three more photos of the CRB baseball game are numbers 3/19 – 5/19.”[1]
Wie zijn de honkballers?

Een van de foto’s bleek een groepsfoto van de honkballers. Zou het mogelijk zijn hun namen te vinden?
Identificatie van de mannen op de foto bleek een intensief karwei van enkele dagen. Er bestaan namelijk officiële portretfoto’s gemaakt van de CRB-gedelegeerden in België, maar op dergelijke foto’s poseren ze statisch in deftige herenkostuums voor de fotograaf. In actiefoto’s op het honkbalveld, gekleed in sportieve outfits gemaakt van American Commission bloemzakken, zien de mannen er compleet anders uit.
Met hulp van Jeffrey B. Miller uit Denver, auteur van vier boeken over de CRB en diens Amerikaanse vertegenwoordigers in België, lukte het de honkballers te herkennen.[2] Door vergelijking van de foto’s zijn we geslaagd in het identificeren van de meeste mannen.
Staand van links naar rechts:
Philip Barton Key Potter, New York City (32 jaar)
Frederic Meert, Brussel (43 jaar)
Barry Griffin
Oliver Williams DeGruchy (26 jaar)
Milton Brown, Glendale, Cincinnati, Ohio
Vernon Kellogg, California
Onbekend
Francis C. Wickes, Rochester, NY (26 jaar)
Edward Curtis, Boston (23 jaar)
Harry Dunn, Santa Barbara, Ca.
Zittend van links naar rechts:
Francis Hunter Potter, New York City (33 jaar)
(Joseph) Joe Green, Cincinnati, Ohio
Philip Platt, Scranton, Pa. (27 jaar)
Gilchrist Stockton, Jacksonville, Florida (25 jaar)
Guillermo Hall, Austin, Texas (45 jaar)
Carlton Bowden, St. Louis, Minnesota (25 jaar)
Gardner A. Richardson, Woodstock, Connecticut (32 jaar)
Onbekend

Honkbal – Baseball op de Léopold Club in 1916
De honkbalwedstrijden van de Amerikanen werden gespeeld op de sportvelden van de Léopold Club (tegenwoordig Royal Léopold Club) in Ukkel, Brussel.
Op zaterdag 17 juni 1916 werd een eerste wedstrijd gehouden tussen de teams van CRB-gedelegeerden in België resp. Noord-Frankrijk. De honkbalsport was vrij onbekend in België, daarom diende de wedstrijd ook als demonstratie van de sport voor de Belgische toeschouwers. ‘… after luncheon we drove out to the Leopold Club. There, before a curious crowd of Belgians, who doubtlessly thought we had gone entirely crazy, we started the baseball game.’[3]
In de vijfde inning brak een van de spelers, Prentiss Gray (31 jaar), op onfortuinlijke wijze zijn rechterarm. Om geen slechte indruk op de Belgische toeschouwers te maken ging de wedstrijd gewoon door en werd de geblesseerde man stilletjes afgevoerd naar het ziekenhuis.
Ruim twee weken later, op dinsdag 4 juli 1916, Independance Day, de belangrijkste Amerikaanse nationale feestdag, werd de tweede wedstrijd georganiseerd. Meerdere actiefoto’s en het groepsportret (inclusief Gray op de achtergrond in witte kleding met gebroken arm in het gips, leunend op een honkbalknuppel) getuigen van deze sportieve dag.
Honkbaltenues van een vooraanstaand kleermaker

Een etiket in de honkbalbroek verwijst naar de vooraanstaande kleermakerij John Accent gevestigd in de Koninklijkestraat (Rue Royale) in Brussel. La Maison Jean Accent presenteerde zich in 1889 als ‘hatter et tailor’. Jean Baptiste Accent overleed in mei 1900, zijn echtgenote Catherine Demesmaeker (°Brussel 15-07-1858 +Woluwe 07-03-1932) zette de zaak voort. In 1910 verkreeg zij het recht haar kledinghuis ‘Hofleverancier’ (fournisseur de la Cour) te noemen.[4]

In 1916 droeg de zaak de naam John Accent, naar zoon John Accent (°Brussel 13-10-1892 +Oudergem 17-11-1953), die bij overlijden genoemd wordt als oud-strijder tijdens WO I. Vanaf 1919 zette John Accent het kledinghuis voort met zijn zwager Léon Canonne.[5]
Maison John Accent maakte hoeden, kostuums en overhemden, maar ook uniformen, ruiterkleding en sporttenues.
Alleen de broek heeft het etiket van John Accent, het honkbalshirt niet. Mijn aanname is dat de broek op maat is gemaakt en de shirts als een one-size-fits-all ook door John Accent zijn geconfectioneerd,
Omdat honkbal niet werd gespeeld in Brussel, zal het model van het honkbaltenue in nauw overleg met de Amerikaanse opdrachtgevers tot stand zijn gekomen en tegelijkertijd een Brusselse touch hebben gekregen. Foto’s van Amerikaanse honkbaltenues rond 1910/20 tonen diverse modellen die gebruikelijk waren in de VS.
Om over de stoffen voor de kleding te kunnen beschikken moeten ettelijke tientallen lege meelzakken zijn aangeleverd bij de kleermakerij.[6]

Uit de groepsfoto blijkt de uniforme voorzijde van de shirts met de bedrukking ‘American Commission’ als de clubnaam.

De achterzijde van het door HHPLM bewaarde shirt heeft een andere bedrukking, namelijk Belgian Relief Flour uit Toledo, Ohio. Mogelijk is er voor de achterzijde van de shirts gevarieerd in bedrukkingen en zijn meelzakken uit diverse staten gebruikt.
Het honkbalshirt met zweetvlekken onder de oksels heeft geen etiket, maar een vaag potloodschrift op de stof lijkt de naam ‘Eckstein’ te vermelden. Mogelijk een verwijzing naar CRB-gedelegeerde Fred Eckstein, die zijn Duits aandoende naam later wijzigde in Fred Exton. Exton werkte van april tot augustus 1916 voor de CRB in de provincie Brabant.
Het honkbalshirt onderscheidt zich door de mouwlengte, maar vooral door de kraag.

Het CRB-honkbalshirt heeft een zgn. ‘Schillerkraag’. De kraag staat uit zichzelf meer omhoog.

De benaming Schillerkraag voor dit type boord, verwijst naar de Duitse dichter en schrijver Friedrich Schiller (1759-1805). Deze droeg hemden met een openstaande kraag, vaak versiert met franjes. [7]
Marcus Eckhardt noemt de kraag modieus: “After looking around a bit, I don’t think that 1916 Baseball jerseys in the US usually had this type of collar. It must have been very fashionable. ”
De honkbalbroek van Fred Meert



De bewaarde honkbalbroek is gemaakt van Canadese meelzakken ‘Castle. Gift from Ontario (Canada) to the Motherland’ geleverd door de firma Maple Leaf Milling Coy. De Canadezen leverden hun meel in 98 lbs (45 kg) zakken aan en deze hadden een stevigere stof dan de Amerikaanse 49 lbs (22,5 kg) zakken.
De tailleband, sluiting met knopen en taillering van de broek zijn met vakmanschap ontworpen en geconfectioneerd. De pijpen van de broek zijn wijd en kort – tot onder de knie.
Op het etiket in de honkbalbroek staat de naam Meert en de datum 27-7-1916 geschreven.
Meert verwijst naar Frederic William Meert (°Shrewsbury, N.J., VS 1873 +White Plains, N.Y., VS, 24-09-1951), de CRB-gedelegeerde voor Brabant, van 1914-1917.
De datum laat zien dat de honkbalwedstrijden zullen zijn voortgezet ook na 4 juli 1916.

Meert’s gegoede komaf
Fred (of Fritz) Meert was van gegoede komaf. Hij verhuisde op 27-jarige leeftijd naar Brussel voor zijn medische studie. Zijn moeder verhuisde in 1907 naar Brussel, waar Fred zich met zijn gezin bijvoegde. De banden met België liepen via zijn grootouders van vader’s zijde: Pierre Joseph Meert en Virginie Huygh van Antwerpen. Grootvader Meert was notaris en oud-burgemeester van Mortsel.
De grootouders van moeder’s zijde waren Dr. William Holme Van Buren (°Philadelphia 04-04-1819 +New York 25-03-1883), een van de oprichters van het Bellevue Ziekenhuis, New York, en Louisa Dunmore Mott (°02-06-1821 +14-10-1893), samen met haar zus Adelaide Mott Bell gekenschetst als ‘leaders in New York society’. [8] Louisa’s vader was Dr. Valentine Mott, de belangrijkste chirurg van zijn tijd, mede-oprichter van de Faculteit Chirurgie van New York University en de eerste hoogleraar chirurgie aan deze universiteit.
Fred Meert’s ouders waren Charles Frédéric Meert (°Mortsel, B., 19-07-1839 +Shrewsbury, N.J., VS, 07-02-1888) en Adelaide Mott Van Buren (°VS, 1843 +Brussel 13-05-1912)[9]. Het echtpaar kreeg een dochter en twee zoons: Virginie (1867-1950), Frederic en Victor (1874-1931).
Vader Charles Meert was wijnhandelaar in New York City en vertegenwoordigde het Franse champagnehuis Moët et Chandon in de VS. Maar in 1886 ging het mis met zijn bedrijf, raakte hij financieel in problemen en twee jaar later pleegde hij zelfmoord. Fred Meert was toen 15 jaar.
Fred trouwde tien jaar later op 9 juni 1898 in New York met Gertrude Wendell Sturtevant (°Nyack, N.Y., VS, 1869 +Scarsdale N.Y., VS, 22-12-1952), de huwelijksinzegening vond plaats door de aartsbisschop van New York. Het echtpaar kreeg drie dochters Eloise (1900-1974), Constance (1902-1962) en Gertrude (1906-1989).
Gertrude Sturtevant was een erkend schilderes van Chinees porcelein. Ze gaf les en exposeerde met haar eigen werk en dat van haar leerlingen in New York in 1893.[10]
De carrière van Fred in de VS strekte zich uit van beurshandelaar tot verzekeringsagent. Omdat hij met zijn gezin in 1914 in Brussel woonde, trad hij toe tot de gedelegeerden van de CRB en werd verantwoordelijk voor de provincie Brabant.[11] Ook zijn oudste zus Virginie Meert woonde in Brussel tijdens de Duitse bezetting. Zij werkte voor het Belgische Rode Kruis, onder meer in het Koninklijk Paleis in Brussel, dat tot tijdelijk ziekenhuis was ingericht. [11A]

Klaarblijkelijk bouwden Gertrude en haar tienerdochters – in de jaren 1915/16 in de leeftijd van 15, 13 en 9 jaar- een interessante verzameling versierde meelzakken op, want de familie Meert heeft -sinds 1921 weer terug in de VS- in 1941 een collectie van 33 beschilderde en geborduurde meelzakken geschonken aan de Hoover Library on War, Revolution and Peace, voorloper van de huidige Hoover Institution op Stanford University.[12]
Zou het honkbaltenue deel hebben uitgemaakt van de schenking?
Foto van honkbalwedstrijd door Clare M. Torrey – 1964

Oud- CRB gedelegeerde Clare Torrey[13] stuurde in 1964 een foto van de honkbalwedstrijd in 1916 aan directeur Lassner van HHPLM, waarbij hij schreef: ‘The intention was to make the uniform blouse out of flour sacks and, in fact, one of our members, Mr. William C. Hall, has such a garment. Would you like to have it? If so, I shall ask Mr. Hall.’ Lassner antwoordde dat hij het shirt graag voor de museumcollectie wilde hebben. Of het shirt daadwerkelijk geschonken is, is niet bekend. Wel weten we dankzij de foto’s dat Hall een van de honkbalspelers is geweest in Brussel.
American Identity – 2025
In haar recent verschenen boek ‘Saving Europe. First World War Relief and American Identity’ heeft geschiedkundige Tammy M. Proctor, hoogleraar aan de Utah State University, Logan, Utah, VS, één van de actiefoto’s opgenomen.

Het bijschrift luidt: ‘Jonge Amerikaanse mannen die voor de CRB werkten, namen deel aan recreatieve activiteiten zoals deze honkbalwedstrijd in Brussel in 1916. Ondanks de oorlog en de bezetting genoten de CRB-afgevaardigden van de kameraadschap die ze vonden in hun hulpverleningswerk en vertelden ze met plezier over hun leuke bezigheden, zoals picknicks, uitstapjes naar beroemde bezienswaardigheden en sporttoernooien.’
In haar actuele, kritische beschouwing van het CRB-werk in bezet België en Noord-Frankrijk reflecteert Proctor op de mentale instelling van de CRB-gedelegeerden: ‘Deze broederschap van Amerikaanse mannen deelde met andere Amerikanen die betrokken waren bij de oorlog en de naoorlogse hulpverlening, een culturele, raciale en ethische roeping, namelijk de drang om Europeanen te behandelen als objecten van sociale hervorming en om het continent te laten aansluiten bij hun eigen innerlijke voorstelling van Europa. In zekere zin beschouwden de CRB-gedelegeerden hun tijd in België als een gelegenheid om de westerse samenleving bij te schaven.’
De honkbalwedstrijden waren daarom niet alleen ontspanning, ze dienden ook een hoger doel. De uniforme honkbaltenues, gemaakt uit katoenen meelzakken met de opdruk ‘American Commission’, geïmporteerd in bezet België onder supervisie van de CRB-gedelegeerden, geconfectioneerd door de vooraanstaande Brusselse kleermakerij John Accent, droegen bij aan de verheven opdracht.
Hoover Institution en honkbal – 2026

Al jarenlang figureren de foto’s uit Brussel van de CRB-honkballers prominent in de diashow ‘Take me out to the ball game’ op de website van Hoover Institution, gevestigd op de campus van Stanford University. Van het meelzakkenverhaal achter de honkbaltenues zijn zij zich niet bewust. [14]
Trench art – de paradox van de honkbaltenues
Kunnen de honkbaltenues beschouwd worden als ‘trench art’, binnen het concept van Nicholas Saunders [15] dat hen definieert tot ‘items gemaakt door burgers, rechtstreeks uit materiaal dat in tijd en plaats wordt geassocieerd met de gevolgen van gewapend conflict’?
De handreiking om het ‘oorlogsmateriaal’, de zakken en honkbalshirt en -broek, vooreerst en altijd te beschouwen vanuit de spanning van het conflict van WO I, de CRB-gedelegeerden te onderzoeken vanuit de verwarring waarin zij en de mensen in hun omgeving leefden, biedt focus om de paradox te zien die in de broek en het shirt gevangen zit.
Uniform tenue
Honkbal had een militaire connotatie. Honkbal en het Amerikaanse leger hadden nauwe banden, al tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) speelden soldaten honkbal in hun vrije tijd. Toen de VS in 1917 toetraden tot de oorlog zorgden de professionele Amerikaanse honkbalclubs voor de uitrusting van militairen om in vrije tijd te kunnen honkballen. De clubs moesten spelers afstaan voor militaire dienst, wat tot discussie leidde of zij al dan niet ontheffing zouden moeten krijgen.
De CRB-mannen, veel sportieve studenten, arriveerden vanaf najaar 1914 in Brussel, ze zullen hun honkbal met -knuppel en handschoenen, ook hun honkbalkleding, in de bagage hebben meegenomen. Bovendien woonden er vele Amerikanen in Brussel. Waarschijnlijk speelden ze in hun vrije tijd altijd al honkbal. De benodigde materialen als thuisplaat, honken, etc. zullen ze hebben aangetroffen of georganiseerd bij de sjieke Club Léopold in Ukkel.
Voor de wedstrijden in juli 1916 wensten de honkballers een eigen identiteit als CRB-ers, ze wilden een uniform, onderscheidend teamshirt met clubnaam. Bewust of onbewust bracht het hen dichterbij een nationaal, militair imago.
Amerikaanse armoede
De stoffen van lege zakken hergebruiken voor kleding was in 1916 voor Amerikanen in eigen land het ultieme bewijs van armoede. Als het al nodig was verwijderde je de bedrukkingen en verborg je zoveel mogelijk de herkenning van de stof als hergebruikte zak.
In november 1914 promoten Amerikaanse meelfabrikanten het gebruik van katoenen zakken voor het verpakken van Belgian Relief flour als win-winsituatie: het kwam de noodlijdende Amerikaanse katoenindustrie ten goede en de door oorlog en honger geteisterde Belgische huisvrouw zou de geleegde zakken kunnen gebruiken om onderkleding van te maken. [16]

Een jaar later gooide de CRB de strategie om. In januari 1916 bezocht CRB-gedelegeerde P.H. Chadbourn de Amerikaanse president Wilson in Washington om er schande van te spreken dat, zoals hij beweerde: “Belgische kinderen in hemden van meelzakken met gaten voor hoofd en armen gekleed gingen.” Niets was minder waar, maar de CRB had Amerikaans geld nodig voor kleding voor de Belgen…[17]
Amerikaanse CRB-gedelegeerden die enkele maanden later geleegde zakken in oorlogstijd en bezetting terugvroegen van het CNSA en deze aanleverden bij een vooraanstaande Belgische kleermakerij in Brussel, erkend als hofleverancier, om er uniforme sporttenues van te maken, voelt binnen deze context aan als een ironische studentengrap.

Alsof de mannen met hun demonstratiewedstrijd van honkbal aan het Belgische publiek de boodschap overbrachten: ‘wij kunnen hier in bezet België zelfs in zakken gekleed in onze vrije tijd recreëren en jullie laten zien wat voor ons Amerikanen een échte sport is’.[18]
Belgische rijkdom

Anderzijds zal dit Amerikaanse hergebruik van de meelzakken geïnspireerd zijn door het hergebruik van de zakken voor kleding, zoals geïntroduceerd door de Belgische bevolking. De zakken verleenden identiteit, het stelde Belgische vrouwen, meisjes en kunstenaars in staat hun vaderlandsliefde te demonstreren. Voor hen symboliseerden de bedrukte zakken geen armoede, maar rijkdom. De zakken brachten meel voor brood; eenmaal geleegd waren ze een souvenir, er was aan hen gedacht in tijd van oorlog. Naast onderkleding maakten zij met vaardige handen vooral bovenkleding van de zakken: leuke schorten en jurkjes toonden zichtbaar de bedrukkingen en kinderen gingen er trots mee op de foto.
Conclusie
De jonge Amerikanen in Brussel koesterden ook hun rijkdom en gingen trots op de foto in hun honkbaltenues.
Ze hebben waarde gehecht aan de meelzakken als fysieke representaties van hun thuisland. De zakken boden de Amerikanen identiteit als groep, het textiel en de bedrukkingen vormden vertrouwde bakens voor de mannen in den vreemde. Ze gaven betekenis aan hun relaties met de Belgische bevolking en de Duitse bezetter.
Thuisgekomen na de oorlog bewaarden ze het tenue als trofee, een souvenir voor de verrichting van goede daden, maar vooral toch als herinnering aan hun identiteit, het team, de kameraadschap, die hen door een beladen periode in een geïsoleerde wereld had heen geholpen.

Daarom bewaart de Herbert Hoover Presidential Library-Museum anno 2026 een shirt met zweetvlekken onder de oksels en een vuile honkbalbroek.
Dank aan:
– Marcus Eckhardt, Lynn Smith, Jeffrey B. Miller.
– Hubert Bovens voor de biografische gegevens van de familie Meert in België.
– Hellen Grootendorst voor toezending van Louis Ramaekers’ spotprent.
– Rosalie Schoof, conservator Nederlands Openluchtmuseum.
Voetnoten
[1] Emailwisseling met Marcus E. Eckhardt, conservator HHPLM, in april 2024.
[2] Miller, Jeffrey B., WWI Crusaders. Denver, Milbrown Press, 2018, p. 434-436. Met citaten uit het dagboek van Prentiss Gray en brieven van Milton Brown. www.WWIcrusaders.com.
[3] In tegenstelling tot Noord-Amerika was honkbal in Europa een weinig beoefende sport. Tijdens WO I werd het in Engeland in de breedte geïntroduceerd door daar gelegerde Canadese militairen. Zij speelden onder meer een wedstrijd tegen een team Amerikanen die in Londen woonden.

In Nederland is baseball geïntroduceerd in 1912 en werd het Engelse woord ‘baseball’ vertaald in het Nederlandse woord ‘honkbal’.
De introductie in België zal ook uit die tijd dateren. In Belgicapress vind ik voornamelijk krantenartikelen die over het Amerikaanse baseball rapporteren als immens populaire, commerciële sport waar grote geldbedragen in omgaan en die vooral bedoeld is voor weddenschappen.
– ‘Il faut se rendre compte que les Américains dépensent 60 à 70 millions par an pour le baseball; que le nombre des personnes qui assistent à tous les matches doit atteindre 50 millions‘ (Le Bien Public, 3 maart 1914).
– Over de salarissen van spelers in 1915: ‘Le recordman est John Mac Graw, des Géants de New York, qui a empoché la jolie somme de 30.000 dollars (150.000 francs).’ (Le Messager de Bruxelles, 16 maart 1916).
[4] Le Soir, 12 februari 1910.
[5] Léon Canonne was direct na het uitbreken van de oorlog vertrokken naar Engeland en had zich op 16 Savile Row, Regent Street in Londen gevestigd als kleermaker voor civiele en militaire tenues, bedoeld als een nevenvestiging van de Rue Royale in Brussel voor zijn uitgeweken Belgische landgenoten. L’Indépendance Belge (Edité en Angleterre), 29 oktober 1914.
[6] CRB-gedelegeerden voor de provincie Brabant zoals Meert, Potter en Exton, actieve honkballers, zullen Georges Pètre goed genoeg gekend hebben om via hem lege meelzakken te regelen. Pètre was lid van het provinciaal komiteit Brabant en voorzitter van het CNSA Comité de Vente des Sacs d’Amérique.

Een van mijn vriendinnen in Den Haag attendeerde mij op de Schiller-kraag en een spotprent van Louis Ramaekers: “Ik kan mij nog herinneren dat mijn grootvader op afkeurende toon over iemand kon spreken: “Hij droeg een Schillerkraag…”. Of nog laatdunkerder “De vent had ‘n Schillerkraagie an!” Mijn grootvader zei dat, als iemand zich in vrije tijds/sportkleding gekleed had bij serieuze activiteiten. Socialisten deden dat graag, om zo hun anti-burgerlijke houding te demonstreren.”
Desgevraagd becommentarieerde Rosalie Schoof, conservator Nederlands Openluchtmuseum: ‘De Schiller boord of kraag ken ik inderdaad (woeste kragen van de dichter Schiller). Wordt geassocieerd met een platte, slappe kraag als tegenstelling tegen de gangbare, modieuze gesteven boorden. Deze kragen associeer ik vooral met vrijetijdskleding, zeiloutfits, vroege polo’s. Die zijn al terug te vinden in vroege reclames voor mannenmode, eind jaren ’20, begin jaren ‘30. Vooral als ook de vroege tricotweefsels in de mode komen. In deze jaren breekt de vrijetijdskleding langzamerhand door. Deze meelzakken zijn dan natuurlijk een bijzonder verhaal.’
[8] Rockland County Journal, VS, 18 mei 1912.
[9] The Daily Record (Long Branch, New Jersey), 16 mei 1912.
[10] The Standard Union (Brooklyn, New York), 18 december 1893, p.2.
[11] The Journal News (White Plains, New York), 26 september 1951.
[11A] New York Tribune (New York, New York), 23 januari 1921, p. 43.
[12] The Peninsula Times Tribune (Palo Alto, California), 23 januari 1941.
In dit verband is het van belang te weten dat Aline Bouquié – Madame William Burls – een nicht was van Fred Meert. Zij zal veel contact hebben gehad met Gertrude Meert en haar dochters.
Aline Bouquié is auteur van Dans la Geôle Bruxelloise. Deux années sous le joug allemand. Parijs, 1917, waarin passages over de verkoop van meelzakken in Brussel.
[13] Clare M. Torrey was in 1964 voorzitter van de Belgian American Educational Foundation (BAEF) in New York.
[14] ‘Take Me Out to the Ball Game‘ is een van de bekendste Amerikaanse liederen. Het stamt uit 1908 en wordt bij iedere honkbalwedstrijd in de VS gezongen halverwege de zevende inning. Het publiek gaat staan en zingt:
“Take me out to the ball game,
Take me out with the crowd.
Buy me some peanuts and cracker jack,
I don’t care if I never get back,
Let me root, root, root for the home team,
If they don’t win it’s a shame.
For it’s one, two, three strikes, you’re out,
At the old ball game.”
NB. De missie van Hoover Institution anno 2026 is: ‘With its eminent scholars and world-renowned Library and Archives, the Hoover Institution is a public policy think tank that seeks to improve the human condition by advancing ideas that promote economic opportunity and prosperity, while securing and safeguarding peace for America and all mankind.’ (online, geraadpleegd 7 februari 2026)
[15] Saunders, Nicholas J., Trench Art. Materialities and Memoires of War. Oxford, Berg, 2003.
[16] The Millers’ Belgian Relief Movement 1914-15 conducted by The Northwestern Miller. Final Report of its director William C. Edgar, Editor of the Northwestern Miller, MCMXV
[17] St. Joseph News Press (St. Joseph, Missouri), 19 januari 1916
[18] Michael Billig zal in 2005 zijn sociale theorie presenteren, dat humor centraal staat in het sociale leven. Billig betoogt dat alle culturen spot gebruiken als corrigerend middel om gedragsnormen en gewoonten te handhaven. Billig, Michael, Laughter and Ridicule. Towards a Social Critique of Humour. Sage Publications, 2005.








































































