Een honkbaltenue van meelzakken met vuil en zweetvlekken

Onderzoeker Annelien van Kempen met honkbalbroek, HHPLM, foto: Marcus Eckhardt.

Tijdens ons meelzakkenonderzoek in de Herbert Hoover Presidential Library-Museum (HHPLM) in juni 2022 waren conservator Marcus Eckhardt en ik gefascineerd door twee kledingstukken gemaakt uit meelzakken.

Kleding voor volwassenen
We vonden een shirt en pantalon in onze maat te midden van dozen met kinderkleding. Welke volwassen personen hadden deze gedragen? Was het als werkmanskleding uitgegeven in bezet België?

Helaas verbood het museumprotocol om de kleren zelf aan te trekken, maar we konden het niet laten te experimenteren met passende fotografie.

Conservator Marcus Eckhardt toont het honkbalshirt met de clubnaam ‘American Commission’ en de -broek in de collectie van HHPLM, juni 2022. Foto: auteur.

Conservator Marcus Eckhardt herkent het honkbaltenue
Tot mijn verrassing wist Marcus Eckhardt op een later moment het shirt en de broek te identificeren: het was een honkbaltenue (‘baseball uniform’) gemaakt van meelzakken! Hij zag de onderstaande foto en herkende het shirt en de broek.
Bloemzakken ‘American Commission’ voorzagen in de behoefte aan een uniform shirt met clubnaam van Amerikaanse CRB-gedelegeerden in bezet België in de zomer van 1916.

De honkbalwedstrijd van CRB-gedelegeerden op de Léopold Club in Brussel op 4 juli 1916. Aan slag is Francis Potter, de catcher is Guillermo Hall. Foto coll. HHPLM.

Marcus schreef: “I may have some new information on the (large) shirt and pants. They may have been made and worn for a baseball game that American CRB people held in Belgium on July 4, 1916. We have a photo too that my colleague Lynn Smith shared with me from our photograph collection.”

Waren shirt en broek van deze honkbalwedstrijd? “Why do I think the shirt and pants we have are from this game? Well, that they still have the sweat stains in the armpits, as well as the dirt on them from playing the game. Most importantly, they look like the ones in the pictures of the game, which look like baseball uniforms from that time.”

 En Marcus spoorde meer foto’s op: “Here’s the link to the Hoover Institution’s slideshow, (HILA) where three more photos of the CRB baseball game are numbers 3/19 – 5/19.”[1]

Wie zijn de honkballers?

Groepsportret van de CRB-honkbalspelers op 4 juli 1916 in Brussel, Léopold Club. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Een van de foto’s bleek een groepsfoto van de honkballers. Zou het mogelijk zijn hun namen te vinden?
Identificatie van de mannen op de foto bleek een intensief karwei van enkele dagen. Er bestaan namelijk officiële portretfoto’s gemaakt van de CRB-gedelegeerden in België, maar op dergelijke foto’s poseren ze statisch in deftige herenkostuums voor de fotograaf. In actiefoto’s op het honkbalveld, gekleed in sportieve outfits gemaakt van American Commission bloemzakken, zien de mannen er compleet anders uit.

Met hulp van Jeffrey B. Miller uit Denver, auteur van vier boeken over de CRB en diens Amerikaanse vertegenwoordigers in België, lukte het de honkballers te herkennen.[2] Door vergelijking van de foto’s zijn we geslaagd in het identificeren van de meeste mannen.

Staand van links naar rechts:
Philip Barton Key Potter, New York City (32 jaar)
Frederic Meert, Brussel (43 jaar)
Barry Griffin
Oliver Williams DeGruchy (26 jaar)
Milton Brown, Glendale, Cincinnati, Ohio
Vernon Kellogg, California
Onbekend
Francis C. Wickes, Rochester, NY (26 jaar)
Edward Curtis, Boston (23 jaar)
Harry Dunn, Santa Barbara, Ca.

Zittend van links naar rechts:
Francis Hunter Potter, New York City (33 jaar)
(Joseph) Joe Green, Cincinnati, Ohio
Philip Platt, Scranton, Pa. (27 jaar)
Gilchrist Stockton, Jacksonville, Florida (25 jaar)
Guillermo Hall, Austin, Texas (45 jaar)
Carlton Bowden, St. Louis, Minnesota (25 jaar)
Gardner A. Richardson, Woodstock, Connecticut (32 jaar)
Onbekend

De honkbalwedstrijd van CRB-gedelegeerden op Club Léopold in Brussel op 4 juli 1916. Philip Platt is aan slag. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Honkbal – Baseball op de Léopold Club in 1916
De honkbalwedstrijden van de Amerikanen werden gespeeld op de sportvelden van de Léopold Club (tegenwoordig Royal Léopold Club) in Ukkel, Brussel.
Op zaterdag 17 juni 1916 werd een eerste wedstrijd gehouden tussen de teams van CRB-gedelegeerden in België resp. Noord-Frankrijk. De honkbalsport was vrij onbekend in België, daarom diende de wedstrijd ook als demonstratie van de sport voor de Belgische toeschouwers. ‘… after luncheon we drove out to the Leopold Club. There, before a curious crowd of Belgians, who doubtlessly thought we had gone entirely crazy, we started the baseball game.’[3]
In de vijfde inning brak een van de spelers, Prentiss Gray (31 jaar), op onfortuinlijke wijze zijn rechterarm. Om geen slechte indruk op de Belgische toeschouwers te maken ging de wedstrijd gewoon door en werd de geblesseerde man stilletjes afgevoerd naar het ziekenhuis.

Ruim twee weken later, op dinsdag 4 juli 1916, Independance Day, de belangrijkste Amerikaanse nationale feestdag, werd de tweede wedstrijd georganiseerd. Meerdere actiefoto’s en het groepsportret (inclusief Gray op de achtergrond in witte kleding met gebroken arm in het gips, leunend op een honkbalknuppel) getuigen van deze sportieve dag.

Honkbaltenues van een vooraanstaand kleermaker

Het etiket van John Accent in de honkbalbroek van M. Meert. Coll. HHPLM, foto auteur.

Een etiket in de honkbalbroek verwijst naar de vooraanstaande kleermakerij John Accent gevestigd in de Koninklijkestraat (Rue Royale) in Brussel. La Maison Jean Accent presenteerde zich in 1889 als ‘hatter et tailor’. Jean Baptiste Accent overleed in mei 1900, zijn echtgenote Catherine Demesmaeker (°Brussel 15-07-1858 +Woluwe 07-03-1932) zette de zaak voort. In 1910 verkreeg zij het recht haar kledinghuis ‘Hofleverancier’ (fournisseur de la Cour) te noemen.[4]

Het graf van John Accent en gezin in Oudergem, België.

In 1916 droeg de zaak de naam John Accent, naar zoon John Accent (°Brussel 13-10-1892 +Oudergem 17-11-1953), die bij overlijden genoemd wordt als oud-strijder tijdens WO I. Vanaf 1919 zette John Accent het kledinghuis voort met zijn zwager Léon Canonne.[5]

Maison John Accent maakte hoeden, kostuums en overhemden, maar ook uniformen, ruiterkleding en sporttenues.

Alleen de broek heeft het etiket van John Accent, het honkbalshirt niet. Mijn aanname is dat de broek op maat is gemaakt en de shirts als een one-size-fits-all ook door John Accent zijn geconfectioneerd,
Omdat honkbal niet werd gespeeld in Brussel, zal het model van het honkbaltenue in nauw overleg met de Amerikaanse opdrachtgevers tot stand zijn gekomen en tegelijkertijd een Brusselse touch hebben gekregen. Foto’s van Amerikaanse honkbaltenues rond 1910/20 tonen diverse modellen die gebruikelijk waren in de VS.

Om over de stoffen voor de kleding te kunnen beschikken moeten ettelijke tientallen lege meelzakken zijn aangeleverd bij de kleermakerij.[6]

De oorspronkelijke bedrukking in blauwe letters ‘American Commission’ was de clubnaam op de honkbalshirts. Coll. HHPLM, foto auteur.

Uit de groepsfoto blijkt de uniforme voorzijde van de shirts met de bedrukking ‘American Commission’ als de clubnaam.

Voor- en achterzijde van het honkbalshirt. Coll. HHPLM, foto auteur.

De achterzijde van het door HHPLM bewaarde shirt heeft een andere bedrukking, namelijk Belgian Relief Flour uit Toledo, Ohio. Mogelijk is er voor de achterzijde van de shirts gevarieerd in bedrukkingen en zijn meelzakken uit diverse staten gebruikt.
Het honkbalshirt met zweetvlekken onder de oksels heeft geen etiket, maar een vaag potloodschrift op de stof lijkt de naam ‘Eckstein’ te vermelden. Mogelijk een verwijzing naar CRB-gedelegeerde Fred Eckstein, die zijn Duits aandoende naam later wijzigde in Fred Exton. Exton werkte van april tot augustus 1916 voor de CRB in de provincie Brabant.

Het honkbalshirt onderscheidt zich door de mouwlengte, maar vooral door de kraag.

De kraag van het honkbalshirt. Coll. HHPLM, foto auteur.

Het CRB-honkbalshirt heeft een zgn. ‘Schillerkraag’. De kraag staat uit zichzelf meer omhoog.

Friedrich Schiller, de Duitse dichter en schrijver. Foto: online

De benaming Schillerkraag voor dit type boord, verwijst naar de Duitse dichter en schrijver Friedrich Schiller (1759-1805). Deze droeg hemden met een openstaande kraag, vaak versiert met franjes. [7]

Marcus Eckhardt noemt de kraag modieus: “After looking around a bit, I don’t think that 1916 Baseball jerseys in the US usually had this type of collar. It must have been very fashionable.

De honkbalbroek van Fred Meert

Voor- en achterzijde van de honkbalbroek. Coll. HHPLM, foto auteur.
Meelzak, verso, ‘Gift from Ontario’, originele bedrukking, 1914. Coll. WHI; foto: auteur
Meelzak, recto, ‘Castle. Maple Leaf Milling Coy’

De bewaarde honkbalbroek is gemaakt van Canadese meelzakken ‘Castle. Gift from Ontario (Canada) to the Motherland’ geleverd door de firma Maple Leaf Milling Coy. De Canadezen leverden hun meel in 98 lbs (45 kg) zakken aan en deze hadden een stevigere stof dan de Amerikaanse 49 lbs (22,5 kg) zakken.
De tailleband, sluiting met knopen en taillering van de broek zijn met vakmanschap ontworpen en geconfectioneerd. De pijpen van de broek zijn wijd en kort – tot onder de knie.

Op het etiket in de honkbalbroek staat de naam Meert en de datum 27-7-1916 geschreven.
Meert verwijst naar Frederic William Meert (°Shrewsbury, N.J., VS 1873 +White Plains, N.Y., VS, 24-09-1951), de CRB-gedelegeerde voor Brabant, van 1914-1917.
De datum laat zien dat de honkbalwedstrijden zullen zijn voortgezet ook na 4 juli 1916.

Frederic William Meert, CRB-gedelegeerde in de provincie Brabant van 1914-1917.

Meert’s gegoede komaf
Fred (of Fritz) Meert was van gegoede komaf. Hij verhuisde op 27-jarige leeftijd naar Brussel voor zijn medische studie. Zijn moeder verhuisde in 1907 naar Brussel, waar Fred zich met zijn gezin bijvoegde. De banden met België liepen via zijn grootouders van vader’s zijde: Pierre Joseph Meert en Virginie Huygh van Antwerpen. Grootvader Meert was notaris en oud-burgemeester van Mortsel.

De grootouders van moeder’s zijde waren Dr. William Holme Van Buren (°Philadelphia 04-04-1819 +New York 25-03-1883), een van de oprichters van het Bellevue Ziekenhuis, New York, en Louisa Dunmore Mott (°02-06-1821 +14-10-1893), samen met haar zus Adelaide Mott Bell gekenschetst als ‘leaders in New York society’. [8] Louisa’s vader was Dr. Valentine Mott, de belangrijkste chirurg van zijn tijd, mede-oprichter van de Faculteit Chirurgie van New York University en de eerste hoogleraar chirurgie aan deze universiteit.

Fred Meert’s ouders waren Charles Frédéric Meert (°Mortsel, B., 19-07-1839 +Shrewsbury, N.J., VS, 07-02-1888) en Adelaide Mott Van Buren (°VS, 1843 +Brussel 13-05-1912)[9]. Het echtpaar kreeg een dochter en twee zoons: Virginie (1867-1950), Frederic en Victor (1874-1931).

Vader Charles Meert was wijnhandelaar in New York City en vertegenwoordigde het Franse champagnehuis Moët et Chandon in de VS. Maar in 1886 ging het mis met zijn bedrijf, raakte hij financieel in problemen en twee jaar later pleegde hij zelfmoord. Fred Meert was toen 15 jaar.

Fred trouwde tien jaar later op 9 juni 1898 in New York met Gertrude Wendell Sturtevant (°Nyack, N.Y., VS, 1869 +Scarsdale N.Y., VS, 22-12-1952), de huwelijksinzegening vond plaats door de aartsbisschop van New York. Het echtpaar kreeg drie dochters Eloise (1900-1974), Constance (1902-1962) en Gertrude (1906-1989).
Gertrude Sturtevant was een erkend schilderes van Chinees porcelein. Ze gaf les en exposeerde met haar eigen werk en dat van haar leerlingen in New York in 1893.[10]
De carrière van Fred in de VS strekte zich uit van beurshandelaar tot verzekeringsagent. Omdat hij met zijn gezin in 1914 in Brussel woonde, trad hij toe tot de gedelegeerden van de CRB en werd verantwoordelijk voor de provincie Brabant.[11] Ook zijn oudste zus Virginie Meert woonde in Brussel tijdens de Duitse bezetting. Zij werkte voor het Belgische Rode Kruis, onder meer in het Koninklijk Paleis in Brussel, dat tot tijdelijk ziekenhuis was ingericht. [11A]

Samenstelling van Provinciaal Komiteit Brabant. CRB statistics, coll. HHPLM.

Klaarblijkelijk bouwden Gertrude en haar tienerdochters – in de jaren 1915/16 in de leeftijd van 15, 13 en 9 jaar- een interessante verzameling versierde meelzakken op, want de familie Meert heeft -sinds 1921 weer terug in de VS- in 1941 een collectie van 33 beschilderde en geborduurde meelzakken geschonken aan de Hoover Library on War, Revolution and Peace, voorloper van de huidige Hoover Institution op Stanford University.[12]
Zou het honkbaltenue deel hebben uitgemaakt van de schenking?

Foto van honkbalwedstrijd door Clare M. Torrey – 1964

Fragment uit brief van Clare M. Torrey aan Dr. Franz G. Lassner, 9 november 1964. Coll. HHPLM.

Oud- CRB gedelegeerde Clare Torrey[13] stuurde in 1964 een foto van de honkbalwedstrijd in 1916 aan directeur Lassner van HHPLM, waarbij hij schreef: ‘The intention was to make the uniform blouse out of flour sacks and, in fact, one of our members, Mr. William C. Hall, has such a garment. Would you like to have it? If so, I shall ask Mr. Hall.’ Lassner antwoordde dat hij het shirt graag voor de museumcollectie wilde hebben. Of het shirt daadwerkelijk geschonken is, is niet bekend. Wel weten we dankzij de foto’s dat Hall een van de honkbalspelers is geweest in Brussel.

 American Identity – 2025
In haar recent verschenen boek ‘Saving Europe. First World War Relief and American Identity’ heeft geschiedkundige Tammy M. Proctor, hoogleraar aan de Utah State University, Logan, Utah, VS, één van de actiefoto’s opgenomen.

Foto van de honkbalwedstrijd in Brussel op 4 juli 1916 met bijschrift in Tammy Proctor’s nieuwste boek ‘Saving Europe’ (2025) p. 27.

Het bijschrift luidt: ‘Jonge Amerikaanse mannen die voor de CRB werkten, namen deel aan recreatieve activiteiten zoals deze honkbalwedstrijd in Brussel in 1916. Ondanks de oorlog en de bezetting genoten de CRB-afgevaardigden van de kameraadschap die ze vonden in hun hulpverleningswerk en vertelden ze met plezier over hun leuke bezigheden, zoals picknicks, uitstapjes naar beroemde bezienswaardigheden en sporttoernooien.’

In haar actuele, kritische beschouwing van het CRB-werk in bezet België en Noord-Frankrijk reflecteert Proctor op de mentale instelling van de CRB-gedelegeerden: ‘Deze broederschap van Amerikaanse mannen deelde met andere Amerikanen die betrokken waren bij de oorlog en de naoorlogse hulpverlening, een culturele, raciale en ethische roeping, namelijk de drang om Europeanen te behandelen als objecten van sociale hervorming en om het continent te laten aansluiten bij hun eigen innerlijke voorstelling van Europa. In zekere zin beschouwden de CRB-gedelegeerden hun tijd in België als een gelegenheid om de westerse samenleving bij te schaven.’

De honkbalwedstrijden waren daarom niet alleen ontspanning, ze dienden ook een hoger doel. De uniforme honkbaltenues, gemaakt uit katoenen meelzakken met de opdruk ‘American Commission’, geïmporteerd in bezet België onder supervisie van de CRB-gedelegeerden, geconfectioneerd door de vooraanstaande Brusselse kleermakerij John Accent, droegen bij aan de verheven opdracht.

Hoover Institution en honkbal – 2026

De honkbalwedstrijd in Brussel op 4 juli 1916. Phil Potter bereikt het eerste honk. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Al jarenlang figureren de foto’s uit Brussel van de CRB-honkballers prominent in de diashow ‘Take me out to the ball game’ op de website van Hoover Institution, gevestigd op de campus van Stanford University. Van het meelzakkenverhaal achter de honkbaltenues zijn zij zich niet bewust. [14]

Trench art – de paradox van de honkbaltenues
Kunnen de honkbaltenues beschouwd worden als ‘trench art’, binnen het concept van Nicholas Saunders [15] dat hen definieert tot ‘items gemaakt door burgers, rechtstreeks uit materiaal dat in tijd en plaats wordt geassocieerd met de gevolgen van gewapend conflict’?
De handreiking om het ‘oorlogsmateriaal’, de zakken en honkbalshirt en -broek, vooreerst en altijd te beschouwen vanuit de spanning van het conflict van WO I, de CRB-gedelegeerden te onderzoeken vanuit de verwarring waarin zij en de mensen in hun omgeving leefden, biedt focus om de paradox te zien die in de broek en het shirt gevangen zit.

Uniform tenue
Honkbal had een militaire connotatie. Honkbal en het Amerikaanse leger hadden nauwe banden, al tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) speelden soldaten honkbal in hun vrije tijd. Toen de VS in 1917 toetraden tot de oorlog zorgden de professionele Amerikaanse honkbalclubs voor de uitrusting van militairen om in vrije tijd te kunnen honkballen. De clubs moesten spelers afstaan voor militaire dienst, wat tot discussie leidde of zij al dan niet ontheffing zouden moeten krijgen.

De CRB-mannen, veel sportieve studenten, arriveerden vanaf najaar 1914 in Brussel, ze zullen hun honkbal met -knuppel en handschoenen, ook hun honkbalkleding, in de bagage hebben meegenomen. Bovendien woonden er vele Amerikanen in Brussel. Waarschijnlijk speelden ze in hun vrije tijd altijd al honkbal. De benodigde materialen als thuisplaat, honken, etc. zullen ze hebben aangetroffen of georganiseerd bij de sjieke Club Léopold in Ukkel.
Voor de wedstrijden in juli 1916 wensten de honkballers een eigen identiteit als CRB-ers, ze wilden een uniform, onderscheidend teamshirt met clubnaam. Bewust of onbewust bracht het hen dichterbij een nationaal, militair imago.

Amerikaanse armoede
De stoffen van lege zakken hergebruiken voor kleding was in 1916 voor Amerikanen in eigen land het ultieme bewijs van armoede. Als het al nodig was verwijderde je de bedrukkingen en verborg je zoveel mogelijk de herkenning van de stof als hergebruikte zak.
In november 1914 promoten Amerikaanse meelfabrikanten het gebruik van katoenen zakken voor het verpakken van Belgian Relief flour als win-winsituatie: het kwam de noodlijdende Amerikaanse katoenindustrie ten goede en de door oorlog en honger geteisterde Belgische huisvrouw zou de geleegde zakken kunnen gebruiken om onderkleding van te maken. [16]

Orlando Evening Star, 27 april 1916

Een jaar later gooide de CRB de strategie om. In januari 1916 bezocht CRB-gedelegeerde P.H. Chadbourn de Amerikaanse president Wilson in Washington om er schande van te spreken dat, zoals hij beweerde: “Belgische kinderen in hemden van meelzakken met gaten voor hoofd en armen gekleed gingen.” Niets was minder waar, maar de CRB had Amerikaans geld nodig voor kleding voor de Belgen…[17]

Amerikaanse CRB-gedelegeerden die enkele maanden later geleegde zakken in oorlogstijd en bezetting terugvroegen van het CNSA en deze aanleverden bij een vooraanstaande Belgische kleermakerij in Brussel, erkend als hofleverancier, om er uniforme sporttenues van te maken, voelt binnen deze context aan als een ironische studentengrap.

De knoopsluiting van de honkbalbroek. Coll. HHPLM, foto auteur.

Alsof de mannen met hun demonstratiewedstrijd van honkbal aan het Belgische publiek de boodschap overbrachten: ‘wij kunnen hier in bezet België zelfs in zakken gekleed in onze vrije tijd recreëren en jullie laten zien wat voor ons Amerikanen een échte sport is’.[18]

 

 

Belgische rijkdom

Kinderen in schorten van zakken ‘American Commission’, Heverlee bij Leuven, provincie Brabant. Foto: Robert Bruyninckx.

Anderzijds zal dit Amerikaanse hergebruik van de meelzakken geïnspireerd zijn door het hergebruik van de zakken voor kleding, zoals geïntroduceerd door de Belgische bevolking. De zakken verleenden identiteit, het stelde Belgische vrouwen, meisjes en kunstenaars in staat hun vaderlandsliefde te demonstreren. Voor hen symboliseerden de bedrukte zakken geen armoede, maar rijkdom. De zakken brachten meel voor brood; eenmaal geleegd waren ze een souvenir, er was aan hen gedacht in tijd van oorlog. Naast onderkleding maakten zij met vaardige handen vooral bovenkleding van de zakken: leuke schorten en jurkjes toonden zichtbaar de bedrukkingen en kinderen gingen er trots mee op de foto.

Conclusie
De jonge Amerikanen in Brussel koesterden ook hun rijkdom en gingen trots op de foto in hun honkbaltenues.
Ze hebben waarde gehecht aan de meelzakken als fysieke representaties van hun thuisland. De zakken boden de Amerikanen identiteit als groep, het textiel en de bedrukkingen vormden vertrouwde bakens voor de mannen in den vreemde. Ze gaven betekenis aan hun relaties met de Belgische bevolking en de Duitse bezetter.
Thuisgekomen na de oorlog bewaarden ze het tenue als trofee, een souvenir voor de verrichting van goede daden, maar vooral toch als herinnering aan hun identiteit, het team, de kameraadschap, die hen door een beladen periode in een geïsoleerde wereld had heen geholpen.

Het honkbalshirt met zweetvlekken. Coll. HHPLM, foto auteur.

Daarom bewaart de Herbert Hoover Presidential Library-Museum anno 2026 een shirt met zweetvlekken onder de oksels en een vuile honkbalbroek.

Dank aan:
– Marcus Eckhardt, Lynn Smith, Jeffrey B. Miller.
– Hubert Bovens voor de biografische gegevens van de familie Meert in België.
– Hellen Grootendorst voor toezending van Louis Ramaekers’ spotprent.
– Rosalie Schoof, conservator Nederlands Openluchtmuseum.

 

Voetnoten
[1] Emailwisseling met Marcus E. Eckhardt, conservator HHPLM, in april 2024.

[2] Miller, Jeffrey B., WWI Crusaders. Denver, Milbrown Press, 2018, p. 434-436. Met citaten uit het dagboek van Prentiss Gray en brieven van Milton Brown. www.WWIcrusaders.com.

[3] In tegenstelling tot Noord-Amerika was honkbal in Europa een weinig beoefende sport. Tijdens WO I werd het in Engeland in de breedte geïntroduceerd door daar gelegerde Canadese militairen. Zij speelden onder meer een wedstrijd tegen een team Amerikanen die in Londen woonden.

Bron: blog.britishnewspaperarchive.co.uk – online

In Nederland is baseball geïntroduceerd in 1912 en werd het Engelse woord ‘baseball’ vertaald in het Nederlandse woord ‘honkbal’.
De introductie in België zal ook uit die tijd dateren. In Belgicapress vind ik voornamelijk krantenartikelen die over het Amerikaanse baseball rapporteren als immens populaire, commerciële sport waar grote geldbedragen in omgaan en die vooral bedoeld is voor weddenschappen.
– ‘Il faut se rendre compte que les Américains dépensent 60 à 70 millions par an pour le baseball; que le nombre des personnes qui assistent à tous les matches doit atteindre 50 millions‘ (Le Bien Public, 3 maart 1914).
– Over de salarissen van spelers in 1915: ‘Le recordman est John Mac Graw, des Géants de New York, qui a empoché la jolie somme de 30.000 dollars (150.000 francs).’ (Le Messager de Bruxelles, 16 maart 1916).

[4] Le Soir, 12 februari 1910.

[5] Léon Canonne was direct na het uitbreken van de oorlog vertrokken naar Engeland en had zich op 16 Savile Row, Regent Street in Londen gevestigd als kleermaker voor civiele en militaire tenues, bedoeld als een nevenvestiging van de Rue Royale in Brussel voor zijn uitgeweken Belgische landgenoten. L’Indépendance Belge (Edité en Angleterre), 29 oktober 1914.

[6] CRB-gedelegeerden voor de provincie Brabant zoals Meert, Potter en Exton, actieve honkballers, zullen Georges Pètre goed genoeg gekend hebben om via hem lege meelzakken te regelen. Pètre was lid van het provinciaal komiteit Brabant en voorzitter van het CNSA Comité de Vente des Sacs d’Amérique.

[7]

Louis Ramaekers, ‘Voor of tegen den schillerkraag. Tegen!’ 20 juli 1914, spotprent. Uit: De Nederlandse arbeidersbeweging tot 1918.

Een van mijn vriendinnen in Den Haag attendeerde mij op de Schiller-kraag en een spotprent van Louis Ramaekers: “Ik kan mij nog herinneren dat mijn grootvader op afkeurende toon over iemand kon spreken: “Hij droeg een Schillerkraag…”. Of nog laatdunkerder “De vent had ‘n Schillerkraagie an!” Mijn grootvader zei dat, als iemand zich in vrije tijds/sportkleding gekleed had bij serieuze activiteiten. Socialisten deden dat graag, om zo hun anti-burgerlijke houding te demonstreren.”

Desgevraagd becommentarieerde Rosalie Schoof, conservator Nederlands Openluchtmuseum: ‘De Schiller boord of kraag ken ik inderdaad (woeste kragen van de dichter Schiller). Wordt geassocieerd met een platte, slappe kraag als tegenstelling tegen de gangbare, modieuze gesteven boorden. Deze kragen associeer ik vooral met vrijetijdskleding, zeiloutfits, vroege polo’s. Die zijn al terug te vinden in vroege reclames voor mannenmode, eind jaren ’20, begin jaren ‘30. Vooral als ook de vroege tricotweefsels in de mode komen. In deze jaren breekt de vrijetijdskleding langzamerhand door. Deze meelzakken zijn dan natuurlijk een bijzonder verhaal.’ 

[8] Rockland County Journal, VS, 18 mei 1912.

[9] The Daily Record (Long Branch, New Jersey), 16 mei 1912.

[10] The Standard Union (Brooklyn, New York), 18 december 1893, p.2.

[11] The Journal News (White Plains, New York), 26 september 1951.

[11A] New York Tribune (New York, New York), 23 januari 1921, p. 43.

[12] The Peninsula Times Tribune (Palo Alto, California), 23 januari 1941.
In dit verband is het van belang te weten dat Aline Bouquié – Madame William Burls – een nicht was van Fred Meert. Zij zal veel contact hebben gehad met Gertrude Meert en haar dochters.
Aline Bouquié is auteur van Dans la Geôle Bruxelloise. Deux années sous le joug allemand. Parijs, 1917, waarin passages over de verkoop van meelzakken in Brussel.

[13] Clare M. Torrey was in 1964 voorzitter van de Belgian American Educational Foundation (BAEF) in New York.

[14]  ‘Take Me Out to the Ball Game‘ is een van de bekendste Amerikaanse liederen. Het stamt uit 1908 en wordt bij iedere honkbalwedstrijd in de VS gezongen halverwege de zevende inning. Het publiek gaat staan en zingt:
“Take me out to the ball game,
Take me out with the crowd.
Buy me some peanuts and cracker jack,
I don’t care if I never get back,
Let me root, root, root for the home team,
If they don’t win it’s a shame.
For it’s one, two, three strikes, you’re out,
At the old ball game.”

NB. De missie van Hoover Institution anno 2026 is: ‘With its eminent scholars and world-renowned Library and Archives, the Hoover Institution is a public policy think tank that seeks to improve the human condition by advancing ideas that promote economic opportunity and prosperity, while securing and safeguarding peace for America and all mankind.’ (online, geraadpleegd 7 februari 2026)

[15] Saunders, Nicholas J., Trench Art. Materialities and Memoires of War. Oxford, Berg, 2003.

[16] The Millers’ Belgian Relief Movement 1914-15 conducted by The Northwestern Miller. Final Report of its director William C. Edgar, Editor of the Northwestern Miller, MCMXV

[17] St. Joseph News Press (St. Joseph, Missouri), 19 januari 1916

[18] Michael Billig zal in 2005 zijn sociale theorie presenteren, dat humor centraal staat in het sociale leven. Billig betoogt dat alle culturen spot gebruiken als corrigerend middel om gedragsnormen en gewoonten te handhaven. Billig, Michael, Laughter and Ridicule. Towards a Social Critique of Humour. Sage Publications, 2005.

A friend in need a friend indeed – Antwerpen 1915

De Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem heeft een fraai geborduurde meelzak ‘ABC Olympic Graham Flour’ in de collectie. Het patroon van het borduurwerk is bovenop de originele bedrukking van de zak aangebracht. Een zwart, geel, rode banier ‘A friend in need a friend indeed‘ wappert fier boven een donkerbruine hoorn des overvloeds met goudgele tarwearen gevuld; een grijze adelaar vliegt op met de gekruiste stokken van de Belgische en Amerikaanse vlaggen geklemd in de poten, een gouden zon komt stralend op achter de vogel..

Origine meelzak

Meelzak (origineel), ABC Olympic Graham Flour. Belgische part. coll.

The Portland Flouring Mills Co., Dayton, Washington, VS, leverde zakken met ABC Olympic Graham Flour broodbloem aan de levensmiddelenbevoorrading voor bezet België eind 1914. De plaatselijke Belgian Relief commissie leverde de zakken meel aan in de haven van Seattle. Het Britse stoomschip SS Washington werd geladen met levensmiddelen en vertrok op 29 januari 1915 voor een reis van twee maanden vanaf de Amerikaanse westkust via het Panamakanaal over de Atlantische Oceaan naar de haven Rotterdam waar het op 30 maart 1915 aanmeerde.

Het Britse schip SS Washington vertrok op 29 januari 1915 uit Seattle/Portland en arriveerde op 30 maart 1915 in Rotterdam met levensmiddelen voor de bevolking van bezet België. Seattle Post-Intelligencer, 20 januari 1915.

Iconografie: vergelijk de borduurpatronen!
De iconografie van de adelaar, de hoorn des overvloeds, de graanhalmen en de banier ‘a friend in need a friend indeed‘ herkende ik van andere borduurwerken. De banier met ‘de vrienden’ kwam ik nu al zeven maal tegen op geborduurde meelzakken. Ik heb deze op een rij gezet. En voeg de foto toe van een meelzak met het overeenkomende patroon van adelaar, hoorn des overvloeds en graanhalmen, maar zonder banier (nr.3).

Nadat ik de vergelijking van de borduurpatronen had gemaakt, details had bestudeerd en de plaats van de verzamelingen lokaliseerde, kwam ik tot de conclusie: de borduurwerken op de bloemzakken zullen uitgevoerd zijn in Antwerpen in 1915/16, mogelijk in het Ouvroir van Antwerpen, waarover ik reeds twee blogs heb geschreven.

De banier ‘A friend in need a friend indeed’
In Antwerpen in 1915 zijn kennelijk drie borduurpatronen ontworpen voor het borduren op de meelzakken met als eerste element de banier ‘a friend in need a friend indeed‘, in de Belgische kleuren zwart, geel, rood. De Belgische ontwerper(s) bracht(en) de humanitaire relatie tussen België en de Verenigde Staten in beeld.
De representatie van een adelaar, een vogel in vlucht met wiekende vleugels, staat als tweede element centraal. Sinds 1782 is de zeearend, symbool van kracht, het nationale symbool van de Verenigde Staten.
– Patroon 1) De adelaar vliegt naar links (vanuit de kijker bezien) boven een hoorn des overvloeds gevuld met tarwearen, in zijn poten klemt hij de gekruiste vlaggenstokken van de Belgische en Amerikaanse vlag. Achter de korf met graanhalmen rijst de zon met gouden zonnestralen op (nrs. 1, 2, 3.)
– Patroon 2) De adelaar vliegt naar rechts boven een halve wereldbol, aan de onderzijde omrand met tarwearen. Rechts in Europa de Belgische vlag, links in Noord-Amerika de Amerikaanse vlag. In de vogelsnavel het midden van het banier (nrs. 4 en 5).
– Patroon 3) De adelaar vliegt naar links met het Amerikaanse schild en daarachter drie dikke graanhalmen tussen de poten geklemd. Boven de vogel een ster en daarboven wappert fier een gerafelde, Belgische vlag (nrs. 6 en 7).

De borduurwerken
De borduursters hadden beschikking over een veelvoud aan Amerikaanse meelzakken om hun borduurpatroon op aan te brengen. Ze hebben geen Canadese meelzakken gebruikt.
De handwerksters hebben eigen keuzes gemaakt in de kleuren van de borduurgarens die zij gebruikten. De banier is in wisselende kleuren zwart, geel en rood geborduurd. De adelaar heeft verschillende kleuren beige, bruin of grijs. De Amerikaanse vlag is op eigen wijze geïnterpreteerd gelet op aantal en kleur van de strepen en het aantal sterren. (In 1915 had de Amerikaanse vlag officieel 13 horizontale banen, bovenste en onderste in rood, en 48 sterren.) Ook het Amerikaanse schild is divers geïnterpreteerd, zie de verticale banen in de kleuren rood en wit.
Het borduren van de snavel van de adelaar bleek moeilijk. Uitvergroting van dit detail laat zien dat de snavel allerlei vormen heeft.

1) Collectie Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem

‘A friend in need a friend indeed’ met hoorn des overvloeds. Meelzak ABC Olympic Graham Flour, The Portland Flouring Mills, Co., Dayton, Washington, geborduurd, ca. 1915. Coll. KKvH Merksem

2) Collectie The UK Trench Art Site

A friend in need a friend indeed met hoorn des overvloeds. Meelzak, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. UK

3) Particuliere collectie België

Zonder banier, met hoorn des overvloeds. Meelzak Pillsbury’s improved Crown, Minneapolis, Minnesota, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. Ruth Shank, Brasschaat in 1986.

4) Collectie The UK Trench Art Site

‘A friend in need a friend indeed’ met wereldbol. Meelzak Belgian Relief Flour City of Topeka, Shawnee County, Kansas, geborduurd ca. 1915. Part. coll. UK

5) Particuliere collectie België

‘A friend in need a friend indeed ‘met wereldbol. Meelzak Cascade, Portland Roller Mills, Portland, Oregon, geborduurd ca. 1915. Let op detail rechts: stempel CNSA/NKHV Antwerpen met pelikaan. Part. coll. België

6) Particuliere collectie België

‘A friend in need a friend indeed’ met Belgische vlag en Amerikaans schild. Meelzak Semolino, Hays City Milling & El. Co., Hays City, Kansas, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. België

7) Collectie MoMu, Antwerpen

‘A friend in need a friend indeed’ met Belgische vlag en Amerikaans schild. Meelzak Belgian Relief Flour Bernet Craft and Kauffman Milling Co, Republic, Missouri, geborduurd, ca. 1915. Coll. Momu Antwerpen

8) Auction Potomack Company, VS
Het borduurwerk nr. 8 is gemaakt op basis van een vierde borduurpatroon. Ook in dit patroon is de adelaar centraal met de banier ‘a friend in need a friend indeed’ in zijn snavel. Toch wijkt het patroon af van de patronen uit 1915:
– De graanhalmen ontbreken in het patroon;
– Een bundel van zeven pijlpunten symboliseren eendracht;
– De Belgische vlag gaat half verscholen achter de Amerikaanse vlag;
– Een van de schilden is ‘lokaal’, het is het wapen van Antwerpen;
– De meelzak is voorzien van een brede kanten omranding;
– De versierde meelzak bevond zich in 2022 in de VS, de andere zeven bevinden zich in collecties in Europa.
– Het belangrijkste verschil zijn de jaartallen 1914-1918. Zij betekenen dat het borduurwerk tot stand is gekomen nà de Wapenstilstand.

Trench art van nà de Armistice
Het is een oorlogssouvenir waarin de naoorlogse relatie tussen België en de VS vanuit Antwerpse optiek is vastgelegd. Waar in 1915 de humanitaire, bevoorradingscomponent de iconografie bepaalde in de borduurpatronen, verdween deze uit dit borduurpatroon van nà 1918.
Dat maakt het zelfs mogelijk een militaire component in de relatie tussen België en de VS te koppelen, zoals een Amerikaans veilinghuis recent deed.
In 2022 was dit borduurwerk te koop en gaf het veilinghuis in Virginia, VS, online de toelichting: ‘… done after World War I by Belgians in gratitude for American servicemen who aided them in defeating the Germans…’ .

‘A friend in need a friend indeed’ met het wapen van België en Antwerpen 1914-1918. Belgian Relief Flour Listman Mill Co., La Crosse, Wisconsin. Borduurwerk en kant. Let op dat graanhalmen ontbreken. Foto website auction The Potomack Co. jan. 2022.

A friend in need is a friend indeed – fabels van Aesopius
Waar komt de uitdrukking ‘a friend in need a friend indeed‘ vandaan?
In de fabels van Aesopius, die toegeschreven worden aan de Griekse dichter Aesopus (ca. 620-560 v.Chr.), komt een verhaal voor waarin de oorsprong van het spreekwoord, zoals gebruikt in het borduurwerk, is te herkennen. In de verhalen van Aesopius maakt hij met de dieren een personificatie van mensen. Hoe is het toepasbaar op bezet België in 1915?

De beer en de reizigers
Er waren eens twee reizigers die hun tent opsloegen in het bos. Midden in de nacht kwam een beer op hen af. Eén reiziger klom in een boom, terwijl de ander niets beters wist te verzinnen dan te gaan liggen en zichzelf voor dood te houden. De beer naderde hem, snuffelde met zijn snuit bij het oor van de man; en, na een minuut, ging de beer toch weg. De eerste reiziger klom uit de boom en vroeg nieuwsgierig aan zijn medereiziger wat de beer hem in zijn oor had gefluisterd. Hij antwoordde dat de beer hem op het hart drukte voortaan zijn vrienden beter uit te kiezen.
De moraal van het verhaal: in nood leert men zijn vrienden kennen:
De beer is onmiskenbaar het Duitse keizerrijk dat België onverhoeds binnenviel op 4 augustus 1914. De tweede reiziger is België. De eerste reiziger kan niet anders zijn dan Groot-Brittannië dat weliswaar op militair terrein te hulp kwam, maar door een handelsembargo en importblokkade de toevoer van levensmiddelen overzee naar bezet België onmogelijk maakte.

De origine van het spreekwoord
Het spreekwoord ‘a friend in need is a friend indeed’ wordt al sinds de oudheid gebruikt.
– De Romeinse filosoof Quintus Ennius (239-169 v.Chr.) schreef in het Latijn ‘Amicus certus in re incerta cernitur.’ wat betekent “Een betrouwbare vriend wordt gekend in onzekere tijden.”
– De Britse schrijver en dichter John Heywood stelde een verzameling spreekwoorden samen in de Engelse taal in 1546.
Daarin nam hij het volgende spreekwoord op: ‘Prove thy friend ere thou have need, but in deede. A friend is never known till a man have need’, wat betekent ‘een echte vriend wordt pas herkend wanneer er moeilijkheden ontstaan’.
(John Heywood is in België, in Mechelen gestorven. Als gelovig katholiek was hij uit Engeland gevlucht om aan vervolging te ontkomen.)
– De uitdrukking werd van lieverlee populairder en wordt tot op de dag van vandaag wereldwijd gebruikt.

‘A friend in need a friend indeed’ met de bundel van zeven pijlpunten en het wapen van België en Antwerpen 1914-1918, detail. Foto website auction The Potomack Co. jan. 2022.

Antwerpen

Stempel CNSA/NKHV Antwerpen met pelikaan

Antwerpen was in 1914/1915 een internationale havenstad waar de Engelse taal actief werd gebruikt. Zo is het spreekwoord ‘a friend in need a friend indeed’ verwerkt in de borduurpatronen die op de meelzakken zijn gebruikt om uitdrukking te geven aan de erkentelijkheid die de burgerbevolking van bezet België voelde voor de import van levensmiddelen, gefaciliteerd door Amerikaanse burgers.

‘A friend in need a friend indeed’
‘In nood leert men zijn vrienden kennen.’
‘C’est dans le besoin que l’on reconnaît ses vrais amis.’

De mystieke vrouw in zwart, geel en rood van Tony van Os, Bornem

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, (verso) op meelzak ‘American Commission’, circa 1915. Coll. IFFM, nr. IFF 005527. Foto: auteur

Het schilderij van Tony van Os, gekwast op een Amerikaanse bloemzak ‘American Commission’, heb ik bestudeerd in het depot van het In Flanders Field Museum (IFFM) in Ieper op mijn recente zakkenreis naar de Westhoek.

Tony van Os
Franciscus Antonius Aloysius (Tony) Van Os (°Antwerpen 21-06-1886 +Temse 05-09-1945) was een Belgisch kunstschilder, tekenaar en illustrator. Zijn œuvre bestaat voornamelijk uit Scheldezichten, landschappen, portretten en religieuze onderwerpen. Van Os huwde met Elisa Van Hoeymissen (x21-08-1912) en vestigde zich in Bornem-Buitenland aan de Schelde.[1] Het koppel kreeg drie kinderen.

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, (recto), meelzak American Commission, circa 1915, olieverf op katoenen zak. Coll. IFFM, nr. IFF 005527. Foto: auteur

De vrouw in zwart, geel, rood

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, detail

Op het olieverfschilderij zien we een vrouw gekleed in de Belgische kleuren zwart voor de rok, geel met rode biezen voor het jak, rood voor de hoofddoek waaronder wat krullend haar tevoorschijn komt. Op blote voeten, in haar linkerhand waarmee ze haar linkerbeen omklemt, een witte zakdoek -symbool van overgave-, die contrasteert met de zwarte rok. Haar linkervoet wankelt op een stapel ruïnestenen.
De vrouw zit op een muur in ruïne, op de achtergrond een witte nevel, het water van de Schelde, waarin reflectie van dorp en bomen op de achtergrond, daarboven lage rivierhuizen en de kerktoren van de Onze-Lieve-Vrouw-en-SInt-Leodegariuskerk in Bornem.
Aan de linkerzijde achter de vrouw staan huizen in brand, flarden grijze rook stijgen op.

Palmtak en Amerikaanse vlag
De blik van vrouw is naar boven gericht. In haar rechterhand houdt ze een palmtak, symbool van overwinning, omhoog. Ze wijst naar de Amerikaanse vlag die boven haar hoofd wappert aan een vlaggenlijn.
De Amerikaanse vlag heeft 48 sterren, zes boven elkaar op acht rijen, de sterren met een punt omhoog. De vlag telt 29 horizontale banen.
(NB. In 1915 had de Amerikaanse vlag inderdaad officieel 48 sterren, zoals Van Os schilderde; de vlag had echter slechts 13 horizontale banen.)

In de rechteronderhoek de signatuur van Tony van Os, Bornhem.

Dankbaarheid van de schilder

GRATITUDE OF THE PAINTER TO THE AMERICAN COMMISSION

Tony van Os ondertekende met T.V.O. in de linkeronderhoek. Daar staat ook de zin: GRATITUDE OF THE PAINTER TO THE AMERICAN COMMISSION (Dankbetuiging van de schilder aan de American Commission).

In de rechteronderhoek de naam Tony van Os, Bornhem.

‘Infortunate Bornhem Thanking the AMERICAN FLAG.’

Ongelukkig Bornem
Op de achterzijde van het schilderij de originele print van de meelzak American Commission. En de tekst – een kwartslag gedraaid – ‘Infortunate Bornhem Thanking the AMERICAN FLAG’ (Ongelukkig Bornem, de Amerikaanse vlag dankend).


Iconografie – de schepping van een mystieke vrouw
Reflecterend op de iconografie en lezend over Van Os’ œuvre vraag ik me af wie de jonge Van Os heeft geportretteerd met de vrouw.
Tony van Os schilderde zijn kunstwerk in de verwarrende omstandigheden van de oorlog; dit werk valt onder de noemer ’trench art’, loopgravenkunst, het draagt de weerklank van het conflict.
Wat is de symboliek, is de afbeelding van de vrouw vanuit religie ingegeven? Wie is deze mysterieuze vrouw?
– Is zij Vrouwe Belgica, of de ‘Jeanne d’Arc’ van Bornem, zwaaiend met palmtak?
– Is zij een godin of zou zij in religieuze beschouwing de maagd Maria representeren?
Ze rijst blootsvoets op uit de ruïnes, toont eerst haar zwarte rok, vervolgens het gele jak, dan de hoofddoek in rood, alsof de Belgische natie zich opheft uit de ruïnes.
De witte zakdoek van de overgave klemt zij in haar linkerhand om haar linkerbeen, alsof ze haar tranen heeft gedroogd. Ze richt haar rechterarm omhoog en wuift met de palmtak van de overwinning waarbij ze wijst naar de wapperende Amerikaanse vlag aan de hemel. De Amerikanen faciliteerden de import van levensmiddelen in bezet België, als ware dit ‘manna dat uit de hemel viel’.
Op de achtergrond beelden van dorp en landschap, gekwast in de herkenbare schilderstijl van Van Os.

De felle kleuren van de weerbare vrouwenfiguur contrasteren met het eerdere werk dat de zeer jonge Van Os maakte en toonde op tentoonstellingen, o.m. in Antwerpen in 1911; Van Os was toen 24 jaar. De vrouw in Belgische kleuren schilderde hij waarschijnlijk in 1915 toen hij 29 jaar oud was en inmiddels getrouwd. Zou de echtgenote van Van Os model hebben gestaan voor de vrouw?

Enkele superlatieven uit een artikel over de tentoonstelling in Antwerpen in 1911:
– … dezen nog zeer jongen maar buitengewoon aangelegden kunstenaar …
– … De zielvolle weergave van de zachte, gelaten melankolie, ziedaar wel, naar  ik meen, de samenvatting van het karakter dezer kunst….
– … Zelden zagen wij werk van zoo verrassende innigheid…
– … Hoe deze schilder op harmonische wijze uiting heeft gegeven aan een diepe zielsbewogenheid blijkt verder uit schilderijen als …. diepzinnige ontroeringen van een meewarig kunstenaarsgemoed….
– … Zijn aandacht schijnt hij vooral te hebben gewijd aan lijn en gebaar, meer nog dan aan de kleur, zoodat deze soms wel hier en daar wat droog en schraal werd… [2]

Honderd jaar na de geboorte van Tony van Os was de beschrijving van zijn werk: ‘Met een omvangrijk œuvre ging Van Os de kunstgeschiedenis in als schilder van de Schelde, zonder uitbundigheid of stralende kleuren maar met een eigen stijl en koloriet, waarmee hij er in slaagde een eigen pikturale wereld te scheppen die doordrongen was van een mystieke vroomheid en weemoed, het land dat hij bewoonde eigen.’  [3]
Van Os was in september 1945 gestorven aan een ziekte, veroorzaakt door gevangenschap tijdens de bevrijdingsdagen van WOII, als slachtoffer van een niets ontziende repressie.

Dertig jaar eerder, tijdens WO I onder eendere niets ontziende repressie, schiep Van Os in eigen stijl en koloriet met zijn pikturale wereld een weerbare vrouw in zwart, geel en rood: uitbundig en in stralende kleuren; zijn creatie van een mystieke vrouw.*)


Geplakt etiket van Adèle Deswarte, Bruxelles, op achterzijde houten lijst.

Een oud, houten kader van Adèle Deswarte
De afmeting van het schilderij is 59×35,5 cm; inclusief de lijst is de afmeting van het kunstwerk 72×48 cm.
Op de achterzijde van het houten schilderijkader bevindt zich een geplakt etiket van Adèle Deswarte, Bruxelles. Met potlood staat 52×45 in het hout geschreven.
Adèle Deswarte (Vieux-Berquin, 1 april 1832 – Brussel, 27 september 1889) was ongehuwd en overleed in haar woning in de Rue de la Violette, nummer 28 in Brussel. Zij was al in 1868 verkoopster van schilder artikelen. Haar Comptoir des Arts in de rue Violette 28 werd na haar dood in 1889 verdergezet door Jules Leurquin en later door Albert Mendel. [4]
Adèle overleed in 1889 op 57-jarige leeftijd, en verkocht tussen 1868 en 1889 schilder artikelen, dat is ruim 20 jaar. Als Van Os de meelzak zelf heeft ingekaderd rond 1915, dan is het een oud kader dat is (her)gebruikt.

Tussen de lijst aan de achterzijde zijn Vlaamse kranten geklemd, misschien de Gazet van Antwerpen; Tony van Os’ vader was stichter en directeur van deze krant.

Veiling
Het In Flanders Fields Museum heeft in 2022 het schilderij aangekocht in Gallery St. John in Gent. Op de website van Gallery St. John lees ik dat het schilderij toen was toeschreven aan Tony van Os. [5]

Conclusie
Mijn conclusie is dat dit schilderij beslist van de hand van Tony van Os moet zijn. Waarschijnlijk geschilderd in 1915, Van Os was toen 29 jaar; mogelijk is de bloemzak tentoongesteld geweest in Antwerpen, eind 1915, begin 1916. [6]

Tony van Os schilderde een opmerkelijke voorstelling op meelzak. De iconografie heeft eigenheid binnen de honderd schilderijen op bloemzak die ik tot heden heb bestudeerd en geregistreerd en waarover ik het artikel ‘De kunst van de meelzak’ heb geschreven.

 

Dank aan
– De medewerkers van het Kenniscentrum IFFM, Ieper;
– Hubert Bovens voor de biografische gegevens van de kunstenaar;
– De Kunstvrienden Jacques Laperre en Karl Scheerlinck.

Voetnoten:
*) Betekenis ‘mystiek’ (bijv nw) 1. geheimzinnig, onverklaarbaar; 2. te maken hebbend met mystiek -het streven om één te worden met God.

[1] Website Koewacht, een dorp op de grens. Geraadpleegd 1 november 2025.

[2] Deelen, Ary, Kunstberichten. Uit Antwerpen: Koninklijk kunstverbond tentoonstelling van werken van Tony VAN Os 4 tot 15 Februari 1911. Onze Kunst. Jaargang 10. L.J. Veen, Amsterdam 1911, p. 101

[3] Hammenecker, Tjen, Het wezen der dingen is mystieke weemoed. Honderd jaar Tony van Os. De Voorpost, 20 juni 1986, p. 13

4] Informatie uit teksten opgesteld door onderzoeker Jacques Laperre

[5] Geraadpleegd op 1 november 2025

[6] L’Indépendance Belge (Edité en Angeleterre), 4 maart 1916; De Stem uit België, 31 maart 1916 (uitgegeven in Londen van 1916 tot 1919)

De kunst van de meelzak. Toelichting op dertien schilderijen.

De afbeeldingen op de meelzakken: wat vertelt de expressie van de kunstenaars in bezet België over de wijze waarop zij onder de Duitse bezetting leefden en uitdrukking gaven aan hun -verwarrende- ervaringen, zowel voor zichzelf als voor anderen?

Hier volgt een uitgebreide toelichting op de dertien schilderijen die als illustraties zijn opgenomen in mijn artikel De kunst van de meelzak.


‘Zij zullen hem niet temmen zoolang een Vlaming leeft’, 1916, meelzak ‘American Commission’, afm. 76×36 cm. Coll. G. Hollaert, België, foto auteur.

In de collectie Hollaert in Dendermonde bevinden zich vijftien beschilderde bloemzakken in ongepolijste expressie van Belgisch patriottisme. De schilderstijl lijkt afkomstig van een en dezelfde schilder. Eén van de zakken draagt de signering ‘S. Chotteau’. Hij of zij schilderde landschappen langs de IJzer, Koning Albert, akkers met graanschoven en de Vlaamse leeuw die zijn ketenen verbreekt. In de grimmige kop van de leeuw staan fel priemende ogen, tot uitdrukking gebracht in verf met de kleuren zwart, geel, rood. In naïeve schilderstijl spat de emotie en vaderlandsliefde van de zakken af.


Jean Brusselmans, ‘Fleurs’. Hommage Reconna(i)ssant des Travailleurs Belges 1915, bloemzak American Commission, 75 x 39 cm. Coll. HHPLM 62.4.231, VS, foto auteur.

JEAN BRUSSELMANS was 31 jaar in 1915 (Brussel, 13 juni 1884 – Dilbeek, 9 januari 1953). Brusselmans heeft geen aarzeling gekend om een meelzak te beschilderen; zijn ervaring als schilder van reclameborden kwam hem te pas. Hij maakte de keuze voor een geleegde zak met bedrukking in blauwe letters ‘American Commission’ en schilderde er twee takken rozen omheen. De rozen en takken zijn blauw, doornen steken akelig uit, aan de onderzijde houdt een plechtstatig, als banier gestrikt lint, de twee takken bijeen.

Blauw kent de natuur niet voor rozen. Brusselmans’ symboliek sluit aan bij de stijl van een groep van jonge Brusselse kunstenaars waarmee hij deelnam aan de eerste ‘Salon des Bleus’ gehouden bij Galerie Georges Giroux, eind december 1912.
Brusselmans blijkt geïnspireerd door een kunststroming in Rusland. In 1907 organiseerden kunstenaars rond Victor Borisov in Moskou een tentoonstelling vanuit het Russische symbolisme onder de naam ‘De blauwe roos’.
‘De Blauwe Roos liep hoog op met de Belgische auteur Maeterlinck. In hun kunstkringnaam stond de roos voor de smart, de doornen van het leven en de mooie geur. Het blauw kwam van Maeterlincks L’Oiseau bleu (de blauwe vogel), dat in 1908 in wereldpremière ging in Moskou. Onvatbare ‘blauwe’ kunst die de mens gelukkig maakt.’[1]

Aan de oproep om als kunstenaar zijn erkentelijkheid uit te drukken voor invoer van levensmiddelen gaf Jean Brusselmans op anarchistische wijze gehoor. Hij gebruikte geen vaderlandslievende symbolen en kleuren, bij hem geen Belgische vlag of de kleuren zwart, geel, rood. Hij schilderde in 1915 namens de ‘Travailleurs Belges’ (Belgisch Werkers) zijn ‘hommage reconnaissant’ gebaseerd op een jonge kunststroming.

Een onderscheidend kunstwerk tussen de beschilderde meelzakken, van een jonge Belg gemaakt tijdens het gewapende conflict waarin Rusland, België, Frankrijk en Groot-Brittannië de geallieerden waren; in navolging van het Russische symbolisme, gevoed door de Belg Maeterlinck, op een meelzak uit het toenmalig neutrale Amerika.

Jean Brusselmans, ‘Laboureur’. Coll. HHPLM 62.4.119.

Het schilderij op zak is anno 2025 bewaard in de VS in het museum opgericht voor de Amerikaanse oud-president Herbert Hoover, een fervent republikein.

Jean Brusselmans beschilderde een tweede meelzak met als titel ‘Laboureur’. De zak met bedrukking ‘Chicago’s Flour Gift’ toont een boer op klompen, spittend in zijn akker. Ook dit item bevindt zich in HHPLM nr. 62.4.119.


Philibert Cockx, ‘Nieuport’, Bruxelles, 1915, meelzak ‘Flour. Canada’s Gift’, afm. 48×94 cm. Coll. HHPLM 62.4.254, VS, foto auteur.

PHILIBERT COCKX was 36 jaar in 1915 (°Elsene 29-04-1879 +Ukkel 02-09-1949). Hij schilderde twee figuren, een moeder en een dochter, zittend op ‘une brouette’ (een kruiwagen of plaggenkar) [1A], uitkijkend over de IJzervlakte. Nieuwpoort stad is in donker silhouet op de achtergrond met open sluizen, omhoog staande bruggen en schepen onder zeil die langs varen. De vrouwen nemen roerloos het landschap op. Cockx’s zomerse kleuren van 1915 zijn hoopvol, schilderde hij een idyllisch tafereel? Of verwijst hij naar de treurnis van een familie, die in de verte een echtgenoot, zoon, vader, broer, aan het front weet? Het front op Belgisch territoir waar legers tot stilstand waren gebracht?

Philibert Cockx, ‘Oogstende boer in graanveld’, 1915. Bloemzak ‘Cascadia’, Portland Roller Mills. Moulckers Collection, St. Edward’s University

Van Cockx zijn nog twee beschilderde meelzakken bekend. ‘Oogstende boer in graanveld’ op een bloemzak Cascadia van Portland Flouring Mills, Portland, Oregon, VS, bevindt zich in de Moulckers Collection, St. Edward’s University, Austin, Tx, VS. een jonge boer in een graanveld. Hij oogst de tarwe, schoven staan op de akker, het doek is omrand door geschilderde zwart, geel, rode bloemranken.

De catalogus van de Auderghem-expositie in 1915 vermeldt het werk ‘Village Flamand’; dit schilderij is waarschijnlijk naar de VS gestuurd, maar niet getraceerd.


Godefroid Devreese, ‘Au bénéfice d’alimentation 1914-1915’, meelzak ‘Perfect’, Gem State Roller Mill & Ele. Co., Ucon, Idaho. Coll. KMKG Tx 2626, België, foto auteur.

GODEFROID DEVREESE was 54 jaar in 1915 (°Kortrijk 19-08-1861 +Elsene 31-08-1941). Devreese bracht het Voedingswerk in beeld.
De beeldhouwer en medailleur maakte een monochrome tekening in roodkrijt van een kind met krullende haardos, blote armen en benen, gekleed in een schortje. Het zit op de grond en lepelt soep uit een steelpan; de onderbenen klemmen de pan vast. De tekst ‘AU BÉNÉFICE D’ALIMENTATION’ (‘ten voordele van de voeding’) staat in een boog om het kind heen, beginnend en eindigend in een tarwehalm. Een krans van zonnestralen benadrukt de letters. Het onderwerp is geschetst alsof het bestemd is (geweest) voor een plaquette of medaille. Het hoofdje van het kind vertoont enige gelijkenis met het hoofd van Mimine Schellecat, dochtertje van de kleermaakster van mevrouw Devreese, op een bronzen medaille uit 1906.

G. Devreese, hanger (recto), brons. Coll. en foto E. McMillan

Van hetzelfde ontwerp van Devreese is een hanger die geschenk was voor de medewerksters van de liefdadigheidstentoonstelling ‘Exposition d’Art et de Travaux Manuel, 1914-Bruxelles-1915’.

Kennelijk is er ook een kantwerk uitgevoerd met dit ontwerp; de collectie van het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis bewaart er de tekeningen en kantpatronen van.


Josué Dupon, ‘Grateful Belgium, JD’, 1915, meelzak ‘American Commission’, lithografie (recto). Coll. en foto National WWI Museum and Memorial, VS.
Josué Dupon, ‘Grateful Belgium, JD’, 1915, (verso). National WWI MM.

JOSUÉ DUPON was 51 jaar in 1915 (°Ichtegem 22-05-1864 +Berchem 13-10-1935). Dupon vluchtte in oktober 1914 naar Engeland en keerde begin 1915 terug naar Antwerpen/Berchem.
Zijn litho’s op deze meelzak zijn meer dan ‘gedrukte tekeningen’, ze bevatten impliciete boodschappen over voedingswerk en patriottisme.
Het silhouet van leeuwenklauwen geeft de adelaarsvleugels structuur, een doornenkrans omringt het Belgische wapen. In de kop van de adelaar met de twee graanstengels lijkt de kop van een leeuw te zien. En in de contouren van de adelaar zou het lichaam van de zwarte leeuw te zien zijn.

De zwarte leeuw, die de geur opsnuift uit zijn soepterrine, de goudgele letters ‘Grateful Belgium’ en het rood van het Amerikaanse shield vertegenwoordigen de kleuren zwart, geel en rood van de Belgische vlag.

Josué Dupon, ‘pelikaan voedt jongen’, medaille Hulp en Voeding, Antwerpen, 1915

Uit krantenartikelen blijkt dat Dupon samen met Piet van Engelen bij meerdere versieringen van bloemzakken betrokken was.[2]

Tijdens een feestelijk bijeenkomst in Antwerpen gaf het provinciale komiteit de vice-president van de Commission for Relief in Belgium een meelzak als geschenk ontworpen door Josué Dupon.

Het ontwerp was een theemuts met tekening van een pelikaan (in de krant verkeerd geïnterpreteerd als een zwaan of ooievaar). (L’Indépendance Belge, 22 augustus 1916)

Pelikaan voedt jongen, Antwerpen, 1915

De pelikaan die jongen voedt met eigen bloed was het merkteken van de Antwerpse Middenkomiteit.

Sinds de middeleeuwen staat dit beeld in de kunst symbool voor opofferingsgezindheid.

Overigens: ook de dochters van Dupon waren bij de Werken in Antwerpen betrokken.[3]


Marie Durand – ‘Les Cloches d’Eppeghem’, 1915, Bruxelles, afm. 61×41 cm. Coll. en foto M. Moulckers, VS.

MARIE DURAND was 49 jaar in 1915 (°Saint-Croix 01-09-1866 +Marcourt 12-08-1957). Zij kwastte op meelzak, van onbekende origine, het beeld dat zij op foto zag van ‘Twee Vriendinnen – De Klokken van Eppeghem’. ‘Elles appelaient ces jours-là: «dies irea», des jours de colère… Il en vint un dont la colère fut si terrible qu’elles n’en purent compter les coups. Elles en furent frappées si douloureusement qu’elles s’évanouirent au milieu de cette tempête de mort. Les deux amies jetèrent, en s’effondrant l’une près de l’autre, un cri sinistre comme un glas. Et les voilà gisant sur le sol, toujours inséparables, ayant chiffoné leurs atours si bien que les bas de leurs belles robes vert-mordorées semble frangé comme un suaire de luxe.[4]

De Grote Oorlog was de eerste industriële oorlog. De wapenarsenalen richtten grove verwoestingen aan. Ruïnes – het trauma van de Duitse invasie en bezetting- zijn het beeld dat schilders en fotografen vastlegden van het zwaar getroffen België.[5]

Marie Durand werkte 22 jaar als docente op verschillende middelbare meisjesscholen, de Ecoles Moyennes, in de agglomeratie van Brussel.
Zij zal celibatair gebleven zijn. Haar overlijdensdatum is nog niet gevonden, maar ze is op 91 jaar verhuisd naar Marcour in de Ardennen. Ze had daar in haar jeugd in de nabijheid gewoond, namelijk in Samrée.
Andere kunstwerken dan deze beschilderde meelzak kwamen nog niet tevoorschijn. Een onderzoeksvraag is of Durand als docente van de meisjesscholen invloed heeft gehad op het versieren van meelzakken door studentes van deze scholen in 1915. [6]


Rose Houyoux, ‘Allégorie’, To those Who gave us the Joy to be grateful’, 1915, meelzak Castle, Maple Leaf Milling Coy., Ontario, Canada – Canada’s Gift, afm. 94×107 cm. Coll. HHPLM 62.4.215, VS, foto auteur.

ROSE HOUYOUX was 20 jaar in 1915 (°Brussel 30-07-1895 +Elsene 02-09-1970). De dochter van Léon Houyoux beschilderde haar meelzak met een voedingsallegorie. De vrouwen lijken een representatie te zijn van Columbia -in blauwgroen- met een bundel korenhalmen en Dame Belgica -oranjerood- met uitgestrekte armen om het koren in ontvangst te nemen.

Léon HOUYOUX, ‘Fillette revenant de la distribution de pain’, Auderghem, (Belgium), 1915, afm. 84×31 cm. Coll. en foto M. Moulckers.

LÉON HOUYOUX was 59 jaar in 1915 (°Brussel 24.11.1856 – Oudergem 10.10.1940). Hij schilderde op bloemzak een meisje dat terugkwam van de broodverdeling. De gemeente Oudergem bezit het olieverfschilderij ‘Winterhulp’ van Houyoux. Het meisje in rood, wit, blauwe kleding lijkt zo weggelopen uit het schilderij, ze klemt het ronde brood, gebakken van Amerikaanse bloem, stevig tegen zich aan. Haar gele klompen en zwarte sokken vertegenwoordigen haar vaderland.

De verbinding in de patriottische expressie van vader en dochter ontvouwt zich in een detail op het schilderij van vader Leon. De letters ‘s, y en l’ linksboven aan de rand zijn de laatste letters van de woorden ‘us, joy en grateful’ van dochter Rose.

De catalogus van de Auderghem-expositie in 1915, vermeldt een tweede werk van Léon Houyoux: ‘Fillette revenant de la distribution de pain’; deze zak is nog niet getraceerd.


Paul Jean Martel, ‘The Return of King Albert, 22-11-1918, Bruxelles’, bloemzak Madame Vandervelde Fund, afm. 53×88 cm. Coll. en foto: Maclovia Martel.

PAUL JEAN MARTEL was 36 jaar in 1915 (ºLaken, België, 04-08-1879 +Philadelphia, Penn. VS, 26-09-1944). Martel nam deel aan de tentoonstelling in Oudergem. Hij bewaarde een lege meelzak en heeft deze uitzonderlijk beschilderd ná de bezetting. Martel schilderde de heroïek van de ‘Blijde Inkomst van koning Albert en koningin Elisabeth op 22 november 1918’. Het licht schittert op de meelzak; kleurrijke pasteltinten geven Martel’s blijdschap weer, gedeeld met duizenden mensen in Brussel.

De catalogus van de Oudergem-expositie in 1915, vermeldt twee eerdere werken van Martel. ‘My dear wife’ en ‘Printemps’ zijn genoemd in een krantenartikel. ‘(…) we trokken naar het Gemeentehuis, een klein, onaanzienlijk gebouwtje, waar in eene der zalen de tentoonstelling ingericht wordt van … Amerikaansche zakken. Prachtig zijn twee tafereelen, door M. P. Martel op het ruwe lijnwaad geborsteld; bijzonder zijne ‘Glimlachende vrouw’ is buitengewoon kleurrijk.[8]

Paul Jean Martel, ‘Vrouw met handwerk’, 1915; Coll. HILA, George I. Gay Papers; foto: HILA staff

‘My dear wife’ bevindt zich in HILA. Het etiket vermeldt: ‘George I. Gay Collection. Oil painting of woman sewing. 17” x 23” (schilderij in olieverf van vrouw die naait, br. 43 x h 58 cm).

‘Printemps’ of ‘Glimlachende vrouw’ is mogelijk geschenk gegeven door The Friends of Belgium aan de Girl Scouts in Brooklyn, New York in 1924. Amerikaanse krantenartikelen verwijzen naar dit werk als ‘the picture of a beautiful blond girl dressed in white with collar and cuffs in red and a blue bow at the neck’, maar de zak is nog niet getraceerd.[9]


Armand Rassenfosse, ‘Nu’, ‘Imprimé à Liège en 1915 sur sac américain’, meelzak ‘James River Falls’, The Dunlop Mills, Richmond, Virginia, VS. Privé-coll. België, foto N. de Rassenfosse.

ARMAND RASSENFOSSE was 53 jaar in 1915 (°Luik 06-08-1862 +Luik 28-01-1934). Hij etste het portret van een naakte vrouw op een bloemzak uit Virginia. Op andere meelzakken heeft hij portretten van mijnwerksters geëtst. Meerdere kunstenaars verheerlijkten in vooroorlogse jaren de jonge vrouwen met een loodzwaar en gevaarvol beroep als waren zij nimfen.[10] Rassenfosse had zijn etsen al eerder in vooroorlogse jaren gemaakt. Het overlijden van zijn zoon in 1913, het uitbreken van de oorlog, de zware gevechten rond zijn stad Luik, zullen hem zwaar op de proef hebben gesteld. Rassenfosse hield vast aan het hem bekende, de dagelijkse routine hield hem overeind.
Rassenfosse maakte deel uit van een groep Luikse kunstenaars die voor het goede doel 67 meelzakken beschilderden en bedrukten voor de grote liefdadigheidstentoonstelling, gehouden in de Académie des Beaux-Arts in Luik van 4-11 juli 1915.[11]

Van Rassenfosse zijn twee andere werken op meelzak bekend. ‘Hiercheuse’ (mijnwerkster) is een lithografie op meelzak uit de VS-westkust, collectie HILA Frederick H. Chatfield Papers. Hij noteerde op het doek ‘Etude pour un tableau’.
Het tweede werk ‘Hiercheuse. Imprimé sur toile de sac américain’, 1915, is een lithografie in de collectie van Musée de la Vie wallonne.


Louis Thevenet, ‘Stilleven’, 1915, meelzak, ‘American Relief for Belgium Flour milled by Wm. Kelly Milling Co., Hutchinson, Kansas, USA’. Coll. Atelier Martin Wallaert © den AST Halle/foto R. Cosaert.

LOUIS THEVENET was 41 jaar in 1915 (°Brugge 12-02-1874 +Halle 16-08-1930). Hij schilderde een stilleven zoals hij er vele heeft gemaakt. Maar dit kleine schilderij vulde hij specifiek met bezettingssymboliek. De kleuren zwart, geel en rood van stoel en strohoed – uit de vallei van de Jeker – rood, wit, blauw van de vaas met bloemen, waarnaast de soepkom, het tafelkleed in wit van de onschuld vult het halve doek, en contrasteert met het zwart van tafelpoot, plint en strohoedband. Een schetsboek ligt binnen op tafel. ‘Buiten’ – een groen veld met bomen tegen blauwe hemel – hangt ingekaderd aan de kamermuur.

Thevenet is erom bekend ook in latere werken via kleuren een vaak verdoken politieke boodschap te brengen. Zie ook Karel van de Woestijne over Zaal Giroux juni 1915, dagboeken, blz. 480: ‘Thévenet blijft mij lief om zijne vranke eerlijkheid.’


Henri Thomas, ‘Jeune femme au manchon’, 1915, meelzak ‘White Fawn’, Duncombe Bros, Waterford, Ontario, Canada. Coll. KBR Prentenkabinet, België, foto auteur.

HENRI THOMAS was 37 jaar in 1915 (°Sint-Jans-Molenbeek 22-06-1878 +Brussel 22-11-1972). Hij maakte een gravure in zacht vernis van een jonge vrouw van goeden huize, gekleed in donkere jas, haar gehandschoende linkerhand in een mof stekend. Ze heeft een starende blik, haar ogen en mond staan triest en afgewend als om misère te verwerken. Haar lichte hoofdbedekking op donker, kort geknipt haar lijkt een verpleegsterskap. Haar beeltenis associeert met de vele jonge vrijwilligsters die na het uitbreken van de oorlog in de geïmproviseerde hospitalen de zorg namen voor gewonde soldaten -hun mannelijke leeftijdsgenoten- ze zagen hen lijden en sterven.

Henri Thomas maakte meer werken op bloemzak: ‘Mouth of the Eyser’ and ‘A Child’s Head’ zijn aangeboden op een tentoonstelling in New York in 1920.[12] De vindplaats is niet bekend.


Guillaume Van Strydonck, ‘Washington’s Spirit Does Flourish in USA’, 1914-1915 (New York 1908), meelzak Washington Flour A.B.C. Coll. St. Edward’s University, foto: Linzee Kull McCray

GUILLAUME VAN STRYDONCK was 54 jaar in 1915 (°Namsos, Noorwegen 10-12-1861 +Sint-Gillis 02-07-1937). Van Strydonck, docent aan de Academie van Schone Kunsten in Brussel, schilderde een leraar die lesgeeft aan vier jongetjes met boterhammen in hun hand, gekleed in rood, wit, blauwe schorten. Belgische symbolen ontbreken bij Van Strydonck, hij focust volledig op de VS, waaruit zijn kennis en levenservaring van het land naar voren komt. Van Strydonck kwam uit een gegoede familie, hij was een bereisd man. In 1911 trad hij toe tot de Vrijmetselarij in Brussel.

De skyline van New York, gezien vanaf de Hudson, tekende hij in detail. De schilder noteerde: ‘G.S. Van Strydonck 1914-1915. (New York 1908)’ en hij signeerde zijn werk verticaal met zijn naam.
Een foto van 1908 toont de toenmalige skyline van New York, bezien vanaf de Hudson. [13]

Guillaume Van Strydonck, Skyline New York op bloemzak 1914-1915. Coll. Moulckers
Een foto van de skyline van New York gezien vanaf de Hudson, rond 1908. Foto: online

De tekst ‘Washington’s Spirit Does Flourish in USA‘ weerspiegelt in de Hudson.

Guillaume Van Strydonck, Washington’s Spirit does Flourish in USA’, bloemzak 1914-1915. Moulckers coll.

De kunstenaar verwijst naar het gedachtengoed van George Washington, de 1e president van de Verenigde Staten die schreef over eventuele Amerikaanse interventies in het buitenland in het geval van noodsituaties: ‘(…) we may safely trust to temporary alliances for extra-ordinary emergencies. Harmony, liberal intercourse with all nations, are recommended by policy, humanity and interest’.[13a]
Op 22 februari 1915 werd in België de verjaardag van George Washington gevierd. Amerikaanse vlaggen en Amerikaanse kleuren werden overal getoond.[14]

Guillaume Van Strydonck, Stock Exchange, Bruxelles, 1914-1915. Part. coll. USA

Een tweede bloemzak van Van Strydonck bevindt zich in de collectie van Mike Moulckers, Tx., VS. De schets toont de ‘Stock Exchange’, het Beursgebouw van 1873 in Brussel. De origine van het doek lijkt door de resterende bedrukking op een ‘Belgian Relief Flour’ zak. Van Strydonck voegde ook hier letters toe aan de tekst. ‘(Belgia)n’s (…) were (Flouri)shing’.
De schets van het Belgische beursgebouw zou -in analogie met het andere schilderij- een verwijzing kunnen zijn naar de Amerikaanse Federal Hall op Wallstreet, New York, waar George Washington werd ingehuldigd als president. Op de trappen van dit gebouw legde hij in 1789 de president’s eed af.

Conclusie
Voedseltekorten en hongerlijden ontbreken in de iconografie.[15]
In analogie met de WO I symboliek van moedige soldaten en escapisme, brengt de meelzakken iconografie een representatie in beeld van gezonde en moedige vrouwen en kinderen. De kunstenaars in bezet België uitten zich al doende met vaderlandse propaganda tegen de vreemde bezettingsmacht. Hun verregaand escapisme is op te maken uit de idealisering van voldoende en lekker eten, loftuitingen en dankbetuigingen aan de vreemde mogendheid overzee. Ze geloofden in het eerste oorlogsjaar 1915 dat de hoge Belgische levensstandaard, mede dankzij hun creatieve bijdrage, hoe dan ook stand zou houden.

Voetnoten:

[1] Hoffmann, I., e.a., Het Russiche Symbolisme. De Blauwe Roos. Brussel: Europalia International, catalogus Museum van Elsene, 2005

[1A] ‘Une brouette’, een kruiwagen of plaggenkar (in Engels: wheelbarrow), was voor schilders die ‘en plein air’ werkten een onmisbaar vervoermiddel.

Emile van Doren schildert, gezeten op zijn plaggenkar. Foto: Emile Van Dorenmuseum

Kristof Ruelens, conservator van het Emile Van Dorenmuseum in Genk,  schreef mij:  “Emile Van Doren (Brussel, 14 april 1865 – Genk, 19 mei 1949) herbruikte zo’n plaggenkar voor zijn schildersuitstappen, om zijn schildersdoeken, draagbare schildersezel en schilderskoffer met palet, tubes en penselen te vervoeren. En hij gebruikte het dan ter plaatse ook nog om op te zitten.”

Millet, ‘L’Angélus’, Coll. Musée d’Orsay, foto online

De kruiwagen op Philibert Cockx’s bloemzak roept ook een associatie op met het schilderij ‘Angélus’ (1857-1859) van Jean-François Millet, waarop een vrouw en man bidden op hun akker, staande voor hun kruiwagen met zakken aardappels.

 

 

[2] HILA CRB records 22003 Box 663.1 Rotterdam Office Clippings.

[3] Over Josué Dupon:
– dank aan Raf Cromheecke-Dupon te Kalmthout, die een omvangrijk archief van Josué Dupon bewaart en meerdere niet-gepubliceerde recensies over zijn werk schreef.
– Frieda Sorber  mededeling van 1/11/2020 : Wat de werkplekken in Antwerpen betreft. De juffrouwen Dupon, dochters van de beeldhouwer Josué Dupon, vertelden me op het einde van hun leven, ca. 1980, dat zij hielpen in een grote werkplaats voor Vrouwen in een grote zaal in Antwerpen-zuid.

[4] Ardan, Felix, ‘Les Cloches d’Eppeghem’, 1 december 1914, in: 1914 Illustré: revue hebdomadaire illustrée des actualités universelles, verschenen tussen 1914-1918.

[5] Rossi-Schrimpf, Inga, Kollwelter, Laura, 14/18 – Rupture or Continuity. Belgian Art around World War I. Leuven: Leuven University Press, 2018

[6] De Kunstvrienden hebben intensieve naspeuringen gedaan naar leven en werk van Marie Durand.

[7]—

[8] Geïllustreerde Zondagsgazet, 25 juli 1915

[9] The Brooklyn Citizen, 23 juni 1924

[10] Hilden, Patricia Penn, Women, Work and Politics. Belgium 1830-1914. Oxford: Larendon Press, 1993. Zie ook: Mélon, Marc-Emmanuel, Paradoxe esthétique et ambiguïtés sociales d’un documentaire photographique: La Houillère de Gustave Marissiaux (1904-1905). In: Art&Fact, no. 30, Luik 2011, p.146-156

[11] ‘Exposition des sacs d’Amérique’, Le Messager de Bruxelles, 7 juli 1915

[12] Abilene Weekly Reflector, 18 maart 1920

[13]
– Ekonomidès, C., Guillaume Van Strydonck [1861-1937] Florida 1886, Indië 1891. De reizen van de impressionistische schilder. Catalogus Charlier Museum, Brussel, 2002.
– Dank aan Luc Dewilder voor de foto uit 1908 van de New York skyline.

[13a]Washington’s Farewell Address to the People of the United States’, gepubliceerd in de Philadelphia Daily American Advertiser, 19 september 1796. Washington sprak zich uit tegen bondgenootschappen met andere landen, het zou leiden tot ongewenste onderlinge afhankelijkheid; maar buitengewone noodsituaties konden het tijdelijk vragen.

[14] Ashbury Park Press (Ashbury Park, New Jersey), 25 februari 1915

[15] Welke beelden zijn er van voedseltekorten en hongerlijden in bezet België in het eerste oorlogsjaar 1914/15? Foto’s in zwart-wit tonen stoere mannen actief in bevoorradingen van volle zakken, lange rijen geduldige mensen voor de hulpcentra van de komiteiten, tevreden kinderen met boterhammen.
Belgische kinderen zijn steeds ordelijk, welgemoed en -gekleed gefotografeerd, binnen de structuur van hun klas of school, ook het eetgerei ziet er verzorgd uit.
Maar foto’s uit andere Europese landen tonen een mengelmoes aan kinderen zich met verbeten gezichten en divers eetgerei, opdringen om eten te ontvangen. Inmiddels zijn er dus historici die zich van zulke foto’s bedienen om de honger van Belgische kinderen te illustreren…

Les sacs à farine peints. Une forme de l’art pendant la guerre

L’ article « Les sacs à farine: une forme de l’art pendant la guerre » qui suit, a été publié dans le deuxième numéro du livre « Kunstvrienden. – Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950 » (Les Amis de l’art – Chercheurs et collectionneurs d’art belge 1830-1950).

J’y présente les résultats de mes recherches sur les sacs à farine peints par des artistes belges en 1915. J’ai choisi d’expliquer ces résultats de manière plus scientifique à travers:
• Une définition des sacs à farine peints pendant la Première Guerre mondiale
• Un aperçu des expositions, des artistes et des collections
• L’identification du sac à farine comme de « l’ art des tranchées  » de la Belgique occupée
• Les contradictions dans l’historiographie concernant le contexte des sacs
• L’iconographie distinctive de la peinture belge de la Première Guerre mondiale.

Jean Brusselmans, « Fleurs », 1915, sac à farine American Commission. Coll. HHPLM. Photo l’auteur

Je conclus que les sacs à farine peints retrouvés, au nombre de plus d’une centaine et réalisés par soixante-dix artistes belges, méritent d’être examinés de près afin d’approfondir leur iconographie.

Bien que la plupart des œuvres d’art semblent être conservées aux États-Unis, grâce à une meilleure connaissance de ces sacs, de plus en plus de peintures apparaissent dans des collections privées belges en particulier.

La présence de jeunes Américains impliqués dans la distribution alimentaire aura influencé les artistes. L’art des sacs à farine témoigne d’un transfert culturel intrigant pendant la Première Guerre mondiale. Cela aura contribué à l’internationalisation de l’art belge.

Louis Thevenet, « Nature morte », 1915, sac à farine Wm. Kelly Milling Company, Hutchinson, Kansas, USA’. Coll. privé belge

Vous pouvez lire l’article ici : « Les sacs à farine: une forme de l’art pendant la guerre ».

En plus, j’ai rédigé une explication détaillée des treize sacs à farine peints qui illustrent l’article:
« Les sacs à farine: une forme de l’art pendant la guerre. Une explication de treize peintures » (article en néerlandais, veuillez utiliser le bouton orange « «TRANSLATE » pour la traduction).

 

Présentation du livre à Bruges, le 11 octobre 2025


Le samedi 11 octobre, la publication « Kunstvrienden. – Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950 II » a été présentée à Bruges lors de la troisième journée de rencontre des Amis. La publication compte 224 pages et 28 contributions.

Coordination: Jacques Laperre
Conception: Sam Vanoverschelde
Imprimeur: Drukkerij Stad Genk
Tirage: 250 exemplaires.

J’ai précédemment publié l’article: « Show beschilderde bloemzakken voor Kunstvrienden in MuZee ».

Flour Sacks. The art of war.

My article “Flour Sacks. The art of war.” has been published in the second publication of the Friends of Art – Researchers and Collectors of Belgian Art 1830-1950.
In the article, I present the results of my research specifically on the painted flour sacks done by Belgian artists in 1915. In a more academic approach I give my findings through:

  • A definition of the WW I painted flour sack
  • An overview of exhibitions, artists, and collections
  • The identification of the flour sack as trench art from occupied Belgium
  • The contradictions in historiography regarding the context of the sacks
  • The distinctive iconography within Belgian WWI paintings.
Jean Brusselmans, “Blue roses”, 1915, painted flour sack. Col. HHPLM

I conclude that the preserved painted flour sacks, over a hundred in number by seventy Belgian artists, deserve close examination to delve into the deeper layers of their iconography.
Although most of the art works seems to be preserved in the United States, due to increasing knowledge about the sacks, more paintings are emerging in Belgium, particularly in private collections.

The presence of young Americans involved in food distribution in occupied Belgium influenced the artists. The flour sack art bears witness to an intriguing cultural transfer during the First World War. This will have contributed to the internationalization of Belgian art.

Louis Thevenet, “Still life”, 1915, painted flour sack. Belgian pr. col.

You can read the article here: “Flour Sacks. The art of war.”

In addition to the article, I have written a blog with detailed explanation of the thirteen painted flour sacks that serve as illustrations for the article: “Flour Sacks. The art of war. Explanation of thirteen paintings.” (blog in Dutch, please use orange translate button for translation).

 

 

Book presentation in Bruges, October 11, 2025

On Saturday, October 11th, the publication “Friends of Art – Researchers and Collectors of Belgian Art 1830-1950 II” was presented in Bruges during the Third Meeting Day of the Friends. The publication contains 224 pages and 28 contributions.

Coordination: Jacques Laperre
Design: Sam Vanoverschelde
Printer: Drukkerij Stad Genk
Edition: 250 copies.

I previously published the blog: Show of painted flour sacks for the Friends of Art at Mu.ZEE

De kunst van de meelzak. Tweede publicatie van de Kunstvrienden.

Mijn artikel ‘De kunst van de meelzak’ is verschenen!
Het is gepubliceerd in de Tweede Publicatie van de Kunstvrienden, Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950.

In het artikel presenteer ik de resultaten van mijn onderzoek specifiek voor de in 1915 door Belgische kunstenaars beschilderde meelzakken. Daarbij heb ik er voor gekozen de uitkomsten meer wetenschappelijk toe te lichten met:

  • Een definitie van de beschilderde meelzak
  • Een overzicht van tentoonstellingen, kunstenaars en collecties
  • De identificatie van de meelzak als trench art uit bezet België
  • De tegenstrijdigheden in de geschiedschrijving over de context van de zakken
  • De onderscheidende iconografie binnen de Belgische WO I schilderkunst.
Jean Brusselmans, ‘Fleurs’, 1915, bloemzak American Commission, Coll. HHPLM, foto auteur.

Ik concludeer dat de teruggevonden beschilderde meelzakken, ruim honderd in getal van de hand van zeventig Belgische kunstenaars, een nauwkeurige beschouwing verdienen om door te dringen tot de diepere lagen van hun iconografie.

De meeste werken zijn tot heden teruggevonden in de Verenigde Staten, maar door de toenemende kennis over de zakken blijken de kunstwerken ook in België bewaard, met name in particuliere collecties.

De aanwezigheid van jonge Amerikanen, betrokken bij de levensmiddelendistributie in bezet België, heeft invloed uitgeoefend op de kunstenaars. De kunst van de meelzak getuigt van een intrigerende culturele overdracht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Deze zal een bijdrage hebben geleverd aan de internationalisering van de Belgische kunst.

Louis Thevenet, ‘Stilleven’, 1915, meelzak, ‘Wm. Kelly Milling Company, Kansas, USA’. Privé-coll. België.

U kunt het artikel hier lezen: ‘De kunst van de meelzak’.

Lees ook de uitgebreide toelichting op de dertien beschilderde meelzakken die als illustratie dienen bij het artikel: De kunst van de meelzak. Toelichting op dertien schilderijen.

 

 

Boekpresentatie in Brugge, 11 oktober 2025


Op zaterdag 11 oktober is in Brugge tijdens hun Derde Trefdag de tweede publicatie gepresenteerd van De Kunstvrienden, Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950. De uitgave telt 224 pagina’s en 28 bijdragen.
Coördinatie: Jacques Laperre
Vormgeving: Sam Vanoverschelde
Druk: Drukkerij stad Genk
Oplage 250 exemplaren.

 

Eerder publiceerde ik het blog: Show beschilderde bloemzakken voor Kunstvrienden in MuZee

 

Les sacs de farine canadiens et « l’hommage à l’Amérique » exagéré

Les sacs de farine décorés font écho au conflit qui les a créés. Il s’agit de l’art des tranchées réalisé en Belgique occupée. Ce sont des « objets fabriqués par des civils, à partir de matériel de guerre, directement associés, temporellement et spatialement, aux conséquences du conflit armé ».

Les sacs de farine décorés sont empreints d’inconfort et de paradoxe. L’imposant et exagéré « Hommage à l’Amérique » en fait partie: il a contribué au moral de la population de la Belgique occupée.*)

Diptyque sacs de farine canadiens « Castle »: « A la noble Amerique si bienfaisante, la Belgique reconnaissante. Amour à notre Reine. Mère de nos soldats. Gloire à notre Roi. Chef de nos héros ». Peint par l’Ecole libre des Sœurs de Notre-Dame, Anderlecht. Coll. HHPLM 62.4.4, photo de l’auteur

États-Unis et Canada
75 % des sacs de farine décorés que j’ai trouvés proviennent des États-Unis, 10% est inconnu.
15 % proviennent du Canada. Exemples: « Flour. Canada’s Gift ; Flour Canada’s Gift, Lake of the Woods Milling Company Ltd., Keewatin, Canada ; Belgian Relief County of Perth, Canada ; Farine offerte par les Citoyens de Valleyfield (province de Québec, Canada) aux habitants de l’Héroique Belgique », etc.: voir tableau.

Sac de farine canadien, « Boulanger Belge Reconnaissant » avec portrait de Brand Whitlock, « ministre-protecteur » américain en Belgique, « BDB », 1915. Peint. Coll. HHPLM 62.4.75, photo de l’auteur

En Belgique: Sacs américains, « Amerikaansche bloemzakken »
Pourtant, tous les sacs de farine sont dans le langage courant connus en Belgique sous les noms de « sacs américains », et de « Amerikaansche bloemzakken » quelle que soit leur origine aux États-Unis ou au Canada. Ils ont été brodés et peints des symboles des E-U, du drapeau, du bouclier américain, du portrait du ministre plénipotentiaire américain à Bruxelles, Brand Whitlock. Les textes rendent hommage à « l’Amérique »:

– Merci à l’Amérique
– Merci aux Etats-Unis!
– Vive l’Amérique
– A la noble Amérique si bienfaisante, la Belgique reconnaissante. Amour à notre Reine. Mère des soldats. Gloire à notre Roi. Chef de nos héros.

Certains sacs de farine rendent hommage au Canada.

«Remerciements chaleureux de la Belgique aux vaillants Canadiens», 1915, par l’ Ecole Professionnelle Bischoffsheim, Bruxelles. Sac de farine Perths Standard flour, donation de Perth County, Ontario. Coll. HHPLM 62.4.148, photos de l’auteur.
Sac de farine canadien, « Merci au Canada, Bruxelles, 1915 ». Ecole Professionnelle Couvreur, Bruxelles. Coll. HHPLM 62.4.163, photo de l’auteur

Identité cachée des sacs de farine canadiens
En faisant des recherches sur les sacs de farine, je m’attendais à ce que les sacs de farine canadiens soient décorés en Belgique d’un « Hommage au Canada ». Mais ce n’est pas le cas.
Mon hypothèse était-elle incorrect?
Pourquoi l’identité des sacs canadiennes serait-elle dissimulée sous le symbolisme américain? Six motifs me viennent à l’esprit.

1.Les jeunes brodeuses et les artistes belges ignoraient-ils la distinction entre les États-Unis et le Canada? Cela est peu probable car ils appartenaient à la partie aisée de la population et étaient bien éduqués. De plus, ils savaient que les soldats canadiens combattaient aux côtés des Alliés.

2.Ou, pour un motif pratique: les comités de secours et d’alimentation belges préféraient-ils conserver les véritables sacs de farine américains? Ont-ils donc mis à disposition un surplus de sacs de farine canadiens pour les transformer en souvenirs de guerre destinés à l’Amérique?!

3.L’importation de denrées alimentaires canadiennes aurait-elle suscité des interrogations auprès de l’occupant allemand? Le Canada avait rejoint la guerre après sa mère patrie, la Grande-Bretagne; les États-Unis, neutres, n’y participeraient qu’en avril 1917.

4. Serait-ce l’influence des journalistes et photographes de guerre américains? Ils pouvaient circuler librement en Belgique occupée. Leurs collègues canadiens, britanniques et français avaient sorti le pays. Les journaux américains avaient participé à de vastes campagnes de secours pour la « Poor Little Belgium ». Les journalists américains étaient encouragés à envoyer des preuves de réception de provisions en guise de remerciements convaincants et visibles.
Les bienfaiteurs canadiens n’ont-ils pas demandé des remerciements belges ?

5. Ou bien souligne-t-elle que, pour les citoyens de la Belgique occupée, l’hommage rendu à l’Amérique constituait une propagande globale par laquelle ils accomplissaient leur devoir patriotique, car ils pouvaient s’exprimer par leur patriotisme ? Était-ce le pendant de la propagande générale de la « Poor Little Belgium, un pays entièrement détruit, plongé dans la misère »?** Au début du conflit de telles exagérations permettront de susciter la sympathie du public pour la cause belge.

6. L’attitude ambiguë des Britanniques a-t-elle joué un rôle? La Grande-Bretagne, maître des affaires étrangères du Canada, s’était placée militairement en première ligne pour protéger la Belgique, accueilli les réfugiés belges, mais abandonné la population de la Belgique occupée. En réalité, la puissante nation britannique empêchait l’accès indispensable à la nourriture par un blocus commercial total et des mines marines devant tous les ports belges. L’identité canadienne aurait-elle pu être occultée par l’antipathie suscitée par ses relations avec le Royaume-Uni ?

Sac de farine canadien « Lily White », Wellesley Mills, Ontario. Gift of flour for Belgian Relief Fund from Wellesley Township, 1915. Brodé. Coll. privé Grande-Bretagne

En tout cas, la sympathie des citoyens de la Belgique occupée allait à la nation dont ils espéraient le secours: « l’Amérique ».***)

« Amerikanische Lebensmittel für Belgien » , journal allemand rapporte l’arrivée du SS Orn à Rotterdam. Hamburger Fremdenblatt, 5 décembre 1914

« L’Amérique nous sauverait »
La Belgique fut occupée par l’Allemagne en août 1914. Les frontières étaient fermées et le blocus commercial imposé par la Grande-Bretagne rendait impossible l’importation de céréales panifiables. Des négociations diplomatiques avec les pays neutres ouvrirent les frontières à l’approvisionnement alimentaire.

‘Mais non, le pays ne pouvait pas mourir, ne voulait pas mourir. (…)
 l’Amérique avait donné l’espoir qu’elle nous sauverait…[1]

Sac de farine « Flour. Canada’s Gift O», peinture d’un bateau (en couleurs américaines rouge , blanc, blue) à destination de la Belgique et d’une mouette: dans le bec un tige de blé. Col. privé belge.

Des cargaisons de farine panifiable américaine et canadienne arrivèrent en Belgique via le port de Rotterdam entre novembre 1914 et mai 1915. Afin de protéger les approvisionnements contre leur saisie par l’occupant allemand, les provisions furent stockées en Belgique sous la protection du drapeau neutre américain et des citoyens américains furent postés en Belgique occupée pour superviser.

Sac de farine canadien, The Dowd Milling Co., Pakenham (Ontario), «Merci à l’Amérique », Nassogne (province de Luxembourg), 1915. Brodé. Col. HHPLM 62.4.404, photos de l’auteur.

Les approvisionnements de farine panifiable étaient livrés successivement aux boulangeries belges, qui vidaient les sacs de farine et cuisaient le pain.
Les sacs de farine vides, joliment imprimés, ont attiré l’attention du public. La conviction était que leurs expéditeurs – les bienfaiteurs « américains » – avaient assuré la survie du peuple belge.

Contexte des importations alimentaires
En octobre 1914, le Comité National de Secours et d’Alimentation (CNSA) belge s’était retrouvé à Londres pour permettre l’importation de denrées alimentaires en Belgique occupée. Leur partenaire dans cet effort est devenu l’agence d’achat internationale privée, la Commission for Relief in Belgium (CRB), basée à Londres, en Grande-Bretagne, mais composée d’Américains « neutres » basés en Europe.[1A]

Selon les attentes belges, le CRB aurait une double mission: (…) c’est lui qui provoquera l’esprit de solidarité et la générosité mondiale et amassera les trésors qu’on lui enverra; c’est lui qui dirigera vers la Belgique les dons en nature qu’il aura reçus et les vivres qu’il aura achetés pour elle.[2]


‘Reconnaissance pour les Etats-Unis
Les délégués américains et espagnols de Londres et Bruxelles ont réussi de faire importer en Belgique, malgré la guerre des grains et autres produits alimentaires. Nous leur en sommes très reconnaissants et dans ce conflit européen, la diplomatie n’a executé de plus bel et plus noble ouvrage.’[3]


Douze sacs de farine canadiens, pesant 98 Lbs, et dix sacs de farine américains, pesant 49 Lbs. Propagande belge pour l’approvisionnement en farine panifiable américaine, Bruxelles, 1915. Photo: « Heures de Détresse »

Le monde est venu en aide à la Belgique
Le monde est venu en aide, ce qui a amené la Belgique occupée à s’attendre à une nouvelle mission utile de la part de la CRB.
La Commission for Relief in Belgium avait encore, en Belgique, une autre charge dont les effets étaient utiles au pays.
Lorsqu’on nous fait une faveur, lorsqu’on nous accorde une grâce, ou que nous jouissons d’un bienfait, n’est-il pas d’une âme bien née de montrer à celui qui nous a assistés que nous sommes dignes des égards qu’il a manifestés pour nous? Comment le lui prouver autrement qu’en l’associant jusqu’aux plus petits faits de notre existence.
Le monde nous secourait, il fallait qu’il sut ce que nous faisions de ses secours et la Commission for Relief devait être là pour le dire.[4]

« Merci aux Américains », élèves et enseignants acclament l’Amérique dans l’auditorium de leur école à Bruxelles, devant l’objectif du photographe américain Paul Thompson. The Saturday Evening Post, 28 août 1915.

Réutilisation des sacs de farine – propagande
La réutilisation, la transformation et la décoration des sacs de farine ont offert aux créateurs – écolières, jeunes femmes et artistes – l’occasion de relier les bienfaiteurs aux plus petits événements de leur existence et de faire connaître au monde ce que la population belge avait fait de l’aide. Pour la deuxième fois, les sacs de farine ont été utilisés à des fins caritatives.

De manière organisée, les créateurs ont pu traduire leur profond patriotisme en images et symboles héroïques. Cela leur a permis d’accomplir leur devoir caritatif tout en menant une propagande patriotique. [4A]
La censure de l’occupant allemand et le blocus de la marine britannique ont fortement lié le patriotisme belge au symbolisme américain. Quelques cas isolés, témoignant du symbolisme canadien, ont constitué l’exception à la règle.

Sac de farine canadien « Flour. Canada’s Gift » avec drapeau et symboles canadiens, 1916. Peint. Col. IFFM

L’hommage à l’Amérique est largement exagéré
L’inscription « Hommage à l’Amérique » sur les sacs de farine était donc largement exagérée en février-mars 1915. **) Après tout, les sacs seraient tous renvoyés aux États-Unis pour être vendus afin de financer de nouvelles aides alimentaires.

Édouard Verschaffelt, « Pour l’Absent », Bruxelles, 1915. Sac de farine canadien, Lake of the Woods Milling Co., Keewatin, 1915. Peint. Collection Moulckers, Université St. Edward’s.

« Amerikaansche bloemzakjes.
Overal in België wordt thans door dames en schilders hard gewerkt om honderden en nog eens honderden leege bloemzakjes van het American Relief Fund door handwerk of schilderwerk te versieren. (…) Dit alles wordt gereed gemaakt, (…) om naar Amerika te worden gezonden als een hulde van de Belgen voor den door Amerika verleender steun, en het belooft een waardige hulde te worden, want er zal werk van eerste meesters bij zijn.»[5]
(« Sacs de farine américains. Partout en Belgique, dames et peintres s’affairent à décorer des centaines et des centaines de sacs de farine vides provenant de l’ American Relief Fund, à l’aiguille ou à la peinture. (…) Tout cela est en cours de préparation, (…) pour être envoyé en Amérique en hommage des Belges à l’aide apportée par l’Amérique, et cela promet d’être un hommage digne, car il comprendra des œuvres de grands maîtres. » )

« Terwijl ons uit het miljardenland allerlei benodigdheden toekomen om de in druk en nood verkeerende Belgische bevolking te helpen, heeft ons vrouwelijk element met zoveel fijnen tact als edelmoedig gevoel een middel gezocht en gevonden om de Amerikanen een blijk te geven van innige dankbaarheid. »[6]
(« Alors que ce pays milliardaire nous fournit toutes sortes de fournitures pour aider la population belge en détresse et dans le besoin, notre composante féminine a cherché et trouvé le moyen, avec tant de tact et de générosité, de témoigner aux Américains un profond remerciement. »)

Sac de farine canadien « To the Belgians Flour from the City of St. Catharines And Vicinity, Ontario, Canada, /Opwijck Brengt Hulde & Dank aan Amerika » (Opwijck rend hommage et remercie l’Amérique), 1915. Brodé. Col. privée belge. Photo: HOM, 2004

« Nous sommes toujours bien approvisionnés en nourriture: l’Amérique fournit tout. Vive l’Amérique! Nous recevons de la farine et de la farine brevetée chaque semaine. (…) Pour témoigner notre gratitude à nos bienfaiteurs, nous brodons maintenant des sacs de farine vides avec des dessins en trois couleurs et l’inscription : « Het dankbaar Opwijck aan de Vereenigde Staten », et d’autres. (…)
C’est ainsi qu ça fonctionnent dans tous les villages, et il semble que notre travail se vendra en dollars aux milliardaires qui veulent des memorials de la Belgique profondément ravagée. Les recettes sont pour nous. »[7]

Sac de farine canadien « Le conte de fées de l’aide alimentaire américaine », 1915. Peint. Col. HHPLM 62.4.89, photo de l’auteur

Le paradoxe de la gratitude: les dons frugaux des États-Unis
C’est maintenant que le paradoxe de la gratitude, « l’Hommage à l’Amérique » inscrit sur les sacs de farine, entre en jeu.
La promesse que les sacs décorés seraient renvoyés et rapporteraient un revenue important pour de nouveau secours, n’a pas été tenue.
• L’intention d’expédier les sacs de farine décorés aux États-Unis, annoncée avec enthousiasme, n’a eu lieu qu’après l’Armistice, à l’exception d’une cargaison envoyée à New York en 1915 à des fins de propagande.[8]
Les sacs ont permis de récolter une petite somme d’argent pour les opérations de secours.
• Les dons de la population américaine constituent qu’un faible pourcentage des importations alimentaires.[9] La population canadienne a contribué davantage en moyenne par habitant.[9A]

« Sadly far from true »
Les représentants américains du CRB ont explicitement répété au monde à maintes reprises que les contributions américaines étaient frugales.


Laurence Wellington – provincie Luxemburg:
‘Mr. Wellington (…) brought with him many interesting souvenirs of his work in Belgium, including several American flour sacks artistically painted by women and children in that province.
“Americans are the real people in Belgium”, said Mr. Wellington. “They do not seem to be able to sufficiently show their gratitude for what the American people, through the Commission, have done for them. The commonest expression to be heard anywhere by the Americans in Belgium is:- “Sauf par vous, nous serons morts de faim”;- “But for you we would have starved to death”.’[10]

Sac de farine canadien « Flour. Canada’s Gift, Hulde en Dank » (Hommage et remerciements), 1916, Leerbeek. Brodé. Col. HHPLM 62.4.439 author’s photo

Samuel Seward jr.-Provincie Limburg:
To the Belgians the relief that has come to them is a very simple thing – the practical expression of your providential, generous sympathy. And their response is as simple and direct. What matter that the complex significance of the Commission escapes them – its wide international scope, its unique diplomatic problems, its efficient engineering methods of administration?
(…)
for the average notary in his village, the peasant on his farm, or the nun in her convent, the one great fact is enough, – that actual hunger threatened them- when a great, friendly nation stepped in, in time, to save. (…)
One of my occupations at times of leisure was to say “Thank you” for some of the presents that came pouring into the office- not personal presents, but expressions of gratitude to you in America and elsewhere, friends whom those in Belgium had never seen. The favorite form was to take a flour sack, preferably one that had been specially stamped as gift flour from a certain town or mill, and to ornament it variously, with embroidery, drawn work, painting, in symbols of friendly “reconnaissance.” Sofa pillows were made in this way, table covers, workbags, tea-cosies, little dresses, even, and quaintly shaped caps.’[10A]

Sac de farine canadien « Most hearty thanks from the Belgian pupils to dear America. » Ecole Professionnelle Couvreur, Bruxelles. (1915) Col. HHPLM 62.4.255, photo de l’auteur

Edward Eyre Hunt, provincie Antwerpen:
‘There was something almost ritualistic in the reiteration of their gratitude.’[11]

Charlotte Kellogg, née Hoffman. The San Francisco Examiner, 3 juin 1916

Charlotte Kellogg, née Hoffman:
‘Mrs. Kellogg said that there is great gratitude in Belgium towards the United States. “The mass of people in Belgium believe that we are doing everything, even though this is sadly far from true,” she said. “In money the United States has taken care of Belgium about one month of the two and one quarter years of the war.”[12]

« à Monsieur F.H. Chatfield, Délégué à la Commission de Secours en Belgique. Souvenir de la remise des récompenses aux élèves de l’Ecole Moyenne Professionnelle de demoiselles de la Ville de Liège », 1er août 1916. Photo: Ernest Würth, Liège. HILA F. Chatfield Papers box 53008 enveloppe mB.

Frederic Chatfield, Provincie Luik:
‘The country is given credit far beyond its merits. ‘I felt a sense of shame. It seemed as if I were receiving this extraordinary tribute of which I was not worthy. (…) The Belgians give America all the credit for the relief that is saving their lives. The work is carried on by Americans, our stores are known as American stores, $150.000.000 worth of foodstuffs have been purchased in the US and bear the American label.
France and England notwithstanding the heavy expenses of the war are providing the CRB with $10.000.000 a month, more than the US has contributed in nearly two years and a half. Knowing this it is no wonder I felt that I was the unworthy recipient of a great honor.
(…) he presented me with a large bouquet of roses, and this is what he said as he pressed the flowers into my hand: “If we had known that one day these roses would come into the hands of an American, we would have cultivated them with greater care.”
That was the sentiment. It was not for Fred Chatfield that the good wishes, the admiration, the eternal gratitude of this people was expressed, but for an American, typifying the regard of the Belgians for America and all Americans.’[13]

Sac de farine canadien « Donated to the Belgian People, The Heroic Nation, May God bless them. From Fort Frances, Canada, 400 bags no. 1 flour ». « L’Union fait la force ». « Vive la paix ». Anderlecht, 1915. Col. HHPLM, photo de l’auteur

Pénurie alimentaire et famine
La propagande en faveur de l’approvisionnement alimentaire de la Belgique occupée a toujours été si forte qu’aujourd’hui encore, la réalité est difficile à affronter. Les hommages conservés sur les « sacs américains » contribuent à la formation continue du mythe.

«The idea that (American) philantropy spared Belgian children from going hungry is blatantly untrue.» (Nel de Mûelenaere, 2021). [14a]

Au total, l’aide à la Belgique occupée a échoué en matière d’aide alimentaire, de production et de distribution locales de denrées alimentaires. L’importation de denrées alimentaires a couvert au maximum 25 % des besoins; en 1915, elle a contribué à contrôler les prix; dans les années 1916-1918, il y eut de graves pénuries et de la famine.[14b]

« Canadian Gifts for Destitute Belgians », (Dons canadiens aux Belges démunis), Canada, 16 novembre 1915. Col. HHPLM

Le Canada a-t-il été remercié?
En septembre 1914, des Belges vivant au Canada avaient pris l’initiative de collecter des secours pour la Belgique par l’intermédiaire de l’Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique, établie à Ottawa et à Montréal.[15]

La population canadienne, déjà impliquée dans la guerre, répondit avec enthousiasme et collecta de nombreuses approvisionnement de secours et de l’argent. Les navires canadiens chargés de secours furent parmi les premiers à arriver à Rotterdam.

Le SS Calcutta, chargé de dons de secours du Canada, quitta Halifax le 19 décembre 1914 et arriva à Maashaven, Rotterdam, Pays-Bas, le 8 janvier 1915. Archives HILA CRB, 22003, box 619.

Par conséquent, Émile Francqui, directeur du CNSA à Bruxelles, écrivit une lettre de remerciements au trésorier de l’Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique, H. Prud’homme, à Montréal, le 15 décembre 1914. Il s’adressa à Prud’homme en tant que Belge et compatriote, le remerciant pour les biens si appréciés dans « votre malheureux pays »:
‘C’est à vous que nous devons cet heureux résultat et nous ne pourrons jamais assez dire combien nous vous en sommes reconnaissants et jusqu’à quel point vous avez là servi les intérêts de votre malheureux pays.
(…) avec nos remerciements et ceux de milliers de gens que vous avez ainsi secourus (…)’[16]

Une idée surprenante: l’identité canadienne des sacs pourrait également être cachée sous le symbolisme américain, car les bienfaiteurs canadiens et/ou les organisateurs de l’aide canadienne à la Belgique étaient des Belges vivant à l’étranger…

« Merci au Canada » Het 14-18 Boek. De kleine Belgen in de Grote Oorlog (Le livre 14-18. Les petits Belges dans la Grande Guerre), par Daniël Vanacker

Table des matières: blogs sur les sacs de farine canadiens
Lake of the Woods Milling Company, Keewatin, Kenora, Canada

Canadese bloemzakken met Belgische dank aan het ‘Moederland’

One million bags of flour from Canada to Great Britain

Dank van Puers/Flour Canada’s Gift



Notes de bas de page:
*) DE SCHAEPDRIJVER, S., De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog. Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Atlas, 1998, p. 114-115
Sophie de Schaepdrijver a utilisé l’expression « gigantisch opgeblazen » (« complètement exagérée ») pour désigner l’autorité du ministre plénipotentiaire américain Brand Whitlock en Belgique. L’idée était que la protection américaine contribuait au moral de la Belgique occupée.
« Whitlock werd een grotere macht toegeschreven dan hij in werkelijkheid bezat; zijn titel van « ministre protecteur » van het voedselhulpwerk werd gigantisch opgeblazen tot beschermheerschap van heel het land tegen de hebzucht en willekeur van de bezetter. » (« Whitlock s’est vu attribuer un pouvoir plus grand qu’il n’en possédait réellement ; son titre de « ministre protecteur » de l’aide alimentaire a été gigantesquement élevé au rang de « protecteur du pays tout entier contre l’avidité et l’arbitraire de l’occupant. »)

**) JAUMAIN, S., Un regard original sur la Belgique en guerre. Le Devoir de Montréal (1914-1918). Dans: Michael Amara et al., Une Guerre total? La Belgique dans la Première Guerre mondiale. Nouvelles tendances de la recherche historique. Bruxelles, 2005 p. 343-365. 5.3.  « Un pays dévasté? », p. 357

***) PROCTOR, T.M., U.S. Food Aid and the Expectation of Gratitude, 1914-1950, 2011. La validation de l’aide américaine aux pays étrangers est devenue tributaire de la gratitude des bénéficiaires. Elle a déterminé les relations entre les États-Unis et les pays européens. « American leaders called for assistance for war victims with the understanding and expectation that Europeans would not only understand and welcome the aid, but would also show appropriate gratitude. »
Le nouvel ouvrage de Proctor a récemment été publié: PROCTOR, T.M., Saving Europe. First World War Relief and American Identity. Oxford University Press, 2025.
Proctor a également écrit un blog sur la politique américaine actuelle d’aide étrangère: « The end of the « American Century»?». Oxford University Press’s Academic Insights for the Thinking World, 16 février 2025.

[1] PICARD, E., Heures de Détresse. L’Œuvre du Comité National de Secours et d’Alimentation et de la Commission for Relief in Belgium. Belgique 1914 – 1915. Bruxelles: CNSA, L’ Imprimerie J -E Goossens SA, 1915, p. 17

[1A] PROCTOR T., London & the Making of Herbert Hoover. Blog sur le site du North American Conference on British Studies, 17 janvier 2025

[2] Heures de Détresse, p. 20

[3] Lloyd anversois: journal maritime emanant des courtiers de navires, 25 decembre 1914

[4] Heures de Détresse, p. 21

[4A] DE SCHAEPDRIJVER, S., Shaping the Experience of Military Occupation: Ten Images. Rossi-Schrimpf, Inga, Kollwelter, Laura, 14/18 – Rupture or Continuity. Belgian Art around World War I. Leuven: Leuven University Press, 2018, p. 43-58.

[5] De Vlaamsche Stem: algemeen Belgisch dagblad, 12 juin 1915

[6] De Kempenaar, 21 mars 1915

[7] Lettre de Celine Geeurickx-Moens à Opwijk, 5 avril 1915. Cité en De Belgische Standaard, 7 mai 1915

[8] America Feeding Belgian Children, Literary Digest, 12 février 1916.

[9] WILLIAMS, JEFFERSON and MAYFAIR, The Voluntary Aid of America. New York, Londres: 1918

[9A] PRINCE, B., Le Canada et la solidarité internationale à la Belgique (1914-1921). L’Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique. Revue Belge d’Histoire Contemporaine, LIV, 2024, 1-4.

[10] CRB Press Department, New York, 9 août 1915. HILA 22003 box 324 NY Office PR file 1915-1919

[10A] S.S. Seward, Jr. Delegate for Limbourg, Belgium, Juni – dec 1915. Professor Samuel Swayze Seward (1876-1932) – HILA Seward (Samuel Swayze) papers 1915-1932; collection nr. 40005

[11] HUNT, E.E., War Bread. A Personal Narrative of the War and Relief in Belgium. New York: Henry Holt & Company, 1916

[12] The San Francisco Examiner, 21 janvier 1917

[13] Cincinnati, 21 mars 1917. HILA, Frederick H. Chatfield papers 53008 Box 2

[14a] DE MÛELENAERE, N., Still Poor, Still Little, Still Hungry? The Diet and Health of Belgian Children after World War I. In J. Nordstrom (Ed), The Provisions of War: Expanding the Boundaries of Food and Conflict, 1840-1990 (pp.207-217) Article 12 (Food and Foodways). The University of Arkansas Press, 2021

[14b] SCHOLLIERS, P., Oorlog en voeding: de invloed van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische voedingspatroon, 1890-1940. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 11de jg., nr. 1, februari 1985;
NATH, GISELLE, Brood willen we hebben! Honger, sociale politiek en protest tijdens de Eerste Wereldoorlog in België. Antwerpen: Manteau, 2013

[15] PRUD’HOMME, H., L’Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique. Rapport relative aux dons reçus et aux expéditions faites vers la Belgique depuis l’organisation de l’Œuvre jusqu’au 5 février 1915. Montréal, 1915

[16] FRANCQUI, E., Lettre à H. Prud’homme, Montréal, December 15 décembre 1915. Lettre en copie carbone aux Archives de l’État belge, Bruxelles

Canadian flour sacks and the thoroughly exaggerated “Tribute to America”

The decorated flour sacks resonate the conflict that created them. They are trench art made in occupied Belgium. They are: “items made by civilians, from war material directly as they are associated temporally and spatial with the consequences of armed conflict”.
Decorated flour sacks are sacks full of discomfort and paradox. The huge and exaggerated “Tribute to America” is one of them – it contributed to the morale of the population in occupied Belgium.*)

Diptych Canadian flour sacks “Castle”: “A la noble Amerique si bienfaisante, la Belgique reconnaissante. Amour à notre Reine. Mère de nos soldats. Gloire à notre Roi. Chef de nos héros”. Painted by Ecole libre des Sœurs de Notre-Dame, Anderlecht. Coll. HHPLM 62.4.4, author’s photo

USA and Canada
75% of the decorated flour sacks I have found are flour sacks originating from the United States, from 10% the origin is unknown.

15% originated from Canada. Examples include: “Flour. Canada’s Gift; Flour Canada’s Gift, Lake of the Woods Milling Company Ltd., Keewatin, Canada; Belgian Relief County of Perth, Canada; Farine offerte par les Citoyens de Valleyfield (prov. Quebec, Canada) aux habitants de l’Héroique Belgique”, and so on: see table.

 

Canadian flour sack, “Boulanger Belge Reconnaissant” with portrait of Brand Whitlock, American “ministre-protecteur” in Belgium, “BDB”, 1915. Painted. Coll. HHPLM 62.4.75, author’s photo

In Belgium: American flour sacks/ “sacs américains”
Yet all flour sacks are in common parlance known in Belgium as “American flour sacks” and “sacs américains”, regardless of their origin being the United States or Canada.

Belgian Relief County of Perth, Canada, embroidered with American stars and stripes in the colors red, white and blue. Belgian private collection.

What is striking is that donations from Canada have been embroidered and painted by the Belgians with USA symbols, the flag, the coat of arms and the portrait of the American plenipotentiary minister in Brussels, Brand Whitlock. The texts pay tribute to “America”:
– Merci à l’Amérique
– Merci aux Etats-Unis!
– Vive l’Amérique
– A la noble Amérique si bienfaisante, la Belgique reconnaissante. Amour à notre Reine. Mère des soldats. Gloire à notre Roi. Chef de nos héros.

Some flour sacks pay tribute to Canada.

“Remerciements chaleureux de la Belgique aux vaillants Canadiens”, 1915, by Ecole Professionnelle Bischoffsheim, Brussel. Flour sack Perths Standard flour, donation of Perth County, Ontario. Coll. HHPLM 62.4.148, photos author.

 

Canadian flour sack, “Thanks to Canada, Brussels, 1915”. Ecole Professionnelle Couvreur, Brussels. Col. HHPLM 62.4.163, author’s photo.

Hidden identity of Canadian flour sacks
When doing research on the flour sacks I expected the Canadian flour sacks  to have been decorated in Belgium with a “Tribute to Canada”. But they are not.
Was my assumption incorrect?
Why would the Canadian identity of the sacks be hidden under USA symbolism? Six motives occur to me.

1. Were the young Belgian embroiderers and the Belgian artists unfamiliar with the distinction between the countries USA and Canada? This is unlikely because they belonged to the wealthy part of the population and were well educated. Furthermore, they knew that Canadian soldiers were fighting on the side of the Allies.

2. Or, a practical consideration: did the Belgian food committees prefer to keep the real, original, American flour sacks for themselves? Did they therefore make a surplus of the Canadian flour sacks available to be transformed into war souvenirs destined for America?!

3. Would the import of Canadian foodstuffs have raised questions with the German occupier? Canada had joined the war following its mother country Great Britain; the United States was neutral and would not join the war until April 1917.

4. Could it have been the influence of American journalists and war photographers? They were allowed to move freely in occupied Belgium. Their Canadian, British and French colleagues were gone. The American newspapers had been involved in extensive relief campaigns for “Poor Little Belgium”. Their journalists in Belgium were encouraged to send proof of receipt of provisions in convincing, visible expressions of gratitude.
Were the Canadian benefactors not interested in Belgian thanks?

5. Or does it emphasize that for citizens in occupied Belgium, the tribute to America was all-encompassing propaganda through which they fulfilled their patriotic duty as they could express themselves in patriotism? Was it the counterpart of the general propaganda abroad shaping a dramatic “Poor Little Belgium” image of a devastated country? At the beginning of the conflict, such exaggerations helped to arouse public sympathy for the Belgian cause.**)

6. Did the ambiguous attitude of the British play a role?
Great Britain, in control of Canada’s foreign affairs, had militarily put itself on the front line as protector of the nation of Belgium, welcomed Belgian refugees, but abandoned the population of occupied Belgium. In fact, the mighty British nation prevented the much-needed access to food through a complete trade blockade and sea mines in front of all Belgian ports. Could the Canadian identity have been hidden due to the antipathy for its relationship to the United Kingdom?

Canadian flour sack “Lily White”, Wellesley Mills, Ontario. Gift of flour for Belgian Relief Fund from Wellesley Township, 1915. Embroidered. Private. col. Great Britain

Anyway, the sympathy of the citizens in occupied Belgium went to the nation they expected to rescue them: “America”.***)

“Amerikanische Lebensmittel für Belgien”, German newspaper report on the arrival of the SS Orn in Rotterdam. Hamburger Fremdenblatt, December 5, 1914

“America would save us”
Belgium was occupied by Germany in August 1914, the borders were closed, the trade blockade of Great Britain made import of bread grain impossible. Diplomatic negotiations with neutral countries opened the borders for food supplies.

‘Mais non, le pays ne pouvait pas mourir, ne voulait pas mourir. (…)
l’Amérique avait donné l’espoir qu’elle nous sauverait…’[1]
(‘But no, the country could not die and would not die. (…)
America gave us hope that it would save us…’)

Flour sack “Flour. Canada’s Gift O.”, painted with ocean steamer (In American and Belgian colors) and seagull with wheat stalk in its beak. Part. coll. Belgium

Cargoes of American and Canadian bread flour arrived in Belgium via the port of Rotterdam between November 1914 and May 1915. To protect the supplies from being seized by the German occupiers, the provisions were stored in Belgium under the protection of the neutral USA flag and American citizens were stationed in occupied Belgium to supervise.

Canadian flour sack The Dowd Milling Co., Pakenham, Ontario, “Merci à l’Amérique”, Nassogne, Province of Luxembourg, 1915. Embroidered. Col. HHPLM 62.4.404, photo author

The supplies of bread flour were delivered successively to Belgian bakeries, they emptied the flour sacks and baked bread.
The emptied, attractively printed “American” sacks caught the attention of the public. The conviction was that the senders of the sacks – the benefactors in “America” – had guaranteed the survival of the Belgian people.

Background to the food imports
In October 1914, the Belgian Comité National de Secours et d’Alimentation (CNSA) had found itself in London to enable the import of food in occupied Belgium. Their partner in the effort became the international, private, purchasing agency, the Commission for Relief in Belgium (CRB), based in London, Great Britain, but staffed by European-based “neutral” Americans. [1A]

According to high-minded Belgian expectations, the CRB would perform a dual task:
(…) c’est lui qui provoquera l’esprit de solidarité et la générosité mondiale et amassera les trésors qu’on lui enverra; c’est lui qui dirigera vers la Belgique les dons en nature qu’il aura reçus et les vivres qu’il aura achetés pour elle.[2]

(1. “(…) the Commission will arouse the spirit of solidarity and universal generosity and gather the treasures that will be sent to it;
2. the Commission will remit to Belgium the donations in kind that it has received and the food that it will buy with them.”)


‘Reconnaissance pour les Etats-Unis
Les délégués américains et espagnols de Londres et Bruxelles ont réussi de faire importer en Belgique, malgré la guerre des grains et autres produits alimentaires. Nous leur en sommes très reconnaissants et dans ce conflit européen, la diplomatie n’a executé de plus bel et plus noble ouvrage.’[3]

(Despite the war the American and Spanish delegates from London and Brussels have succeeded in importing grain and other food products into Belgium. We are very grateful and in this European conflict, diplomacy has been carried out in the most beautiful and noble way.)


Twelve Canadian bags of flour, weighing 98 lbs, and ten American sacks of flour, weighing 49 lbs. Belgian propaganda for American bread flour supplies, Brussels, 1915. Photo: “Heures de Détresse”

The world came to Belgium’s aid
The world came to help, causing occupied Belgium to expect yet another useful task from the CRB.
La Commission for Relief in Belgium avait encore, en Belgique, une autre charge dont les effets étaient utiles au pays.
Lorsqu’on nous fait une faveur, lorsqu’on nous accorde une grâce, ou que nous jouissons d’un bienfait, n’est-il pas d’une âme bien née de montrer à celui qui nous a assistés que nous sommes dignes des égards qu’il a manifestés pour nous? Comment le lui prouver autrement qu’en l’associant jusqu’aux plus petits faits de notre existence.
Le monde nous secourait, il fallait qu’il sut ce que nous faisions de ses secours et la Commission for Relief devait être là pour le dire
.”[4]

(“The CRB performed another useful task for Belgium.
When someone grants you a favor, a privilege, or a benefit, it is fitting that you, as a well-mannered person, let the person who gave the support know that you deserve the attention you are receiving.
What better way to show the benefactor that you are worthy than by connecting him with the smallest events of your existence? The world came to our aid, so the people of the world had to know what we were doing with its aid, and the Commission for Relief had to be there to tell them.”)

“Merci aux Américains”, students and teachers cheer America in the auditorium of their school in Brussels in front of the camera lens of American photographer Paul Thompson. The Saturday Evening Post, August 28, 1915.

Reuse of the flour sacks – propaganda
The reuse, transformation and decoration of the flour sacks offered the makers – the schoolgirls, young women and artists – the opportunity to connect the benefactors “with the smallest events in their existence” and to let the world know what the Belgian population had done with the relief. For a second time, the flour sacks were used for charity.

In an organized manner, the makers were able to translate their strong patriotism into heroic images and symbolism. It enabled them to fulfill their charitable duty as well as to conduct patriotic propaganda.[4A] The censorship of the German occupier and the blockade by the British navy led to a strong link of Belgian patriotism with American symbolism. A few individual cases showing Canadian symbolism formed the exception to the rule.

Canadian flour sack “Flour. Canada’s Gift” with Canadian flag and symbolism, 1916. Painted. Col. IFFM

The tribute to America thoroughly exaggerated
The “Tribute to America” on the flour sacks was thus thoroughly exaggerated in February, March 1915. After all, the sacks would all be sent back to the USA to be sold for new food relief.

Edouard Verschaffelt, “Pour l’Absent”, Brussels 1915, Canadian flour sack Lake of the Woods Milling Co., Keewatin, 1915. Painted. Moulckers Collection, St. Edward’s University

“American flour sacks.
All over Belgium, ladies and painters are now working hard to decorate hundreds and hundreds of empty flour sacks from the American Relief Fund by needlework or painting. (…) All this is being prepared, (…) to be sent to America as a tribute from the Belgians for the relief provided by America, and it promises to be a worthy tribute, because it will include work by first masters.”[5]

“While all kinds of supplies are coming to us from the billion-dollar country to help the Belgian population in distress and need, our female element has sought and found a way with such fine tact and generous feeling to show the Americans a token of deep gratitude.”[6]

Canadian flour sack “To the Belgians Flour from the City of St. Catharines And Vicinity, Ontario, Canada, /Opwijck Brengt Hulde & Dank aan Amerika”, 1915. Embroidered. Belgian private col. Photo: HOM, 2004

“We are still well supplied with food: America provides everything. Long live America! We receive flour and patent flour every week (…) We now, to show our gratitude to our benefactors, embroider empty flour sacks with three-coloured drawings and the inscription: «Het dankbaar Opwijck aan de Vereenigde Staten» (grateful Opwijck to the United States), and others. (…) This is how they work in all villages and it seems that our work will sell in dollars to the billionaires who want memorials of deeply ravaged Belgium. The proceeds are for us.”[7]

Canadian flour sack “The fairy tale of the American food relief, 1915. Painted. Col. HHPLM 62.4.89, author’s photo

The paradox of gratitude – frugal donations from America
Now the paradox of gratitude, the “Tribute to America” on the flour sacks, comes in.
The promise that the decorated sacks would be sent back and would yield a large return for new relief was not fulfilled.

  • The intention to ship the decorated flour sacks to the US, – announced with great enthusiasm – only took place after the Armistice, with the exception of a shipment that was sent to New York in 1915 for propaganda purposes.[8] The sacks raised a minor amount of dollars for the relief work.
  • The people of the United States donated only a few percent of the food imports.[9]
    The Canadian population contributed more on average per capita.[9A]

“Sadly far from true”
The American CRB representatives have explicitly told the world time and again that the American contributions were frugal.


Laurence Wellington – Province of Luxembourg:
‘Mr. Wellington (…) brought with him many interesting souvenirs of his work in Belgium, including several American flour sacks artistically painted by women and children in that province.

“Americans are the real people in Belgium,” said Mr. Wellington. “They do not seem to be able to sufficiently show their gratitude for what the American people, through the Commission, have done for them. The commonest expression to be heard everywhere by the Americans in Belgium is:- “Sauf par vous, nous serons morts de faim”;- “But for you we would have starved to death.”[10]

Canadian flour sack “Flour. Canada’s Gift”. Hulde en Dank (Praise and Thanks), 1916, Leerbeek. Embroidered. Col. HHPLM 62.4.439 author’s photo

Samuel Seward jr.-Province of Limburg:
To the Belgians the relief that has come to them is a very simple thing – the practical expression of your providential, generous sympathy. And their response is as simple and direct. What matter that the complex significance of the Commission escapes them – its wide international scope, its unique diplomatic problems, its efficient engineering methods of administration?
(…)
for the average notary in his village, the peasant on his farm, or the nun in her convent, the one great fact is enough, – that actual hunger threatened them- when a great, friendly nation stepped in, in time, to save. (…)
One of my occupations at times of leisure was to say “Thank you” for some of the presents that came pouring into the office- not personal presents, but expressions of gratitude to you in America and elsewhere, friends whom those in Belgium had never seen. The favorite form was to take a flour sack, preferably one that had been specially stamped as gift flour from a certain town or mill, and to ornament it variously, with embroidery, drawn work, painting, in symbols of friendly “reconnaissance.” Sofa pillows were made in this way, table covers, workbags, tea-cosies, little dresses, even, and quaintly shaped caps.’[10A]

Canadian flour sack, “Most hearty thanks from the Belgian pupils to dear America.” Ecole Professionnelle Couvreur, Brussels. Col. HHPLM 62.4.255, author’s photo

Edward Eyre Hunt, province of Antwerp:
‘There was something almost ritualistic in the reiteration of their gratitude.’[11]

Charlotte Kellogg, née Hoffman. The San Francisco Examiner, June 3, 1916

Charlotte Kellogg, née Hoffman:
‘Mrs. Kellogg said that there is great gratitude in Belgium towards the United States. “The mass of people in Belgium believe that we are doing everything, even though this is sadly far from true,” she said. “In money the United States has taken care of Belgium about one month of the two and one quarter years of the war.”[12]

“à Monsieur F.H. Chatfield, Délégué à la Commission for Relief in Belgium. Souvenir de la remise des récompenses aux élèves de l’Ecole Moyenne Professionnelle de demoiselles de la Ville de Liège”, August 1, 1916. Photo: Ernest Würth, Liège. HILA F. Chatfield Papers box 53008 envelope mB.

Frederic Chatfield, Province of Liège:
‘The country is given credit far beyond its merits. ‘I felt a sense of shame. It seemed as if I were receiving this extraordinary tribute of which I was not worthy. (…) The Belgians give America all the credit for the relief that is saving their lives. The work is carried on by Americans, our stores are known as American stores, $150.000.000 worth of foodstuffs have been purchased in the US and bear the American label.
France and England notwithstanding the heavy expenses of the war are providing the CRB with $10.000.000 a month, more than the US has contributed in nearly two years and a half. Knowing this it is no wonder I felt that I was the unworthy recipient of a great honor.
(…) he presented me with a large bouquet of roses, and this is what he said as he pressed the flowers into my hand: “If we had known that one day these roses would come into the hands of an American, we would have cultivated them with greater care.”
That was the sentiment. It was not for Fred Chatfield that the good wishes, the admiration, the eternal gratitude of this people was expressed, but for an American, typifying the regard of the Belgians for America and all Americans.’[13]

Canadian flour bag “Donated to the Belgian People, The Heroic Nation, May God bless them. From Fort Frances, Canada, 400 bags no. 1 flour.” “L’Union fait la force”. “Vive la paix”. Anderlecht, 1915. Col. HHPLM, author’s photo

Food shortages and famine
The propaganda for the food supply of occupied Belgium has always been so strong that to this day the reality is hard to face. The preserved tributes on the “American flour sacks/sacs américains” contribute to the continued formation of the myth.

The idea that (American) philantropy spared Belgian children from going hungry is blatantly untrue.” (Nel de Mûelenaere, 2021). [14a]

In total, the relief for occupied Belgium failed in food aid, local food production and distribution. The import of food covered a maximum of 25% of the needs; in 1915 it helped to control prices; in the years 1916-1918 there were major shortages and famine.[14b]

“Canadian Gifts for Destitute Belgians”, Canada, 16 November 1915. Col. HHPLM

Has Canada been thanked?
In September 1914, Belgians living in Canada had taken the initiative to collect relief supplies for Belgium via the Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique established in Ottawa and Montreal.[15] The Canadian population, already involved in the war, responded enthusiastically and collected many relief supplies and money. The Canadian ships with relief supplies were among the first to arrive in Rotterdam.

SS Calcutta with donations of relief supplies from Canada left Halifax on December 19, 1914 and arrived in the Maashaven, Rotterdam, The Netherlands, on January 8, 1915. HILA CRB records 22003 box 619.

As a result, Emile Francqui, director of the CNSA in Brussels, wrote a letter of thanks to the treasurer of the Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique, H. Prud’homme in Montreal, on 15 December 1914. He addressed Prud’homme as a Belgian and fellow countryman, he thanked him for the goods that were so welcome in “your unfortunate country”:
“C’est à vous que nous devons cet heureux résultat et nous ne pourrons jamais assez dire combien nous vous en sommes reconnaissants et jusqu’à quel point vous avez là servi les intérêts de votre malheureux pays.
(…) avec nos remerciements et ceux de milliers de gens que vous avez ainsi secourus (…)”[16]
(“It is to you that we owe this happy result and we can never express sufficiently how grateful we are to you and to what extent you have served the interests of your unfortunate country. (…) with our thanks and those of thousands of people whom you have thus helped (…)”)

A surprising insight: the Canadian identity of the sacks might also be hidden under USA symbolism, because the Canadian benefactors and/or the organizers of Canadian relief for Belgium were Belgians living overseas…

“Thank You, Canada”, Het 14-18 Boek. De Kleine Belgen in de Grote Oorlog (The 14-18 Book. The Little Belgians in the Great War), by Daniël Vanacker

Table of contents: blogs on the Canadian flour sacks:
Lake of the Woods Milling Company, Keewatin, Kenora, Canada

Canadese bloemzakken met Belgische dank aan het ‘Moederland’

One million bags of flour from Canada to Great Britain

Dank van Puers/Flour Canada’s Gift


Footnotes:
*) Sophie de Schaepdrijver used the expression “gigantisch opgeblazen” (“thoroughly exaggerated”) for the authority of American plenipotentiary minister Brand Whitlock in Belgium. The idea was that American protection contributed to the morale in occupied Belgium.
“Whitlock was attributed greater power than he actually possessed; his title of “ministre protecteur” of the food relief was gigantically blown-up to the “protector of the entire country against the greed and arbitrariness of the occupier”.”
DE SCHAEPDRIJVER, S., De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1998, p. 114-115

**)JAUMAIN, S., Un regard original sur la Belgique en guerre. Le Devoir de Montréal (1914-1918). In: Michael Amara et al., Une Guerre total? La Belgique dans la Première Guerre mondiale. Nouvelles tendances de la recherche historique. Bruxelles, 2005 p. 343-365. 5.3.  « Un pays dévasté? », p. 357

***) PROCTOR, T.M., “U.S. Food Aid and the Expectation of Gratitude, 1914-1950“, 2011. The validation of American aid to foreign countries became dependent on the gratitude of aid recipients. It determined the relationship between the US and European countries. “American leaders called for assistance for war victims with the understanding and expectation that Europeans would not only understand and welcome the aid, but would also show appropriate gratitude.”
Proctor’s newest book was recently published: PROCTOR, T.M., Saving Europe. First World War Relief and American Identity. Oxford University Press, 2025. She also wrote a blog about the current American foreign aid policy: “The end of the “American Century”?”, Oxford University Press’s Academic Insights for the Thinking World, 16 February 16, 2025.

[1] PICARD, E., Heures de Détresse. L’Œuvre du Comité National de Secours et d’Alimentation et de la Commission for Relief in Belgium. Belgique 1914 – 1915. Bruxelles: CNSA, L’ Imprimerie J -E Goossens SA, 1915, p. 17

[1A] PROCTOR, T.M., London & the Making of Herbert Hoover. Blog on the website North American Conference on British Studies, January 17, 2025

[2] Heures de Détresse, p. 20

[3] Lloyd anversois: journal maritime emanant des courtiers de navires, December 25, 1914

[4] Heures de Détresse, p. 21

[4A] DE SCHAEPDRIJVER, S., Shaping the Experience of Military Occupation: Ten Images. In: Rossi-Schrimpf, Inga, Kollwelter, Laura, 14/18 – Rupture or Continuity. Belgian Art around World War I. Leuven: Leuven University Press, 2018, p. 43-58.

[5] De Vlaamsche Stem: algemeen Belgisch dagblad, June 12, 1915

[6] De Kempenaar, March 21, 1915

[7] Brief van Celine Geeurickx-Moens in Opwijk, 5 april 1915. Geciteerd in De Belgische Standaard, May 7, 1915

[8] America Feeding Belgian Children, Literary Digest, February 12, 1916.

[9] WILLIAMS, JEFFERSON and MAYFAIR, The Voluntary Aid of America. New York, London: 1918

[9A] PRINCE, B., Le Canada et la solidarité internationale à la Belgique (1914-1921). L’Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique. In: Revue Belge d’Histoire Contemporaine, LIV, 2024, 1-4.

[10] CRB Press Department, New York, August 9, 1915. HILA 22003 box 324 NY Office PR file 1915-1919

[10A] SEWARD, S.S. Jr., Delegate for Limbourg, Belgium, June – Dec 1915. Professor Samuel Swayze Seward (1876-1932) – HILA Seward (Samuel Swayze) papers 1915-1932; collection nr. 40005

[11] HUNT E.E., War Bread. A Personal Narrative of the War and Relief in Belgium. New York: Henry Holt & Company 1916

[12] The San Francisco Examiner, January 21, 1917

[13] Cincinnati, March 21, 1917. HILA, Frederick H. Chatfield papers 53008 Box 2

[14a] DE MÛELENAERE, N., Still Poor, Still Little, Still Hungry? The Diet and Health of Belgian Children after World War I. In J. Nordstrom (Ed), The Provisions of War: Expanding the Boundaries of Food and Conflict, 1840-1990 (pp.207-217) Article 12 (Food and Foodways). The University of Arkansas Press, 2021

[14b] SCHOLLIERS, P., Oorlog en voeding: de invloed van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische voedingspatroon, 1890-1940. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 11de jg., nr. 1, February 1985;
NATH, GISELLE, Brood willen we hebben! Honger, sociale politiek en protest tijdens de Eerste Wereldoorlog in België. Antwerpen: Manteau, 2013

[15] PRUD’HOMME, H., Relief Work for the Victims of the War in Belgium. Report on donations received and shipments made to Belgium since the Work was started up to February 5th, 1915. Montréal, February 5th, 1915

[16] FRANCQUI, E., Letter to H. Prud’homme, Montreal, December 15, 1915. Carbon copy letter in the Belgian State Archives, Brussels.

Canadese meelzakken en de gigantisch opgeblazen ‘Hulde aan Amerika’

Versierde meelzakken zijn kleurrijke doeken, maar ook zakken vol ongemak en tegenstrijdigheden. De zakken meel zijn deels donaties, deels aangekocht in de Verenigde Staten en Canada en naar bezet België verzonden. Het Belgische hergebruik van zakken uit beide landen mondde uit in een gigantisch opgeblazen ‘Hulde aan Amerika’. Waarom zijn ook de Canadese zakken bedolven onder Amerikaanse symbolen? Vanwaar de overdrijving van de hulde aan de Verenigde Staten?

Tweeluik Canadese meelzakken ‘Castle’: ‘A la noble Amérique si bienfaisante, la Belgique reconnaissante. Amour à notre Reine. Mère de nos soldats. Gloire à notre Roi. Chef de nos héros’. Beschilderd door Ecole libre des Sœurs de Notre-Dame, Anderlecht. Coll. HHPLM 62.4.4, foto auteur

VS en Canada
Vijfenzeventig procent van de versierde meelzakken die ik tijdens mijn onderzoek heb teruggevonden zijn meelzakken met origine Verenigde Staten. Tien procent is onbekend.

Vijftien procent komt uit Canada. Voorbeelden zijn te zien op de illustraties in dit blog: ‘Flour. Canada’s Gift’; ‘Castle’; Lake of the Woods Milling Co., Keewatin; The Dowd Milling Co., Pakenham, Ontario; ‘To the Belgians Flour from the City of St. Catharines And Vicinity, Ontario, Canada’; enzovoort: zie de tabel.

Canadese meelzak, ‘Boulanger Belge Reconnaissant’ met portret van Brand Whitlock, Amerikaans ‘ministre-protecteur in België, ‘BDB’, 1915. Beschilderd. Coll. HHPLM 62.4.75, foto auteur

In België: Amerikaansche bloemzakken/sacs américains
Toch zijn àlle meelzakken in de volksmond ’Amerikaansche bloemzakken’ en ‘sacs américains’, ongeacht de afkomst uit de Verenigde Staten of Canada.

Belgian Relief County of Perth, Canada, met borduurpatroon van Amerikaanse stars en stripes in de kleuren rood, wit, blauw. Belgische part. coll.

Wat opvalt is dat donaties uit Canada in België geborduurd en beschilderd zijn met Amerikaanse symbolen, de vlag, het wapenschild en het portret van de Amerikaanse gevolmachtigd minister in Brussel, Brand Whitlock. De teksten roepen hulde aan Amerika:
– Merci à l’Amérique
– Merci aux Etats-Unis!
– Vive l’Amérique
– A la noble Amérique si bienfaisante, la Belgique reconnaissante. Amour à notre Reine. Mère de nos soldats. Gloire à notre Roi. Chef de nos héros.

Enkele versierde meelzakken brengen hulde aan Canada.

‘Remerciements chaleureux de la Belgique aux vaillants Canadiens’, 1915, door Ecole Professionnelle Bischoffsheim, Brussel, op een bloemzak Perths Standard flour, donatie van County of Perth, Ontario. Coll. HHPLM 62.4.148, foto’s auteur.
Canadese bloemzak, ‘Thanks to Canada, Brussels, 1915’. Ecole Professionnelle Couvreur, Brussel. Coll. HHPLM 62.4.163, foto auteur.

Verscholen identiteit van Canadese meelzakken
Tijdens het onderzoek naar de versieringen op de meelzakken, verwachtte ik dat Canadese zakken in België versierd zouden zijn met Canadese symbolen. Maar dat is niet zo. Was mijn aanname onjuist? Waarom zou de Canadese identiteit van de zakken verscholen gaan onder Amerikaanse symbolen? Een zestal beweegredenen komt bij me op.

1. Waren de Belgische (jonge) handwerksters en kunstenaars onbekend met het onderscheid tussen de landen VS en Canada?
Dit is onwaarschijnlijk want zij behoorden tot het welstellende deel van de bevolking en waren goed opgeleid. Bovendien wisten zij dat Canadese militairen aan de zijde van de geallieerden meevochten.

2. Of, een practische overweging: de Belgische komiteiten hielden liever zelf de echte, originele, Amerikaanse meelzakken en stelden de Canadese meelzakken ter beschikking om te transformeren tot oorlogssouvenirs met bestemming Amerika?!

3. Zou de invoer van Canadese levensmiddelen vraagtekens hebben opgeroepen bij de Duitse bezetter? Canada was toegetreden tot de oorlog in navolging van het moederland Groot-Brittannië; de Verenigde Staten waren neutraal en zouden pas in april 1917 toetreden tot de oorlog.

4. Zou het de invloed zijn geweest van Amerikaanse journalisten en oorlogsfotografen? Zij konden zich vrij in bezet België bewegen. Hun Canadese, Britse en Franse collega’s waren vertrokken. De Amerikaanse kranten, die uitgebreide hulpacties voor België hadden gehouden, hebben via hun journalisten in België gevraagd om bewijs van ontvangst en overtuigende, zichtbare uitingen van dank. Hebben de Canadese weldoeners niet gevraagd om Belgische dank?

5. Of benadrukt het dat voor burgers in bezet België de hulde aan Amerika allesomvattende propaganda was, waarmee zij hun vaderlandslievende plicht vervulden en zich in patriottisme konden uitdrukken?
Was het de tegenhanger van de buitenlandse propaganda met ‘Poor Little Belgium’, ‘un pays entièrement détruit, plongé dans la misère’? In het begin van de oorlog leverden deze overdreven berichten de sympathie op van het publiek voor de goede Belgische zaak.*)

6. Heeft de dubbelzinnige houding van de Britten een rol gespeeld? België was door de oorlog in drieën gedeeld: het leger aan het front, de vluchtelingen buiten het land en bezet België. Groot-Brittannië had zich militair -aan het front- opgeworpen als beschermer van de natie België, Belgische vluchtelingen heette het welkom, maar de bevolking van bezet België liet het in de steek. De machtige Britse natie hield door een volledige handelsblokkade en zeemijnen voor alle Belgische havens, de broodnodige toegang van levensmiddelen tegen. Zou de Canadese identiteit verscholen zijn gegaan achter de antipathie voor Groot-Brittannië?

Canadese meelzak Lily White, Wellesley Mills, Ontario. Gift of flour for Belgian Relief Fund from Wellesley Township, 1915. Geborduurd. Part. coll. Groot-Brittannië

Hoe dan ook: de sympathie van de burgers in bezet België ging naar de natie waarvan ze verwachtten dat deze redding zou brengen: ‘Amerika’.**)

‘Amerikanische Lebensmittel für Belgien’, Duits krantenbericht over de aankomst van SS Orn in Rotterdam. Hamburger Fremdenblatt, 5 december 1914

‘Amerika zou ons redden’
België was in augustus 1914 bezet door Duitsland, de grenzen waren gesloten, de handelsblokkade van Groot-Brittannië maakte import van broodgraan onmogelijk. Diplomatiek overleg met neutrale landen opende de grenzen voor levensmiddelenbevoorrading.

‘Mais non, le pays ne pouvait pas mourir, ne voulait pas mourir. (…)
 l’Amérique avait donné l’espoir qu’elle nous sauverait…[1]
(‘Maar nee, het land kon niet sterven en wilde niet sterven. (…)
Amerika gaf ons hoop dat het ons zou redden…’)

Meelzak ‘Flour. Canada’s Gift O.’, beschilderd met een oceaanstomer (in Amerikaanse kleuren rood, wit, blauw, de schoorstenen in de Belgische kleuren rood, geel, zwart)) en een zeemeeuw met tarwehalm in zijn snavel. Part. coll. België

Vrachten Amerikaans en Canadees broodmeel arriveerden via de haven van Rotterdam in België tussen november 1914 en mei 1915. Om de bevoorrading te vrijwaren van beslaglegging door de Duitse bezetter werden de levensmiddelen in België opgeslagen onder bescherming van de neutrale, Amerikaanse vlag en Amerikaanse burgers werden in bezet België gestationeerd om toezicht te houden.

Canadese meelzak The Dowd Milling Co., Pakenham, Ontario, ‘Merci à l’Amérique’, Nassogne, provincie Luxemburg, 1915. Geborduurd. Coll. HHPLM 62.4.404, foto auteur

De voorraden broodmeel werden successievelijk afgeleverd bij Belgische bakkerijen, zij leegden de zakken meel en bakten brood.
De geleegde, fraai bedrukte ‘Amerikaanse’ zakken trokken de aandacht van het publiek. De overtuiging was dat de afzenders van de zakken -de weldoeners in ‘Amerika’ – de overleving van het Belgische volk hadden gewaarborgd.

Achtergrond van de levensmiddeleninvoer
In oktober 1914 was het Belgische Comité National de Secours et d’Alimentation (CNSA) in Londen terecht gekomen om de invoer van levensmiddelen mogelijk te maken. Hun samenwerkingspartner werd het internationale, particuliere inkoopbureau, de Commission for Relief in Belgium (CRB), gevestigd in Londen, Groot-Brittannië, maar bemensd door in Europa gevestigde ‘neutrale’ Amerikanen.[1A]

Volgens hooggestemde Belgische verwachtingen zou de CRB een dubbele taak vervullen:
(…) c’est lui qui provoquera l’esprit de solidarité et la générosité mondiale et amassera les trésors qu’on lui enverra; c’est lui qui dirigera vers la Belgique les dons en nature qu’il aura reçus et les vivres qu’il aura achetés pour elle.[2]

  1. ‘(…) de Commissie zal de geest van solidariteit en wereldwijde vrijgevigheid opwekken en de schatten vergaren die naar haar zullen worden toegestuurd;
  2. de Commissie zal de giften in natura die zij heeft ontvangen en het voedsel dat zij daarvoor zal kopen, naar België overmaken.’

‘Reconnaissance pour les Etats-Unis
Les délégués américains et espagnols de Londres et Bruxelles ont réussi de faire importer en Belgique, malgré la guerre des grains et autres produits alimentaires. Nous leur en sommes très reconnaissants et dans ce conflit européen, la diplomatie n’a executé de plus bel et plus noble ouvrage.’[3]


Twaalf Canadese zakken bloem van 98 lbs en tien Amerikaanse zakken bloem van 49 lbs. Belgische propaganda voor Amerikaanse broodmeelaanvoer, 1915. Foto: ‘Heures de Détresse’

De wereld kwam België te hulp
De wereld kwàm te hulp, waardoor bezet België van de CRB nóg een nuttige taak verwachtte.
La Commission for Relief in Belgium avait encore, en Belgique, une autre charge dont les effets étaient utiles au pays.
Lorsqu’on nous fait une faveur, lorsqu’on nous accorde une grâce, ou que nous jouissons d’un bienfait, n’est-il pas d’une âme bien née de montrer à celui qui nous a assistés que nous sommes dignes des égards qu’il a manifestés pour nous? Comment le lui prouver autrement qu’en l’associant jusqu’aux plus petits faits de notre existence.
Le monde nous secourait, il fallait qu’il sut ce que nous faisions de ses secours et la Commission for Relief devait être là pour le dire.[4]

(‘De CRB verrichtte nog een andere nuttige taak voor België.
Op het moment dat iemand je een gunst, een voorrecht of een weldaad verleend, is het gepast dat je als welopgevoed persoon aan degene die de ondersteuning heeft gegeven, laat weten dat je de aandacht die je geschonken krijgt, ook daadwerkelijk verdient.
Op welke manier kan je de weldoener beter tonen dat je het waard bent, dan door hem te verbinden met de kleinste gebeurtenissen van je bestaan? De wereld kwam ons te hulp, daarom moesten de mensen in de wereld weten wat wij met haar hulpverlening deden en de Commission for Relief moest er zijn om dat aan hen te vertellen.’)

‘Merci aux Américains’, leerlingen en docenten juichen Amerika toe in het auditorium van hun school in Brussel voor de cameralens van de Amerikaanse fotograaf Paul Thompson. The Saturday Evening Post, 28 augustus 1915.

Hergebruik van de meelzakken – propaganda
Het hergebruiken, transformeren en versieren van de meelzakken bood de makers -de schoolmeisjes, jonge vrouwen en kunstenaars- de gelegenheid om de weldoeners te verbinden ‘met de kleinste gebeurtenissen in hun bestaan’ en de wereld te laten weten wat de Belgische bevolking met de hulp had gedaan. Ten tweede male werden de meelzakken voor liefdadigheid ingezet.
In georganiseerd verband wisten de makers hun sterk levend patriottisme om te zetten in heroïsche beelden en symboliek. Het stelde hen in staat om zowel hun liefdadige plicht te vervullen als vaderlandse propaganda te bedrijven.[4A] De censuur van de Duitse bezetter en de blokkerende houding van de Britse zeenatie leidde tot de innige verbinding van Belgisch patriottisme met Amerikaanse symboliek. Een enkel individueel geval met Canadese symboliek vormde de uitzondering op de regel.

Canadese meelzak ‘Flour. Canada’s Gift’ met Canadese vlag en symboliek, 1916. Beschilderd. Coll. IFFM

De hulde aan Amerika gigantisch opgeblazen
De ‘Hulde aan Amerika’ op de meelzakken werd in februari, maart 1915 aldus gigantisch opgeblazen.**) De zakken zouden immers allemaal naar Amerika worden teruggezonden om te worden verkocht ten behoeve van nieuwe voedselleveranties.

Edouard Verschaffelt, ‘Pour l’Absent’, Bruxelles 1915, Canadese bloemzak Lake of the Woods Milling Co., Keewatin, 1915. Beschilderd. Moulckers Collection, St. Edward’s University

‘Amerikaansche bloemzakjes.
Overal in België wordt thans door dames en schilders hard gewerkt om honderden en nog eens honderden leege bloemzakjes van het American Relief Fund door handwerk of schilderwerk te versieren. (…) Dit alles wordt gereed gemaakt, (…) om naar Amerika te worden gezonden als een hulde van de Belgen voor den door Amerika verleender steun, en het belooft een waardige hulde te worden, want er zal werk van eerste meesters bij zijn.’[5]

‘Terwijl ons uit het miljardenland allerlei benodigdheden toekomen om de in druk en nood verkeerende Belgische bevolking te helpen, heeft ons vrouwelijk element met zoveel fijnen tact als edelmoedig gevoel een middel gezocht en gevonden om de Amerikanen een blijk te geven van innige dankbaarheid.’[6]

Canadese bloemzak ‘To the Belgians Flour from the City of St. Catharines And Vicinity, Ontario, Canada, /Opwijck Brengt Hulde & Dank aan Amerika’, 1915. Geborduurd. Part. coll. België, foto: HOM, 2004

‘Wij zijn nog altijd goed voorzien van eetwaren: Amerika zorgt voor alles. Leve Amerika! We krijgen meel en dons alle weken (…) Wij nu om onze dankbaarheid aan onze weldoeners te betoonen, borduren ledige meelzakjes met driekleurige teekeningen en als opschrift: «Het dankbaar Opwijck aan de Vereenigde Staten», en andere. (…) Zoo werkt men in alle dorpen en ’t schijnt dat ons werk dollars verkocht wordt aan de milliardairen die gedenkenissen willen van het diep geteisterde België. De opbrengst is voor ons.’[7]

Canadese meelzak, Het sprookje van de Amerikaanse voedselhulp voor België, 1915. Beschilderd. Coll. HHPLM 62.4.89, foto auteur

De paradox van de dankbaarheid – zuinige donaties uit Amerika
De versierde meelzakken dragen de weerklank van oorlog. Ze zijn trench art gemaakt in bezet België. Het zijn: ‘items gemaakt door burgers, rechtstreeks uit materiaal dat in tijd en plaats wordt geassocieerd met de gevolgen van gewapend conflict’. De zakken schuren en verpakken tegenstrijdigheden.

De paradox van de dankbaarheid, de ‘Hulde aan Amerika’ op de zakken, was, dat de belofte om deze terug te sturen zodat ze een grote opbrengst voor nieuwe voedselleveranties zouden opleveren, niet werd waargemaakt.
– Het voornemen om de versierde meelzakken naar de VS te verschepen, – vol enthousiasme aangekondigd – heeft pas ná de Wapenstilstand plaats gevonden, met uitzondering van een zending die in 1915 voor propagandadoeleinden naar New York was gestuurd.[8] De zakken hebben een miniem bedrag aan dollars opgebracht voor het steunwerk.
– De bevolking van de Verenigde Staten heeft slechts enkele procenten van de levensmiddeleninvoer gedoneerd.[9] De Canadese bevolking heeft gemiddeld per hoofd van de bevolking méér bijgedragen.[9A]

‘Sadly far from true’
De Amerikaanse CRB-vertegenwoordigers hebben keer op keer expliciet aan de wereld verteld dat de Amerikaanse bijdragen zuinig waren.


Laurence Wellington – provincie Luxemburg:
‘Mr. Wellington (…) brought with him many interesting souvenirs of his work in Belgium, including several American flour sacks artistically painted by women and children in that province.
“Americans are the real people in Belgium”, said Mr. Wellington. “They do not seem to be able to sufficiently show their gratitude for what the American people, through the Commission, have done for them. The commonest expression to be heard anywhere by the Americans in Belgium is:- “Sauf par vous, nous serons morts de faim”;- “But for you we would have starved to death”.’[10]

Canadese meelzak ‘Flour. Canada’s Gift’. Hulde en Dank 1916, Leerbeek. Geborduurd. Coll. HHPLM 62.4.439 foto auteur

Samuel Seward jr.-Provincie Limburg:
To the Belgians the relief that has come to them is a very simple thing – the practical expression of your providential, generous sympathy. And their response is as simple and direct. What matter that the complex significance of the Commission escapes them – its wide international scope, its unique diplomatic problems, its efficient engineering methods of administration?
(…)
for the average notary in his village, the peasant on his farm, or the nun in her convent, the one great fact is enough, – that actual hunger threatened them- when a great, friendly nation stepped in, in time, to save. (…)
One of my occupations at times of leisure was to say “Thank you” for some of the presents that came pouring into the office- not personal presents, but expressions of gratitude to you in America and elsewhere, friends whom those in Belgium had never seen. The favorite form was to take a flour sack, preferably one that had been specially stamped as gift flour from a certain town or mill, and to ornament it variously, with embroidery, drawn work, painting, in symbols of friendly “reconnaissance.” Sofa pillows were made in this way, table covers, workbags, tea-cosies, little dresses, even, and quaintly shaped caps.’[10A]

Canadese meelzak, ‘Most hearty thanks from the Belgian pupils to dear America.’ Ecole Professionnelle Couvreur, Brussel. Coll. HHPLM 62.4.255, foto auteur

Edward Eyre Hunt, provincie Antwerpen:
‘There was something almost ritualistic in the reiteration of their gratitude.’[11]

Charlotte Kellogg, née Hoffman. The San Francisco Examiner, 3 juni 1916

Charlotte Kellogg, née Hoffman:
‘Mrs. Kellogg said that there is great gratitude in Belgium towards the United States. “The mass of people in Belgium believe that we are doing everything, even though this is sadly far from true,” she said. “In money the United States has taken care of Belgium about one month of the two and one quarter years of the war.”[12]

‘à Monsieur F.H. Chatfield, Délégué à la Commission for Relief in Belgium. Souvenir de la remise des récompenses aux élèves de l’Ecole Moyenne Professionnelle de demoiselles de la Ville de Liège’, 1 augustus 1916. Foto: Ernest Würth, Liège. HILA F. Chatfield Papers box 53008 envelope mB

Frederic Chatfield, Provincie Luik:
‘The country is given credit far beyond its merits. ‘I felt a sense of shame. It seemed as if I were receiving this extraordinary tribute of which I was not worthy. (…) The Belgians give America all the credit for the relief that is saving their lives. The work is carried on by Americans, our stores are known as American stores, $150.000.000 worth of foodstuffs have been purchased in the US and bear the American label.
France and England notwithstanding the heavy expenses of the war are providing the CRB with $10.000.000 a month, more than the US has contributed in nearly two years and a half. Knowing this it is no wonder I felt that I was the unworthy recipient of a great honor.
(…) he presented me with a large bouquet of roses, and this is what he said as he pressed the flowers into my hand: “If we had known that one day these roses would come into the hands of an American, we would have cultivated them with greater care.”
That was the sentiment. It was not for Fred Chatfield that the good wishes, the admiration, the eternal gratitude of this people was expressed, but for an American, typifying the regard of the Belgians for America and all Americans.’[13]

Canadese meelzak ‘Donated to the Belgian People, The Heroic Nation, May God bless them. From Fort Frances, Canada, 400 bags no. 1 flour.’ ‘L’Union fait la force’. ‘Vive la paix’. Anderlecht, 1915. Coll. HHPLM foto auteur

Voedseltekorten en hongersnood
De propaganda over de levensmiddelenbevoorrading van bezet België is steeds zo sterk geweest dat tot op de dag van vandaag de werkelijkheid maar moeilijk doordringt. De bewaarde huldeblijken op de ‘Amerikaansche bloemzakken/sacs américains’ dragen bij aan de blijvende mythevorming.

The idea that (American) philantropy spared Belgian children from going hungry is blatantly untrue.’ (Nel de Mûelenaere, 2021). [14a]

In totaliteit bezien faalde de hulpverlening voor bezet België in voedselhulp, lokale voedselproductie en distributie. De invoer van voedingsmiddelen heeft maximaal 25% van de noden gedekt; in 1915 hielp het de prijzen te beheersen; de jaren 1916-1918 waren er grote tekorten en heeft er hongersnood geheerst.[14b]

 

‘Canadian Gifts for Destitute Belgians’, Canada, 16 november 1915. Coll. HHPLM

Is Canada bedankt?
In september 1914 hadden in Canada verblijvende Belgen in Ottawa en Montreal het initiatief genomen om hulpgoederen voor België in te zamelen via het Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique.[15] De Canadese bevolking, reeds bij de oorlog betrokken, reageerde enthousiast en bracht vele hulpgoederen en geld samen. De Canadese schepen met hulpgoederen kwamen als een van de eerste in Rotterdam aan.

SS Calcutta met donaties hulpgoederen uit Canada vertrok op 19 december 1914 uit Halifax en kwam op 8 januari 1915 aan in de Maashaven, Rotterdam. HILA CRB records 22003 box 619

Zodoende schreef Emile Francqui, directeur van de CNSA, op 15 december 1914 in Brussel een bedankbrief aan de penningmeester van de Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique, H. Prud’homme in Montreal.
Hij adresseerde Prud’homme als Belg en landgenoot, hij bedankte voor de goederen die zo welkom waren in ‘uw ongelukkige land’:
‘C’est à vous que nous devons cet heureux résultat et nous ne pourrons jamais assez dire combien nous vous en sommes reconnaissants et jusqu’à quel point vous avez là servi les intérêts de votre malheureux pays.
(…) avec nos remerciements et ceux de milliers de gens que vous avez ainsi secourus (…)’[16]

Een verrassend inzicht: de Canadese identiteit van de zakken gaat wellicht verborgen onder Amerikaans symboliek, omdat de Canadese weldoeners en organisatoren van Canadese hulp voor België overzee wonende Belgen waren…

‘Dank u wel, Canada’, Het 14-18 Boek. De kleine Belgen in de Grote Oorlog, van Daniël Vanacker

Inhoudsopgave blogs Canadese meelzakken
Eerdere blogs over de Canadese meelzakken, ‘les sacs canadiens’, zijn:
Lake of the Woods Milling Company, Keewatin, Kenora, Canada

Canadese bloemzakken met Belgische dank aan het ‘Moederland’

Eén miljoen zakken meel uit Canada voor Groot-Brittannië

Dank van Puers/Flour Canada’s Gift


Voetnoten:

*) JAUMAIN, S., Un regard original sur la Belgique en guerre. Le Devoir de Montréal (1914-1918). Dans: Michael Amara et al., Une Guerre total? La Belgique dans la Première Guerre mondiale. Nouvelles tendances de la recherche historique. Bruxelles, 2005 p. 343-365. 5.3.  « Un pays dévasté? », p. 357

**) PROCTOR, T., U.S. Food Aid and the Expectation of Gratitude, 1914-1950, 2011. Tammy M. Proctor onderzocht hoe de validering van Amerikaanse hulp aan het buitenland afhankelijk werd van de dankbetuigingen van de hulpontvangers, het bepaalde de relatie tussen de VS en Europese landen. ‘American leaders called for assistance for war victims with the understanding and expectation that Europeans would not only understand and welcome the aid, but would also show appropriate gratitude.’ Recent is Proctor’s nieuwste boek gepubliceerd:
PROCTOR T., Saving Europe. First World War Relief and American Identity. Oxford University Press, 2025.
Het actuele Amerikaanse overheidsbeleid voor buitenlandse hulpverlening becommentarieerde Proctor in het blog: ‘The end of the “American Century”?‘, Oxford University Press’s Academic Insights for the Thinking World, 16 februari 2025.

***) Sophie de Schaepdrijver gebruikte de uitdrukking ‘gigantisch opgeblazen’  voor de zeggenschap van Amerikaans gevolmachtigd minister Brand Whitlock in België. Het idee was dat Amerikaanse bescherming bijdroeg tot het moreel in bezet België. ‘Whitlock werd een grotere macht toegeschreven dan hij in werkelijkheid bezat; zijn titel van ‘ministre protecteur’ van het voedselhulpwerk werd gigantisch opgeblazen tot beschermheerschap van heel het land tegen de hebzucht en willekeur van de bezetter.’
DE SCHAEPDRIJVER, S., De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1998, p. 114-115

[1] PICARD, E., Heures de Détresse. L’Oeuvre du Comité National de Secours et d’Alimentation et de la Commission for Relief in Belgium. Belgique 1914 – 1915. Bruxelles: CNSA, L’ Imprimerie J -E Goossens SA, 1915, p. 17

[1A] PROCTOR T., London & the Making of Herbert Hoover. Blog op website North American Conference on British Studies, 17 januari 2025

[2] Heures de Détresse, p. 20

[3] Lloyd anversois: journal maritime emanant des courtiers de navires, 25 december 1914

[4] Heures de Détresse, p. 21

[4A] DE SCHAEPDRIJVER, S., Shaping the Experience of Military Occupation: Ten Images. In: Rossi-Schrimpf, Inga, Kollwelter, Laura, 14/18 – Rupture or Continuity. Belgian Art around World War I. Leuven: Leuven University Press, 2018, pagina’s 43-58.

[5] De Vlaamsche Stem: algemeen Belgisch dagblad, 12 juni 1915

[6] De Kempenaar, 21 maart 1915

[7] Brief van Celine Geeurickx-Moens (ºDendermonde 03-04-1887 +30-04-1980) in Opwijk, 5 april 1915. Geciteerd in De Belgische Standaard, 7 mei 1915.
Celine schreef de brief aan haar echtgenoot Karel Lodewijk Geeurinckx (ºOpwijk, 13-04-1883 +Opwijk 14-08-1952), zij waren gehuwd op 22 mei 1912.

[8] America Feeding Belgian Children, Literary Digest, 12 februari 1916.

[9] WILLIAMS, JEFFERSON and MAYFAIR, The Voluntary Aid of America. New York, London: 1918

[9A] PRINCE, B., Le Canada et la solidarité internationale à la Belgique (1914-1921). L’Œuvre de Secours pour les Victimes de la Guerre en Belgique. In: Revue Belge d’Histoire Contemporaine, LIV, 2024, 1-4.

[10] CRB Press Department, New York, 9 augustus 1915. HILA 22003 box 324 NY Office PR file 1915-1919

[10A] S.S. Seward, Jr. Delegate for Limbourg, Belgium, Juni – dec 1915. Professor Samuel Swayze Seward (1876-1932) – HILA Seward (Samuel Swayze) papers 1915-1932; collection nr. 40005

[11] HUNT, E.E., War Bread. A Personal Narrative of the War and Relief in Belgium. New York: Henry Holt & Company 1916

[12] The San Francisco Examiner, 21 januari 1917

[13] Cincinnati, 21 maart 1917. HILA, Frederick H. Chatfield papers 53008 Box 2

[14a] DE MÛELENAERE, N., Still Poor, Still Little, Still Hungry? The Diet and Health of Belgian Children after World War I. In J. Nordstrom (Ed), The Provisions of War: Expanding the Boundaries of Food and Conflict, 1840-1990 (pp.207-217) Article 12 (Food and Foodways). The University of Arkansas Press, 2021

[14b] SCHOLLIERS, P., Oorlog en voeding: de invloed van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische voedingspatroon, 1890-1940. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 11de jg., nr. 1, februari 1985;
NATH, GISELLE, Brood willen we hebben! Honger, sociale politiek en protest tijdens de Eerste Wereldoorlog in België. Antwerpen: Manteau, 2013

[15] PRUD’HOMME, H., Relief Work for the Victims of the War in Belgium. Report on donations received and shipments made to Belgium since the Work was started up to February 5th, 1915. Montréal, February 5th, 1915

[16] Brief van E. Francqui aan H. Prud’homme, Montreal, 15 december 1915. Doorslag brief in het Rijksarchief België, Brussel.

Translate »