The Woman’s Section: ontbinding van de CRB en verbinding met The Movement for National Preparedness

Inleiding
Josephine Bates was voorzitter van The Woman’s Section van ‘The American Commission for Relief in Belgium’ (ACRB).
De Belgische koningin Elisabeth en Henriëtte, prinses van België, de hertogin van Vendôme, waren de beschermvrouwen.
Nieuwsbrieven van Josephine Bates gaven updates over initiatieven in het land en de stand van zaken van de inzameling van geld en fysieke goederen, vooral zakken meel. Eind april 1915 was een voorlopige stop van de activiteiten van de Woman’s Section. Op verzoek van het CRB-hoofdkantoor in Londen hielden ze rust tot in de herfst.

De ‘Lusitania’ op een lege meelzak ‘American Commission, uitgevoerd door een scholiere in Anderlecht, Brussel, 1915. Coll. HILA 62008 box 17.1, foto auteur.

Begin mei trof een catastrofe Josephine en Lindon Bates. Hun oudste zoon Lindon W. Bates jr. kwam om door de ramp met het Britse passagiersschip Lusitania. De functie van Lindon W. Bates als vice-voorzitter van het CRB-kantoor in New York kwam in de zomer ter discussie te staan door zijn autonoom optreden. Het CRB-hoofdkantoor wenste afscheid te nemen van hem èn de Woman’s Section. In december trad Bates af. De verbinding van de Woman’s Section met de American Commission for Relief in Belgium werd opgeheven. De Woman’s Section reorganiseerde en verenigde zich met de Movement for National Preparedness, gelieerd aan de National Civic Federation.

 “Is Rox available?”
Het vergaan van het Britse passagiersschip de Lusitania was wereldnieuws. De dood van Lindon W. Bates jr., de oudste zoon van Josephine en Lindon W. Bates, ging als een schok door de Amerikaanse samenleving. Waarom was hij passagier op het schip?
Het echtpaar Lindon W. Bates sr. en Josephine White Bates, waren zakelijke en persoonlijke vrienden van Herbert en Lou Hoover. De gezinnen Bates en Hoover telden beide twee zonen. De Hoovers waren dol op Lindon jr.

Het gezin Bates: Josephine, Lindon, ‘Rox’ en ‘Dell’.

Lindon W. Bates jr., bijnaam ‘Roxwell’, kortweg ‘Rox’, was 31 jaar, consentieus en succesvol in zaken, bewoog zich in de politiek, was wereldreiziger en sprak zijn talen. Voor Hoover een ideale, beoogde CRB-medewerker in Europa.
“Is Rox beschikbaar om te werken voor de Commission in België,” vroeg Herbert Hoover al in november 1914 aan Josephine Bates. ‘We require at least six young college men speaking French used to roughing it to present Committee at various points in Belgium (…) Is Rox available.[1]

In mei 1915 stelde Lindon W. Bates jr. zich inderdaad beschikbaar om te gaan werken voor de CRB in Europa. Hij had zich vrijgemaakt van het werk in de Bates Engineering Company, het bedrijf dat hij als vice-voorzitter samen met zijn vader runde in New York. Hij stelde zijn testament op waarin hij zijn broer Lindell T. Bates tot enig erfgenaam benoemde. Hij vertrok op 1 mei uit de haven van New York op de Lusitania, het paradepaard onder de Britse passagiersschepen. De Duitse waarschuwingen dat het Britse schip zou kunnen worden aangevallen verontrustte alle passagiers. Net buiten de Britse wateren viel de Duitse onderzeeër U-Boat 20 het schip met torpedo’s aan. De geruchten gingen dat het schip behalve passagiers ook wapens en grondstoffen voor munitie, waaronder schietkatoen, vervoerde voor de Britten.

De Lusitania van de Britse Cunard Line. Foto: internet

De Lusitania vergaat
De Lusitania zonk op 7 juni 1915, van de 1900 passagiers kwamen er 1200 om, waaronder 120 Amerikanen, 700 passagiers werden gered. Lindon Bates jr. hielp tot het laatst met de reddingsacties van zijn mede-passagiers, maar kwam zelf om. Zijn lichaam werd pas weken later gevonden op de kust van Ierland.


‘On an urgent cabled request from Mr. Hoover, who from long personal and business association with Mr. Bates knew his marvelous capacity for organization and administration, that gentleman took up the work of the Commission in the United States as vice chairman. Mrs. Bates immediately organized the Woman’s Section of the commission, with which more than 6,000,000 of her sex are to-day affiliated, and Lindon Bates, Junior, became his father’s first lieutenant. The death of this gifted young man, by drowning in the Lusitania disaster – already, at thirty-two years of age, distinguished as a writer, eminent in his father’s profession and famous as an explorer – while on an errand of mercy to Belgium, is one of the saddest tragedies of the war. He is as surely a martyr to the Belgian cause as though he had died defending her soil.’ [2]


Lindell Bates, Rox’s jongere broer, was in Londen en had Rox tevergeefs opgewacht in Liverpool. De Hoovers hielpen Lindell om een zoekactie naar zijn broer op te zetten. Herbert Hoover en Lindon W. Bates sr. wisselden talloze telegrammen uit tijdens de zoektocht in de weken dat Rox vermist was.[3]
De dood van Lindon Bates jr. betekende een groot verlies voor de ouders, maar ook voor de CRB. ‘In the death of Lindon Bates jr., one of the victims of the Lusitania disaster, the Commission for Relief in Belgium has sustained a loss second in importance only to that of the young man’s parents.[4]

Lou Henri Hoover houdt toespraak bij herdenking

New York Press, 11 juni 1915

Lou Henri Hoover reisde naar New York voor de herdenkingsdienst op 10 juni 1915 en hield een lange, indrukwekkende toespraak. Ze ging in op de persoonlijke banden van de Hoovers met Lindon Bates jr. en vervolgde:
I speak in the name of womanhood and of childhood (…) For woman and for children he laid down his life and over his sacrifice we reach the sacred hands of maternity in benediction. He remained until the end, helping and comforting. Only as the ship gave her final plunge did he dive, but the suction had become too great for mortal combat.” [5]

Een dag later zou Josephine Bates de oudste zoon van Lou en Herbert Hoover, Herbert Hoover jr., liefdevol bedanken voor zijn condoleantie.
‘Lebanon Lodge, Mount Lebanon
Darling Herbert,
Thank you so much for the loving little letter!
I too am grieving that when you come again there will be no dear Rox to greet you. But he was as you say a brave man and he lived and died as we all want our dear children to live and die – saving. May the blessing of all he was rest upon us, sweet boy who loved him. You will be glad that your own mother paid him the most beautiful of ..tributes last night, when his friends were assembled to pass on the inspiration of his life efforts. I enclose you a little memorial of it. With all love, dear heart,
Yours Josephine Bates, June 11, 1915.’[6]

Herbert Hoover was niet naar New York afgereisd; hij bleef in Londen. Zijn prioriteit was om in Europa te bewerkstelligen dat de zomeroogsten van de Belgische akkers voor de eigen bevolking beschikbaar zouden zijn en blijven, de Duitse bezetter mocht deze in geen geval opeisen. Na de afscheidsdienst in New York reisde Lou Hoover door naar Californië om zich te verenigen met haar zoons. Ze zou de jongens niet meer alleen laten gedurende de oorlog en pas in najaar 1915 met hen terugreizen naar Londen.

Het lege archief van The Woman’s Section – Box 352.3
De werkzaamheden van de Woman’s Section waren sinds eind april tot de herfst opgeschort op verzoek van het CRB-hoofdkantoor in Londen. Alle eventuele lopende zaken gedurende de zomer droeg de Woman’s Section over aan de Men’s Department. Veel zaken zijn dat niet geweest. Het archiefdossier 352.3 is na april 1915 nagenoeg leeg. [7]
De brief met de financiële verantwoording over het werk van The Woman’s Section van 7 mei 1915 wordt vervolgd door een briefwisseling van 8-13 juli tussen de ‘Men’s Department’ en Mrs. Bates, die verblijft in Mount Lebanon, over het voorzitterschap van de commissie in Pennsylvanië.

Het verzoek van Josephine Bates om alle bezittingen van de Woman’s Section mee te geven aan de koerier, 23 november 1915.

Wat dan volgt is opzienbarend: een handgeschreven brief van Josephine Bates, gedateerd 23 november 1915, medeondertekend door Anne Morgan, penningmeester, op het briefpapier van The Woman’s Section, geadresseerd aan de Men’s Department. Zij verzoekt alle documenten en bezittingen van The Woman’s Section mee te geven aan een koerier die de spullen namens hen komt ophalen en naar One Madison Avenue zal brengen.
Vervolgens is er haar brief van 8 december 1915 aan Mellville E. Stone, Esq, in New York City waarin ze refereert aan zeven vergaderingen van haar Board gewijd aan de ontbinding van The Woman’s Section en de formulering van erkentelijkheid voor haar werk. De Board blijkt uiteindelijk te zijn akkoord gegaan met de tekst die aan hen is voorgelegd over de ontbinding van The Woman’s Section. Meer documenten bevat file 352.3 niet.
Vanwaar die plotselinge ontbinding?

Locaties CRB Woman’s Section, Men’s Department en Bush Terminal in New York City.

Waar is het archief van The Woman’s Section?
Hier begint het te knellen dat ik het archief van The Woman’s Section zelf niet heb kunnen raadplegen. [8]
Waar is het archief van The Woman’s Section zelf? De vrouwen hielden kantoor op One Madison Avenue bij Anne Morgan, zou het in haar archieven te vinden zijn? In de Anne Tracey Morgan Papers, Archives of The Pierpont Morgan Library, New York? De gedetailleerde beschrijving van de collectie opgemaakt in 2006 noemt de Woman’s Section niet.[9]

Bij de mannen: Lindon W. Bates sr. treedt af

Lindon W. Bates, vice-voorzitter American Commission for Relief in Belgium

Lindon W. Bates treed in december 1915 af als vice-voorzitter van de American Commission for Relief in Belgium.
Vanaf het begin waren er fricties geweest tussen het CRB-hoofdkantoor in Londen en Bates sr. Met name de onwil of het gebrek aan diplomatie om met de andere organisaties voor Belgian Relief in New York samen te werken, irriteerde. Nadat zijn oudste zoon was omgekomen gaf Bates sr. te kennen zijn werk gewoon te willen voortzetten. Uit de nieuwsbrieven van Josephine Bates blijkt echter dat Bates sr. er in maart 1915 al helemaal doorheen zat.
Bates’ prioriteit kwam bovendien steeds meer te liggen bij het ontwikkelen van camouflagepatronen voor Amerikaanse schepen van het Ministerie van Oorlog, later de Amerikaanse Marine. Zijn tijd en geld besteedde hij aan het bestrijden van de oorlogsdreiging van onderzeeboten. Ook Lindell T. Bates werkte hieraan mee. [14]

De spanningen en meningsverschillen met het CRB-hoofdkantoor groeiden. In augustus 1915 gaf Bates interviews aan twee New Yorkse kranten waarin hij zich voorstelde als de grote man van de CRB die, met Herbert Hoover naast zich in Londen, in de VS de bevoorrading van België had laten slagen dankzij ‘Big Business’.[15]Not only is The Commission for Relief in Belgium the greatest private enterprise ever undertaken in this country (…) it developed -due primarily to the genius of Lindon W. Bates, eminent among the civil engineers in the world- into one of the most efficient business machines of the world in a period of time so brief as almost to stagger belief.’

Het schoot het CRB-hoofdkantoor volledig in het verkeerde keelgat: Hoover was ‘The Chief’ van de CRB, niemand stond naast hem. Ook het zorgvuldig opgebouwde imago van humanitaire ‘charity’ organisatie geleid door vrijwilligers, kwam ter discussie. ‘In the late summer of 1915 it became apparent that Mr. Bates, because of overwork and his personal sorrow, was showing signs of an imminent breakdown.’[16]

Confrontatie Bates – Hoover in New York
Uiteindelijk ontkwam Herbert Hoover er niet aan om zelf naar New York te reizen en de zaak met zijn oude vriend Bates uit te praten. Ter plekke bleek het een onmogelijke taak. De controverse liep zo hoog op dat President Wilson in Washington eraan te pas moest komen om de escalatie in goede banen te leiden. Bates beet in het stof en Hoover werd op het paard getild. De President roemde in een verklaring het werk van de CRB voor de Belgische bevolking en vroeg een aantal prominente New Yorkse mannen op privé-basis een comité te vormen dat in de VS het totale werk voor Belgian Relief coördineren zou.

Lou Hoover was inmiddels met de twee zoons uit Californië in New York gearriveerd. Als compleet gezin reisden de Hoovers terug naar Londen. Met grote spijt over hun verloren vriendschap met de Bates. [17]

De ontbinding van The Woman’s Section
Tegelijk met het aftreden van Bates sr. maakte The Woman’s Section in december 1915 haar ontbinding van de ACRB en reorganisatie bekend. [10]
De Men’s Department heeft een resolutie aangenomen die vaststelt dat er geen dringende behoefte is om in de VS een oproep te doen tot liefdadigheid voor de Belgische bevolking voor zover het levensmiddelen zijn. Daarom is de Woman’s Section ontbonden en wordt ze allerhartelijkst bedankt voor haar werk en inspanningen.


De officiële verklaring van The Woman’s Section over de ontbinding heeft een preambule van vijf punten:

  • De Woman’s Section van de CRB is in december 1914 verzocht door de verenigde Amerikaanse en Spaanse ambassadeurs en buitenlandse comités, om de steun van Amerikaanse vrouwen voor hulp aan België. Dit leidde tot een oproep namens vrouwenorganisaties die vijf miljoen vrouwen vertegenwoordigden en leidde tot de oprichting van duizenden comités van Amerikaanse vrouwen die samenwerkten met duizenden Amerikaanse mannencomités. Zij zamelden geld, levensmiddelen en kleding in. Deze liefdadigheid voorzag tezamen met hulp van elders in de wereld en de bijdragen van de Belgische bevolking zelf, tot de overleving van zeven miljoen Belgen.
  • President Wilson heeft een comité van prominente Amerikanen recentelijk verzocht om het bestuur op zich te nemen van het werk dat in de VS verricht wordt door de Commission for Relief in Belgium, om het bestaan van te veel commissies voor dezelfde zaak, wat tot doublures leidt, te voorkomen.
  • De Commission heeft leningen kunnen krijgen voor levering van levensmiddelen aan België. Bovendien is een systeem van financiering ingesteld dat de Belgen die zelf betalen voor hun levensmiddelen een surplus in rekening wordt gebracht waarmee hun behoeftige landgenoten van eten kunnen worden voorzien. Daarom is geen nieuwe liefdadigheidscampagne in de VS gepland.
  • Het nieuwe comité, ingesteld door president Wilson, acht het noodzakelijk om een nieuwe liefdadigheidscampagne voor het inzamelen van kleding voor de Belgische bevolking te beginnen.
  • Omdat in maart 1915 de directeur van het CRB-hoofdkantoor in Londen aan de Woman’s Section de opdracht had gegeven geen kleding meer in te zamelen, waren talloze aan hen gelieerde kledingcomités inmiddels opgeheven.

Volgt het besluit tot ontbinding: Besloten zij dat, hoewel wij de Belgen onze sterkste morele steun, onze blijvende sympathie en onze onwrikbare hoop blijven betuigen, het actieve werk van The Woman’s Section als Nationale organisatie rechtmatig en ook daadwerkelijk als beëindigd wordt beschouwd.
The Woman’s Section van de Commission for Relief in Belgium wordt daarom hierbij ontbonden verklaard. Wij vertrouwen erop dat de leden van die grote internationale en nationale organisaties, clubs en staatscomités, wier onbaatzuchtige liefdadigheidswerk The Woman’s Section in staat heeft gesteld het lijden en de misère in België te voorkomen, op individuele basis zullen blijven samenwerken met de verschillende staats- en lokale comités die, in reactie op de oproep van het door president Wilson aangewezen orgaan, zich nu in het hele land zullen inspannen om kleding in te zamelen.

Mrs. Lindon W. Bates (Chairman), Miss Anne Morgan (Treasurer), Mrs. August Belmont, Mrs. Edward R. Hewitt, Miss Mary Parsons, Mrs. William K. Vanderbilt, Miss Maude Wetmore.


Prominente vrouwen in New York City vormden de Executive Board van The Woman’s Section in 1914/15. Vlnr. Mrs. Lindon W. Bates, Chairman, Miss Anne T. Morgan, Treasurer, Mrs. William K. Vanderbilt, Mrs. Howard R. Hewitt, Mrs. August Belmont, Miss Maude Wetmore, Miss Grace Parker, Secretary. De foto van Miss Mary Parsons ontbreekt, Fotocollage auteur.
New York Tribune, 19 december 1915, p.7

Reorganisatie tot Woman’s Section van de ‘Movement for National Preparedness’
De ontbinding van de relatie met de American Commission for Relief in Belgium stelden de New Yorkse prominente vrouwen van de Executive Board in de gelegenheid een eigen plan te trekken tot het vervolgen van hun activiteiten.
After many meetings and a full discussion of the subject involved, our board voted to dissolve, leaving the field to the men, and it was decided to take up as our next work the problem of national preparedness from the woman’s angle.’[11]
Op de ontbinding van de ACRB volgde direct de aansluiting van The Woman’s Section bij de Movement for National Preparedness (Beweging voor Nationale Paraatheid). De samenstelling van de Board bleef gelijk en werd aangevuld met Mrs. L. Van Rensselaer, secretaris, en Mrs. Frances McN. Bacon.

De Movement for National Preparedness ontstond in de VS na het uitbreken van de oorlog in Europa. Vooral oud-president Theodore Roosevelt en Generaal Leonard Wood pleitten voor actieve inzet van burgers om zich voor te bereiden op deelname aan de oorlog en het land te versterken op militair gebied. Het tot zinken brengen van de Lusitania bracht de beweging steeds meer aanhang. Zo ook de Woman’s Section.


 Ontbinding van de Woman’s Section van de
Commission for Relief in Belgium
Het bestuur reorganiseert in de
Woman’s Section van de
Movement for National Preparedness

De campagne ten behoeve van België, dit door oorlog geteisterde land, heeft de misstanden, vernederingen en gruwelen die een natie die niet in staat is zichzelf te verdedigen, kunnen overkomen, diep in de harten van de Executive Board en haar duizenden vriendinnen gegrift. Aangezien het niet voorbereid zijn van Amerika om zichzelf te beschermen een bedreiging vormt voor zijn voortbestaan,

Is besloten

Dat de Woman’s Section -voor zover haar leden daartoe bereid zijn- nu zal worden ingezet voor het patriottische werk om Amerika veilig te maken. Bij de oproep voor België, waren de Amerikaanse vrouwenorganisaties van harte bereid zich aan de zijde van de Woman’s Section van de CRB te scharen.

De Woman’s Section van de
Movement for National Preparedness

Vraagt de vrouwenorganisaties haar opnieuw te steunen bij de bescherming van ons eigen land. Bij de bewaking van de vrede hebben vrouwen een belangrijke taak. Laat de onoverwinnelijke kracht van Amerika de vrede waarborgen.’

Dan volgt de plechtstatige oproep:
Wilt u helpen om de wapens van kennis te verenigen met de trotse moed van onze voorouders, en eerzaam ons hoogstaande doel te bereiken? Wilt u zich aansluiten bij de Women’s Section for National Preparedness, ernaar streven de waarheid onder ons volk te verspreiden, onze onmacht en tegelijk onze plicht uiteen te zetten, en helpen het bewustzijn over onze hoge verantwoordelijkheid te doen ontwaken?


In een interview met The Evening Star, Washington DC, van 14 januari 1916 zal Josephine Bates het nieuwe doel van de Woman’s Section uiteenzetten. Ze is in Washington voor de vergadering van de National Civic Federation. Zowel de mannen- als de vrouwenafdeling houden hun bijeenkomsten daar. De Woman’s Section van de Movement for National Preparedness blijkt feitelijk te zijn samengesmolten met de vrouwenafdeling van de National Civic Federation. [12]

New York Tribune, 24 februari 1916

‘Woman Offers Sons to Defence’
Josephine Bates zette zich in de eerste vijf maanden van 1916 volledig in als voorzitter van de Woman’s Section van de Movement for National Preparedness blijkt uit krantenartikelen. Ze hield een vlammend en emotioneel betoog in Carnegy Hall.
“Een vrouw die haar zoon niet heeft opgevoed tot soldaat, heeft geen recht op bescherming van de zoon van een vrouw die dat wél heeft gedaan. Ik denk dat het moderne idee zou moeten zijn: ga naar de oorlog als het moet, dien als je kunt, maar ga.” Mannen en vrouwen schreeuwden zich schor en in veel ogen waren tranen te zien toen mevrouw Bates haar aangrijpende pleidooi beëindigde (…) tijdens de bijeenkomst in Carnegy Hall.’ [13]

‘Education
Josephine Bates, Mrs. Coffin van Rensselaer en anderen voerden campagne en toerden door de VS. Ze gaven lezingen in St. Louis, Buffalo, Rochester, St. Paul, Cleveland, Cincinnati, Columbus, Dayton en andere steden.
Josephine Bates noemde de campagne ‘entirely educational’ in een artikel in The New York Times van 4 mei 1916. Ze benadrukte twee hoofdpunten:
– ‘adoption by Congress of a defense program that shall meet with the approval of the army and navy experts, and universal military service.’ En
– ‘physical and moral training in the public schools (…) we do urge a system of training in matters of health, discipline, and conduct which shall make the boys fit for the military camps later.
Ze besloot met de opmerking: ‘The Woman’s Section is not a militaristic organization. We deplore militarism and do not want it. We want simply defense of America’s ideals and citizenry.’

The Machinery of the Relief Section
De New York Times merkte op dat de huidige organisatie van Josephine Bates de opvolger was van The Woman’s Section van de American Commission for Relief in Belgium. Daarom was er een grote en actieve achterban. ‘Although the reorganization made necessary a new enrollment, the machinery of the Relief Section was used and a large number of women united to conduct an educational campaign.’ Acht miljoen Amerikaanse vrouwen wist de Woman’s Section met haar drukwerk te bereiken.

Het verdriet en de rouw van de familie Bates
Josephine en Lindon Bates moesten hun werk voor de Commissie neerleggen. Samen met jongste zoon Lindell zetten ze zich volledig in voor de Amerikaanse veiligheid in oorlogstijd – ter nagedachtenis aan hun oudste zoon Lindon W. Bates jr. Ze planden een groot monument boven zijn graf op het landgoed van hun zomerverblijf in Mount Lebanon. Het monument zou nooit gerealiseerd worden.

In april 1924 is Lindon W. Bates sr. in Londen gestorven. Op dat moment was in Washington de rechtszaak aanhangig van de VS tegen de staat Duitsland waarin namens Josephine en Lindell Bates schadevergoeding werd geëist voor de schade die door de dood van Rox was veroorzaakt. Bates Engineering Company kon niet verder zonder zijn vice-voorzitter, er was geen opvolger meer, het bedrijf ging kapot. Na de dood van Lindon W. Bates sr. werd Josephine Bates financieel afhankelijk van haar jongste zoon Lindell. Lindell was de erfgenaam van Rox, zoals deze dat vlak voor zijn vertrek op de Lusitania had laten vastleggen.
De eis tot schadevergoeding werd toegewezen op 19 september 1924.

De laatste jaren van Josephine Bates
Het zomerhuis Lebanon Lodge in de Berkshires was door de Bates in 1922 verkocht. Het graf van Lindon W. Bates jr. op de top van de berg Mount Lebanon bleef eigendom.

Josephine Bates stierf aan een hartaanval op 73-jarige leeftijd in haar zomerhuis in Yorktown, New York. Ze is begraven naast haar oudste zoon en haar echtgenoot in het familiegraf op Mount Lebanon. In 1937 is ook Lindell Bates bijgezet in het familiegraf.

 

 

Voetnoten:
[1] Herbert Hoover aan Josephine Bates telegram 10 november 1914. CRB records 22003 box 114

[2] The Saturday Evening Post, 28 augustus 1915

[3] The Bates Family Story. Copyright 2018 by James R. Dodge. CAMOUPEDIA/Lindell T. Bates | Dazzle and Submarine Defense, online, geraadpleegd 20 juni 2023

[4] The Richmond Virginia, 15 mei 1915

[5] Lou Hoover Womanhood pays tribute to Bates New York Tribune 1915 06 11. HHPLM: BAEF: CRB London Office News Cuttings, 1915 May-August (Box 24)

[6] Lou Henri Hoover Papers, box 82, HHPLM

[7] HILA CRB-records 22003 box 352.3 New York Office Woman’s Section Records 1914-1915 Chronological file March-December.

[8] De archiefstukken in de CRB-records zijn slechts de documenten die vanuit de Men’s Department in New York bewaard zijn gebleven, verzameld in de CRB-records 22003 archiefbox 352 in de Hoover Institution Library & Archives. De beschrijving van de inhoud van het archief heeft me tot heden op het verkeerde been gezet. ‘Correspondence and memoranda, mainly between the Woman’s Section and the central New York Office of the CRB’ geeft een onjuiste interpretatie. Het gaat om de ‘Correspondence and memoranda between the central New York Office and the Woman’s Section’.
(OAC University of California Collection Guides Commission for Relief in Belgium (1914-1930) records, 1914-1930 Collection Overview New York Office Woman’s Section Records 1914-1915, https://oac.cdlib.org, online geraadpleegd, 13 maart 2026.)

[9] Anne Tracey Morgan Papers, Archives of The Pierpont Morgan Library, New York, online geraadpleegd 18 februari 2026

[10] In de CRB records van de Woman’s Section van de Pennsylvania State Committee heb ik de bekendmaking van de ontbinding teruggevonden (Box 474). HILA CRB records 22003 File 474.12 Pennsylvania Committee Files 1915-1917 Woman’s Section.

[11] The Evening Star, Washington DC, 14 januari 1916.

[12] Eind 1916 werd in het verlengde van deze vrouwenorganisaties de National League for Woman’s Service opgericht met opnieuw overlappingen van bestuursleden. Mrs. Coffin Van Renselaer werd vice-voorzitter.
Coffin van Rensselaer, The National League for Woman’s Service. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, Sep. 1918, Vol. 79. War Relief Work (Sep., 1918) pp. 275-282.

[13] The New York Tribune 24 februari 1916, p.2

[14] James R. Dodge ‘The Bates Family Story’, 2018. In: Camoupedia, Lindell T. Bates l Dazzle and Submarine Defense, 22 januari 2018. Online geraadpleegd 20 juni 2023.

[15]‘$70,000,000 in Foodstuffs Sent to the Relief of Belgium. Story of the Great Work that Is Being Done to Save from Starvation the Remaining Population of the Little Kingdom, Which Is on the Bread Line.’ The Brooklyn Daily Eagle, New York, 1 augustus 1915;
– ‘No Dividend. Big business Works for Charity. By Frank Marshal White’. The Saturday Evening Post, 28 augustus 1915.

[16] Kittredge, Tracy B., A History of the C.R.B. The History of The Commission for Relief in Belgium 1914-1917, p. 211.
Kittredge over de Amerikaanse vrouwenorganisaties: ‘Bates was quite willing to help Hoover in his new undertaking (…) his wife might be able to form a strong committee to enlist all women’s organisations in America to procure food and money.’ (p. 62). Verder geen verwijzing naar de inspanningen van Josephine Bates en The Woman’s Section.

[17] Miller, Jeffrey B., WWI Crusaders p. 260-266.
Miller noemt in zijn boek Josephine Bates die ook werk deed voor de CRB. The Woman’s Section noemt hij niet, p. 183.

De nieuwsbrieven van The Woman’s Section van The American Commission for Relief in Belgium

Josephine Bates was schrijfster, zij maakte wekelijks een uitgebreide brief als voorzitter van The Woman’s Section van ‘The American Commission for Relief in Belgium’.
De Belgische koningin Elisabeth en Henriëtte, prinses van België, de hertogin van Vendôme, waren de beschermvrouwen.

Josephine Bates in Brooklyn, New York op 6 januari 1915. Foto HILA

Achttien van haar nieuwsbrieven aan de voorzitsters van de State Committees heb ik teruggevonden in het archief van de Men’s Department van The American Commission for Relief in Belgium, New York (ACRB). De nieuwsbrieven van Josephine Bates geven updates over initiatieven en de stand van zaken voor de inzameling van geld en fysieke goederen, vooral zakken meel.
Bijgevoegd werden krantenknipsels over de Belgian relief en posters of leaflets om reclame mee te maken.

Newsletters of The Woman's Section to State Chairmen 1914-1915

NewlettersDate
December23, 31
January9, 23, 30
February6, 13, 20, 26
March6, 13, 18, 26
April2, 10, 16, 24, 30
Bron: HILA CRB records 22003 box 352.4
Persoonlijk
Josephine Bates geeft door haar persoonlijke teksten een inkijk in de manier waarop zij de maanden december tot en met april 1915 beleefd heeft. Haar brieven bejubelen de inspanningen van de Amerikaanse vrouwencomités in de verschillende staten, daartegenover staan de rauwe berichten uit België, waar een toenemend tekort aan levensmiddelen is. In de loop van de maanden neemt de opbrengst van de inzamelingen af en de behoefte van de Belgische bevolking toe. In de brieven van maart en april is tussen de regels door te lezen dat ze ontmoedigd raakt, maar met literaire retoriek het beste ervan maakt.

De nieuwsbrief van 23 december 1914 begint met: ‘I am sure you will be glad to know that the movement in behalf of the Belgians is going forward like an inspiration. All States are not contributing of course equally, but all are feeling deeply in this cause and the women are rallying everywhere.

De brief van 31 december bevat ‘Data regarding systems employed in different States’. De inhoud is zakelijk. Hoewel ondertekend met Josephine Bates’ was zij eind december hoogstwaarschijnlijk met vakantie en niet de persoon die deze nieuwsbrief heeft opgesteld. Haar onderscheidende zinsbouw en persoonlijke stijl in de ik-vorm ontbreken.

Josephine Bates-White hijst samen met de kapitein van SS Hannah de vlag in top voor vertrek uit New York naar Rotterdam van het ‘Kansas Relief Ship’. Foto: New York Times, 17 januari 1915. Foto Edwin Levick.

In de nieuwsbrief van 9 januari doet Josephine Bates trots verslag van het vertrek van SS Hannah, het zogenaamde Kansas ‘State Ship’, met levensmiddelen voor België. Zij had de eer de vlag te hijsen tijdens de vertrekceremonie van het schip. De lading bestond voor 50% uit schenkingen van de Kansas-bevolking, voor 50% uit CRB aankopen.

‘London Chairman wired several there were dead of famine’
Ze vervolgt in grote emotie over een bericht van Herbert Hoover, directeur van de Commission for Relief in Londen (CRB). Hij was in België en Noord-Frankrijk geweest: ‘Two days later came a cable from the London Chairman who had gone over to try and open up routes into the isolated South of Belgium, and North of France. He wired that several there were dead of famine. He told the Chairman of the Woman’s Section in a private message, that of all things what he dreaded most was these trips inside the country. He needed extremely such “efficiency” as he possessed, and he had all he could do to hold on to himself when he behold the scenes around him. Ten thousand in the Meuse district were face to face with death and many dead. (…)
Our gladness went into eclipse, and feverishly we started pushing again everywhere. But before God, I do not know any stone that the Woman’s Section is leaving unturned, or what we could do at this end more than we are doing to get them food. I am just as sure that our Chairmen are carrying the fate of these people, in the same longing eagerness upon their souls, and are doing their uttermost.’

Friends of Belgium – de katholieken

Mrs. Maude Keteltas Wetmore in 1917, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto: LoC online

Op 23 januari is haar aanhef ‘Dear friend of Belgium’ en behandelt ze het thema katholieke vrouwen. De Belgen waren katholieken, dus was het belangrijk de Amerikaanse katholieke vrouwenorganisaties te laten aansluiten bij de Woman’s Section, want ook de twee koninklijke beschermvrouwen. Koningin Elisabeth en Henriëtte, de zuster van koning Albert, de hertogin van Vendôme, waren katholiek. Om te beginnen was daarom het executive Committee uitgebreid met het zevende lid, een katholieke vrouw (mogelijk doelt zij op Maude Wetmore). Na geslaagde onderhandelingen kon de eenentwintigste nationale organisatie aan het totaal worden toegevoegd, de National Conference of Catholic Charities.

De brief eindigt met de Amerikaanse opdracht hoop te brengen: ’That your work may be prospered is my endless prayer. What a place America must fill continiously in the thoughts of these famished people! Hope is linked indissolubly with our Country’s name, and hope and life are one to them. A frail chance indeed must seem to them this golden thread of fraternity and sympathy, and the morrow must often loom black with disaster. Yet they have got food someway day after day (…)

De wekelijkse rapportage van het hoofdkantoor in Londen is zowel inspirerend als demoraliserend. De cijfers over de bevoorrading van België in de eerste twee maanden zijn bekend, maar de becijfering van wat nodig is in de komende drie maanden baart zorgen.

SS Lynorta vertrekt uit Boston naar Rotterdam. The Boston Daily Globe, 10 maart 1915.

The Woman’s Section en de ‘State Ships’
De vrouwenorganisaties in de Amerikaanse staten leveren levensmiddelen aan voor de schepen, de zogenaamde ‘State Ships’, die vanuit de havens bij hen in de buurt vertrekken. De nieuwsbrieven van 30 januari en 6 februari en later geven een opsomming van schepen met levensmiddelen, vooral zakken meel, die onderweg zijn of zullen gaan, SS South-Point, SS Lynorta, SS Strathtay, SS Cecilia, SS Wabana. SS Camino uit Californië is al sinds december op zee, SS Cranley en SS Washington zullen vertrekken uit Oregon.
Ships have been exceedingly scares and hard to get, but we have succeeded in chartering several more, as our pressing need has been met and we are saved from another anxiety.’

SS Harpalyce is het ‘Empire ship’ met schenkingen van de staat New York. Omdat The Woman’s Section in New York gevestigd is, is er extra betrokkenheid bij de lading van de Harpalyce.

SS Harpalyce

SS Harpalyce in Rotterdam, maart 1915. HILA CRB records 22003-10.A-V box 632 enveloppe II

Het ‘Empire Ship’, SS Harpalyce, vertrok 6 maart 1915 uit de haven van New York met bestemming Rotterdam. ‘New York Gift Ship to Sail Saturday’ kopte een artikel in The New York Times. ‘with a cargo of food for Belgium, all of which have been given by citizens of New York.[1]

Voor vertrek had het schip ook al aandacht gevraagd. De bemanning van het schip bestond voor de helft uit Chinezen. Zij bleken blikjes opium te bezitten, die door de politie in beslag werd genomen.[2] Bij het laden van het schip met zakken meel vanaf een lichter, kwam de lichter in problemen door de harde wind en zonk. De beladers slaagden erin het schip met lading direct boven water te hijsen, maar tweeduizend zakken meel ter waarde van $18.000 liepen waterschade op. De lading werd op het haventerrein uitgespreid om te drogen in de hoop dat de inhoud nog bruikbaar zou zijn. Inmiddels verspreidde er een gerucht dat de zakken meel onbruikbaar waren en dat iedereen die wilde mee mocht nemen wat hij of zij dragen kon. Hordes Italianen die woonden in Brooklyn South, stormden op de zakken af. Pas door politie interventie en na enkele schermutselingen konden de Italianen worden tegengehouden.[3] De interne reactie van de CRB Men’s Department was: ‘dit is een verzekeringskwestie’.

SS Harpalyce komt op 30 maart veilig aan in de haven van Rotterdam en lost haar lading. De lading was als volgt samengesteld.

De cijfers van George Gay, opgesteld in 1929, tonen aan dat het zogenaamde ‘Gift Ship’ in tonnage slechts 10% schenkingen aan boord had, 90% van de levensmiddelen waren aangekocht door de CRB. Het paste binnen de CRB-propaganda om de mythe van ‘de State Ships gevuld met schenkingen’ in leven te houden.

SS Harpalyce vergaat
Na lossen van de lading vertrok SS Harpalyce uit Rotterdam terug naar Virginia, VS. Het schip had voor de oversteek bunkerkolen nodig en zou in Newcastle, Engeland, deze kolen laden. Bij de oversteek van de Noordzee, ter hoogte van het vuurschip Noordhinder, werd het zonder enige waarschuwing getorpedeerd door een Duitse onderzeëer en zonk binnen luttele tijd. 17 bemanningsleden waaronder de kapitein kwamen om. Wereldwijd besteedden kranten aandacht aan deze wrede aanslag op het schip, dat ten onder ging met CRB vlaggen en de zeilen met opschriften ‘Commission for Relief in Belgium’ goed leesbaar aan de relingen.[4] In januari had de Harpalyce als CRB-schip reeds een eerste reis gemaakt van Boston naar Rotterdam.[5]

De interne reactie van de ACRB Men’s Department was: ‘het schip had onze lading in Rotterdam gelost, daarna hadden we niet meer met het schip van doen.’
Josephine Bates meldt desondanks in haar nieuwsbrief van 16 april, dat het vergaan van de Harpalyce een zware klap vormt, omdat het het Amerikaanse vertrouwen in de veiligheid van de CRB-schepen verder heeft ondermijnd.

Zakken meel in het ruim van SS Hannah. HILA CRB records 22003 box 624.

Concurrentie tussen ‘the Commission’ en het ‘Belgian Relief Fund’
De sympathie van Josephine Bates voor de hongerige Belgische bevolking gaat niet hand in hand met sympathie voor Belgen in de VS die zich inzetten om hun landgenoten te helpen via hun Belgian Relief Fund.
Ze heeft in haar nieuwsbrief van 30 januari een bestraffend woord aan het adres van twee State Committees die ‘de Commission’ ten onrechte verward hebben met het ‘Belgian Relief Fund’. Haar uitleg legt de Amerikaanse concurrentie met ‘de Belgen’ bloot, zij zijn aan het verspillen.
‘The Commission for Relief in Belgium, of which we are an integral part (its Woman’s Section), is the International, Official and only channel through which food and supplies can go to the Belgians. It has a transportation fund and ships, and is authorized by the English and German Governments to serve this need. In New York there is quite a different organization – “The Belgian Relief Fund” which has broadcast (…) saying it receives only money and expends this in New York. It has no transportation fund, or ships, so must take money only. (…)
Upon two of our own State Chairmen’s appeals I note that they speak of the Commission as the “Belgian Relief Fund.” I am therefore most regretfully obliged to state the facts. The issue of their appeal for “cash only” has crippled working groups, and dried up innumerable springs of help for the poor Belgians. (…)
The purchase of food in the City of New York is a waste because New York City is not a food center. Since our transportation fund exists to help food purchases in the interior of the country, it enables the Belgians to get every dollar put into nourishment. (…)
It is profoundly regrettable, and we have done our uttermost to get the group to confine appeals to New York State and not try to draw money away from our State Committees.[6]

SS Massapequa vertrekt uit New York. New York Tribune, 10 januari 1915

‘May the soul go with the blood through blessing generations’
De inhoud van de brief van 6 februari geeft inzicht met welke historisch gedreven motivatie sommige vrouwen zich inzetten. Josephine Bates schrijft: ‘(…) Belgium lovers will be pleased to know that Mrs. Jewett’s father was George H. Stewart of Philadelphia, who was President of the Christian Commission during the Civil War and collected $7 million for the soldiers. Mrs. Jewett says, “when he devoted his life to the soldiers for five years, it is only natural that his daughter should give up social duties when such a cause calls for help.” May the soul go with the blood through blessing generations!’

‘We creep on.’
It will surely interest our Chairmen to hear that from a State comes to the Men’s Department of the Commission word that the Committees for Belgian Relief were started there and are through-out sustained by women.’

De brief van 6 februari besluit met: ‘We creep on – friends dear – we creep on. For another week they will live, Thank God! Each day seems the unrepeatable miracle, yet each day somehow the disaster is suspended and they are kept alive. When this catastrophe is averted and the war is over and done, the Belgians ought to dedicate themselves to the dreams of the Race, for the world collectively has bought them with it’s heart’s best. For your loyal help, may the great Universal Soul requite you.’

‘Lectures and lantern slides’
In de brief van 13 februari het gegeven dat de commissies in de Amerikaanse staten aan de Woman’s Section vroegen om mensen die lezingen konden geven met lantaarndia’s. Daarom was samen met de Men’s Department besloten een ‘Lecture Bureau’ op te richten en drie mannen en twee vrouwen naar België te laten reizen zodat deze bij terugkeer uit de eerste hand verslag konden doen van de situatie. Twee mannen en een vrouw waren al vertrokken.

In de nieuwsbrief van 18 maart zal het initiatief een fiasco blijken. De vrouw had in Londen van Herbert Hoover geen toestemming gekregen naar Rotterdam en vervolgens naar België te reizen. Ze was niet gekomen om een levensmiddelentransport te begeleiden. Daarom moest zij bereid zijn tot een verblijf van drie maanden in bezet België. Dat weigerde ze en keerde gedesillusioneerd naar huis terug. Een van de mannen die wel in België was geweest, was bij terugkeer in New York’s haven dermate loslippig tegen de pers dat hij sensationele verhalen vertelde over de bewijzen van Duitse wreedheden tegen de Belgische bevolking. Het bewaren van neutraliteit was heilig voor de CRB, dus moest Lindon Bates zich in vele bochten wringen om afstand te nemen van de verhalen en werd niemand meer in België toegelaten.

Ss Cranley vertrekt uit Portland, Oregon. The Oregon Daily Journal, 24 januari 1915

Lokale problemen
De noden in de VS zijn ook hoog, werkloosheid en armoede vragen om locale steun. Josephine Bates gaat in de nieuwsbrief van 20 februari in op problemen in Chicago: ‘The women of Chicago are so neck-deep in local problems and are lifting in so many directions, that they have taken Belgium heretofore chiefly incidentally.’ Maar uiteindelijk was het gelukt hun focus ook op België te laten richten.

Rapport Rockefeller Foundation
Een rapport van de Special Expert Committee van de Rockefeller Foundation[7] over de situatie in België was verschenen waar uitvoerig uit wordt geciteerd. ‘For the purpose of providing relief in Belgium two distinct but intimately related sets of agencies have been created. In their financial operations, these agencies are interdependent, but in organization, in function, and in administrative control each while co-operating with the other maintains its separate identity and independence. These agencies are the Commission for Relief in Belgium and the Comité de Secours et d’Alimentation de Belgique. (…) We are satisfied as to the integrity, ability and high purpose of the men who are conducting these organizations and their work.’

Anne Morgan, penningmeester The Woman’s Section koopt tarwe voor de Belgische bevolking. The Herald Tribune, 16 februari 1915.

Geen kleding maar levensmiddelen
Op 26 februari deelt Josephine Bates mee dat kleding niet meer hoeft worden ingezameld en niet langer naar België zal worden gestuurd. Voorlopig hebben de Belgen genoeg kleding ontvangen, de winter is voorbij, maar de race tegen de hongersnood gaat voort. Schepen zijn schaars en kostbaar, alle scheepsruimte moet gevuld met levensmiddelen.
Op 18 maart meldt ze tevreden dat in totaal 15.000 ton aan kleding vanuit de VS naar België is verstuurd.
In een separate brief verwijst The Woman’s Section dat ingezamelde kleding alsnog welkom is bij nauw gelieerde vrouwenorganisaties, The Vacation War Relief Committee en The Polish Committee.

Locaties CRB Woman’s Section, Men’s Department en Bush Terminal in New York City.

The History of the Woman’s Section
Een bij de nieuwsbrief van 26 februari gevoegd krantenknipsel uit de ‘Herald’ toont volgens Josephine Bates een foto van Belgische schoolkinderen die wapperen met kleine Amerikaanse vlaggetjes uit dankbaarheid voor het land dat hen kwam redden.
In werkelijkheid hebben kinderen in België in februari 1915 eindelijk kadootjes ontvangen die met het Kerstschip Jason uit de VS waren verstuurd naar alle Europese kinderen in oorlogvoerende landen.

Amerikaanse kinderen stuurden kerstcadeaus naar Europa met de SS Jason. Na het uitdelen in Luik maakte een Amerikaanse fotograaf deze foto. ‘Liege School Children Carrying United States Flags at Ceremony of Thanks to Americans.’ Piqua Leader-Dispatch, Piqua, Ohio, 13 maart 1915. Coll. HILA

In Luik is ter gelegenheid van de verjaardag van George Washington op 22 februari 1915 een straat naar hem vernoemd. ‘Is this not touching, with England and Germany both leaving the Belgians to die? Well, Friends, “Let us then be up and doing, with a heart for any fate.”’ Een tweede bijlage is ‘The History of the Woman’s Section’.

De brief sluit af met ‘I feel almost guilty that I must tell you, Friends, the bad news this week. (…) Besides, “The darkest hour is just before the dawn,” and I feel certain that there is a sunburst waiting just under the horizon for poor, desolate Belgium.’

SS Washington vertrekt uit Portland naar Rotterdam. Intelligencer Seattle, Washington, 20 januari 1915. HHPLM News Cuttings Box 3.

‘Worst case’-scenario
De brief van 6 maart begint met ‘A good week!’ Maar vanwege de problemen die er ook zijn geweest ‘we have stripped the movement to the bone in last economies’, geeft Josephine Bates haar lezers een ‘inward outlook.’ Zij en haar man Lindon W. Bates hebben een inschatting gemaakt van de ‘worst case-scenario’ en stellen vast, dat ze de Belgen in ieder geval nog vijf weken hulp kunnen bieden. Zij vervolgt: ‘We are not down by any manner of means, nor are the Belgians forsaken. (…) So do not lose heart.’

De nieuwsbrief aan de State Chairmen geschreven door Josephine Bates, voorzitter van The Woman’s Section gedateerd 6 maart 1915, blz. 1. Coll. HILA CRB records 22003 box 352.4.

Rust nemen
Op 18 maart deelt Josephine Bates mee dat zij en haar man versleten zijn en rust gaan nemen van het werk. ‘Mr. Bates is almost worn out. (…) He not only works ordinarily until nine o’clock, but often he is up four times before morning on cables and special calls, for one office shift works all night.’ Ze zullen voor een week vertrekken naar hun huis in de bergen. ‘However, unless some special need arises, I will allow myself also such incidental rest as I can snatch.

Een week later, op 26 maart, schrijft ze toch de volgende nieuwsbrief, want de vakantie is voor onbepaalde tijd uitgesteld vanwege problemen met het Californische schip SS Camino. Lindon Bates moest in New York blijven.

‘Lace is lace’ – Kant is kant
Ze neemt een speciale taak op zich die The Woman’s Section wordt toevertrouwd: een tentoonstelling van Belgisch kant organiseren om de Belgische kantwerksters in leven te houden. Reeds op 7 november 1914 had Herbert Hoover vanuit Londen de vraag bij haar neergelegd.
‘If we could give employment fifty thousand women lace workers, if we could sell lace embroidered handkerchiefs at a quarter and would cost about ten cents to give them living wage, they could contain famine remark. What do you think of it?’
De tentoonstelling zal er nu dan eindelijk komen. Maar de CRB-Londen is rijkelijk laat. Andere vrouwenorganisaties in New York zijn al Belgisch kant aan het verkopen.[8] Wederom steken concurrentiegevoelens de kop op.
Op 17 maart stuurt Lindon Bates een telegram aan het CRB-hoofdkantoor in Londen: ‘Advise definitely when may expect lace shipment. (…) wish to plan our selling campaign. (…) other parties, claiming to represent Belgian Lace-makers, commenced selling campaign and have exhibition here lace display. Important you act quickly.[9]
Op 2 april is het kant er nog niet, maar er was al veel interesse van warenhuizen om over te gaan tot verkoop. De Belgische kanten zijn aangekomen blijkt uit de brief van 10 april, maar Josephine Bates heeft geen affiniteit met het kant. Ze gelooft niet in verkoop in de economische zware tijd. Gelukkig is medebestuurslid Mary Parson kantexperte. ‘The lace! It is certainly amusing that of all our features this is creating the most interest. I myself so shrank from the responsibility that I prayed some big firm would come along and carry the whole project. (…) An expert says if the quality is very fine the lace will all be purchased before we can turn around. This seems impossible in such hard times, but perhaps “lace is lace”. (…) Happily we have upon our Committee a great lace expert, Miss Mary Parsons, and she will be a good chairman to supervise matters generally.’

Pas twee weken later gaan de kisten met kant open, wat een genot! Het plan van de Belgische CRB om de kantverkoop in de VS zodanig op te zetten dat de Belgische professionele kantwerksters daardoor werkgelegenheid zullen hebben, is verlaten. Dit is de enige zending kant uit Brussel die op de markt zal worden gebracht. ‘What a delight – the filmiest, finest, most exquisite confections you could imagine! Some pieces are old. These are of course the most lovely, but the new are worthy copies of Museum pieces. We are hurriedly getting out invitations for an Exhibit at the Colony Club on April 29th. It had been planned by the Belgian Committee to keep up enough sales of laces to secure for expert work-people, employment. This idea, however, has been abandoned. The present exhibit will be the only consignment sent from Brussels.

Op 29 april 1915 in de Colony Club kunnen genodigden kennisnemen van oude en nieuwe Belgische kanten speciaal toegezonden aan de Woman’s Section van de CRB. De partij zal verkocht worden in één lot aan een groot warenhuis. [10]

Bread lines en radicaal andere financiering van bevoorrading

De poster met de ‘Bread Line’. De foto is in scène gezet en gemaakt op de Markt in Mechelen. Foto: Underwood & Underwood, NY. HILA Philip Chadbourne Papers.

Josephine Bates benadrukt in haar brieven dat de inzamelingen in de VS vanuit de logistieke operatie vereisen dat ze zes weken vooruitlopen op de ‘Bread Lines’, de rijen voor de winkels en soepkeukens in bezet België. Een Amerikaanse oorlogsfotograaf maakte in CRB-opdracht een in scène gezette, suggestieve foto van een ‘Bread Line’ in Mechelen. Het beeld werd als poster verspreid door heel Amerika.[11]
Maar de eerlijkheid gebied haar op 26 maart te schrijven dat er een radicale oplossing voor de financiering van de levensmiddelenbevoorrading voor bezet België moet komen. ‘The whole problem has now reached a vastness calling for radical supplements of income. The matter has been taken up by the Officials here and in London.’

Amerikaanse bijdragen zijn niet genoeg, het hoofdkantoor in Londen gaat inzetten op steun uit Argentinië, Australië en Nieuw-Zeeland; in Engeland zal ook een ‘appeal’ komen.

‘The National Committee for Relief in Belgium’ in Groot Britannië
Op 10 april maakt Josephine Bates melding van een belangrijke commissie in oprichting in Engeland. Er zal een vrouwencomité komen naar voorbeeld van haar eigen Woman’s Section. ‘A Woman’s Section, modeled upon ours, is being organized and an appeal is to be made on behalf of the Belgians to the whole United Kingdom.’
Zij besluit haar nieuwsbrief dat het niet veel langer moet duren dat de last om de Belgen te helpen op ‘ons’ zal rusten. ‘Not very much longer can we all be called upon to hold the Belgians up on the verge of the abyss. (…) Salvation must be surely almost within sight, the triumph almost within reach. (…) that we shall make – the goal- that is our endless prayer.

Uit de nieuwsbrief van 24 april blijkt dat de Britse commissie is opgericht.[12] Leden zijn o.m. de aartsbisschop van Canterbury, de Hertog van Norfolk, Lord Rosebery, Lord Bryce, de burgemeester van Londen en twee Ierse politieke leiders. Het CRB-hoofdkantoor in Londen laat per telegram weten dat de commissie een ‘Woman’s Section’ zal oprichten naar voorbeeld van New York, samengesteld uit de meest vooraanstaande Britse vrouwen. Josephine Bates schrijft: ‘These will collectively organize a “Woman’s Section composed of the most famous British women to follow your lead”. (…) Well, if they enlist the co-operation of as devoted a body of Chairmen as have served the Woman’s Section, the work will be blessed’.

Opstapeling van goederen in Bush Terminal

Laden van zakken meel bij Bush Terminal, Brooklyn. HILA

Door het gebrek aan Britse schepen lukte het niet om half april de aangeleverde levensmiddelen voor België uit de opslag van Bush Terminal op CRB-schepen te laden. Het blokkeerde de afhandeling van lading voor andere verzenders. ‘Everybody’s temper was on edge. Next, our own Committees began writing to know why their consignment had not sailed. There was grief all around. Meanwhile we sought in every port for ships to replace those commandeered. We succeeded at last, but only after many trials, in moving cargoes.

CRB-Londen verzoekt The Woman’s Section te stoppen
In de laatste nieuwsbrief van 30 april 1915 schrijft een uitgelaten Josephine Bates dat het karwei geklaard is, het is tijd om uit te rusten.
‘We have come to the cross-roads. For a time we are all to rest – to rest!’
De Belgische bevolking is er beter aan toe dan de bevolkingen van andere in de oorlog betrokken landen. Vanuit Groot-Brittannië zal verder worden gewerkt.
From blood-red fields we have carried the broken in body and bound up their wounds. We have clothed the naked and sheltered the oppressed. Chiefest of all we have stood in the narrow pass, holding in our hands the fate of a nation. In our faithfulness lay the Belgian people’s chance of survival. On our generosity swayed her destiny. To-day her people are safe, beyond the safety of those in any of the other war-ridden countries. Clean-souled we can lay our burdens down for our first breathing spell. We are free, all of us for a time – to rest!
The response of America has been very, very generous. The kindness of the outside world has been proportionate. The English government has, in collateral ways, now again come to assist. A representative British Citizens’ Committee has just launched a campaign, which is to gather funds throughout the English Colonies.

Tot 15 augustus 1915 zijn voldoende voorraden levensmiddelen voorzien; daarna zullen de oogsten in België van het land komen. Het CRB-hoofdkantoor verzoekt The Woman’s Section tot in het najaar geen oproepen voor hulp meer te doen in de VS; ze zouden verstorend kunnen werken op de oproepen in Engeland.
De verwachting is dat in het voorjaar de Britse militairen het Duitse leger terug zullen drijven tot achter de Maas en zodoende België weer voor de eigen bevoorrading zal kunnen zorgen. ‘It is fair, that America shall for a time be released from duty. The Woman’s Section is transferred to the Men’s Headquarters 71 Broadway.’ Bijdragen voor België blijven welkom bij de mannenafdeling.

Afsluitende woorden van diepe dankbaarheid

De laatste nieuwsbrief van The Woman’s Section, 30 april 1915.

‘I carry you today, what will be to you as it is to us, tidings of great joy. This will be, Friends dear, I expect my last letter to you until the Autumn.’
Vervolgens drukt Josephine Bates zich in meerdere alinea’s uit in prozaïsche woorden van diepe dankbaarheid en liefde voor het werk dat voor de Belgen is verricht. Ze eindigt haar brief met ‘My heart goes to you in tear-laden gratitude.’

Financiële afsluiting
De financiële afsluiting van de werkzaamheden van de Woman’s Section en overdracht aan de Men’s Department krijgen hun beslag met de verklaring van E.J. Williams, de assistent penningmeester, aan Miss Anne Morgan, penningmeester van The Woman’s Section.
De uitgaven en inkomsten zijn gecontroleerd en in orde bevonden ‘all cash has been properly received by them and receipted for, safe-guarded and honestly and judiciously disbursed. We have taken over and receipted to you for the remainder and are keeping a strict account of all moneys received and will expend the balances as directed by your good selves.’[13]
Josephine Bates ontvangt copie van de brief aan Anne Morgan; de goedkeuring op de financiële verantwoording is gedateerd 7 mei 1915.

Tot slot

‘Relief ship’ met aan beide zijden een graanelevator, die graan overslaan in binnenvaartschepen, Maashaven, Rotterdam. Foto: Vernon Kellogg, Fighting Starvation in Belgium.

Vanaf mei 1915 is het gedaan met het vervoer van levensmiddelen door ‘State Ships’ naar Rotterdam. Zakken meel hebben afgedaan in de logistieke operatie van de CRB. Ze zijn als vracht vervangen door tarwe in bulk dat in de havens geladen en gelost kan worden door graanelevatoren. De tarwe zal gemalen worden in de Belgische maalderijen.

Op 1 mei is Josephine Bates’ oudste zoon Rox in New York ingescheept op het Britse passagiersschip Lusitania op weg naar Liverpool. Hij is uitgenodigd bij de Hoovers in Londen om zich in te werken in de Europese CRB-operaties, daarna zal hij naar bezet België vertrekken. Op 7 mei wordt de Lusitania tot zinken gebracht door een Duitse onderzeëer. Rox Bates komt om.

The Richmond Virginia, 15 mei 1915

De tragedie voor Josephine en Lindon Bates is compleet.
Na die dag is CRB records 22003 box 352, de archieffile van de Woman’s Section, nagenoeg leeg.

 

 

Voetnoten:
[1] The New York Times, 4 maart 1915, p.4.

[2] Boston Evening Transcript, 5 maart 1915.

[3] The New York Times, 1 maart 1915, p.3.

[4] Leids Dagblad 13 april 1915.

[5] The Boston Globe, 8 januari 1915, p. 1 en 5. SS Harpalyce vertrok uit Boston, uitgezwaaid door honderden mensen, waaronder Madame Lalla Vandervelde.

[6] Zie ook New York Tribune, 29 januari 1915: “Do not spend your trust relief fund by purchasing unwisely at seaboard; buy in your own state, or, preferably, in the primary interior centres of food production, and let us pay the freight from the primary food centres, thereby making your funds go from 5 per cent to 15 per cent further” is the appeal made yesterday to governors and state committees by the CRB.

[7] Zie ook The New York Herald ‘Fortunes of Americans Pledged to Aid Belgians’, 28 februari 1915, p.5.

[8] 7 november 1914, CRB Records box 114 HILA. Op 9 november zou Lindon Bates over de kantwerksters antwoorden aan Hoover: “Mrs. Bates will arrange after preliminary meeting take up lacemaking proposition and carry out your valuable suggestion.” (CRB Records 22003 Box 5, HILA)
Over verkoop kant door anderen: The New York Tribune, 23 maart 1915, p.7: ‘Lace made by Belgian women will be put on sale on April 5 at a café dansant to be given at the Hotel Astor, under the auspices of the New York State Association Opposed to Woman Suffrage. Mile. Jean Perichon, who spent seven months at the front and received the Chevalier Order of Leopold for her Red Cross services, will be in charge of the booth.’

[9] Telegram Lindon Bates aan Hoover, Londen, 17 maart 1915. HILA CRB records 22003 box 114 New York Cablegrams nr. 1 en 2., CRB Londen Office

[10] The New York Times, 27 en 28 april 1915.

[11] Foto Underwood & Underwood, NY. HILA, Philip Chadbourn Papers nr. 63021 box 2

[12] Zie ook het artikel in The Guardian, Londen, 27 april 1915, p.4: ‘Feeding Belgium. The American Commission’s Need for Help.’ Leden van de nieuwe Britse commissie zijn een eindeloze rij met mannennamen. Aan het einde van de lijst zijn acht vrouwennamen toegevoegd: ‘The Countess Roberts, Lady Jellicoe, Miss Marie Corelli, Miss Beatrice Harraden, Miss F. Tennyson Jesse, Mrs. Pankhurst, Miss May Sinclair, and Mrs. Humphry Ward.’ Er wordt geen gewag gemaakt van een ‘Woman’s Section.

[13] CRB records 22003 box 352.3 New York Office Woman’s Section Records 1914-1915 Chronological file 1915 March-December.

De koninklijke beschermvrouwen van The Woman’s Section van The American Commission for Relief in Belgium

In ‘The Woman’s Section’, het netwerk van Josephine White Bates  heb ik het ontstaan van het Amerikaanse vrouwencomité en haar relatie tot ‘The American Commission for Relief in Belgium’ in New York (ACRB), respectievelijk de ‘Commission for Relief in Belgium’ in Londen (CRB) beschreven.
The Woman’s Section van de American Commission for Relief in Belgium in New York was een netwerk dat via de aansluiting van Amerikaanse vrouwenorganisaties -op papier- vijf tot zes miljoen welgestelde en invloedrijke vrouwen door de Verenigde Staten heen vertegenwoordigde. Het netwerk deed een oproep aan de betrokken vrouwenorganisaties levensmiddelen voor België in te zamelen. Tussen december 1914 en april 1915 stelde de schrijfster Josephine Bates achttien nieuwsbrieven op voor haar State Chairmen.

Koningin Elisabeth, foto in ‘The History of The Woman’s Section’.

Koningin Elisabeth en Henriëtte, prinses van België, waren de beschermvrouwen van The Woman’s Section. Op welke manier zijn  de Belgische koninklijke hoogheden bij het Amerikaanse vrouwennetwerk betrokken geraakt, welke toon om hulp sloegen zij aan?

‘American Woman’s Section’ wil officiële Belgische erkenning

Josephine White Bates, (Mrs. Lindon Bates), 1915.

Toen Josephine Bates haar groep van vrouwen in de upper-class van New York ging formeren vond zij de dames bereid toe te treden, op voorwaarde dat er expliciete Belgische erkenning werd verkregen alvorens hun namen bekend te maken. Lindon W. Bates bracht het verzoek over aan Herbert Hoover op 5 november 1914.
‘AMERICAN WOMAN’S SECTION. Mrs. Bates is decidedly busy re the personnel of the group and ran against a snag again in the shape of a ‘sine qua non’ that there be official Belgian recognition here, before certain valuable names could be telegraphed to you. I attended a meeting of theirs, their last meeting.’ [1]

Prominente vrouwen in New York City vormden de Executive Board van The Woman’s Section in 1914/15. Vlnr. Mrs. Lindon W. Bates, Chairman, Miss Anne T. Morgan, Treasurer, Mrs. William K. Vanderbilt, Mrs. Howard R. Hewitt, Mrs. August Belmont, Miss Maude Wetmore, Miss Grace Parker, Secretary. De foto van Miss Mary Parsons ontbreekt, Fotocollage auteur.

Op 8 november herhaalde Bates tweemaal zijn verzoek: ‘Publication high Belgian appreciation of women’s movement, now launched by very strong committee, would be useful.’
Vervolgens, met verwijzing naar Miss Anne Morgan die vroeg om bevestiging van de hoogst mogelijke Belgische autoriteit: ‘Confidential. Anne Morgan and other important women decide Mrs Bates should have appointment supplemented by cable confirmation highest attainable Belgian authority, direct or by positive instructions to Belgian Minister Washington.’ [2]

 Het antwoord uit Londen was dat een bevredigende oplossing in het verschiet lag. ‘Expect have satisfactory solution all organization matters in few days mainly on lines your suggestion.’ [3]

Koninklijke ‘appeals’
Koningin Elisabeth en koning Albert riepen in najaar 1914 op tot voedselhulp voor de Belgische bevolking via Amerikaanse kranten en tijdschriften. Meerdere ‘appeals’ kwamen tot stand via het hoofdkantoor van de CRB in Londen, ze werden opgesteld in overleg met Amerikaanse diplomaten in Londen en Brussel en via de Ambassadeur van de VS in Groot-Brittannië aan de CRB in Londen ter hand gesteld.

Koningin Elisabeth bezoekt de loopgraven. 

Een opmerkelijke gang van zaken, omdat de Ambassadeur van België in de VS geacht zou mogen worden hier een rol in te hebben. Maar de oorlog in Europa doorbrak diplomatieke gebruiken: België was door Duitse militairen bezet; de Belgische regering was gevlucht en installeerde zich in Le Havre, Frankrijk; koning Albert en koningin Elisabeth verbleven achter het front in De Panne, België; vanuit Londen werd rechtstreeks met het Belgische hof gecommuniceerd ten behoeve van berichten voor de VS.

Koningin Elisabeth’s oproep in haar eigen handschrift, geschreven op 28 oktober 1914, gepubliceerd in The Ladies Home Journal in februari 1915. Herbert Hoover claimde de oproep voor de koningin zelf te hebben opgesteld.
De cover van The Ladies Home Journal, januari 1915.

Ladies Home Journal en de oproep van koningin Elisabeth
Op 10 november ontving Lindon Bates bericht van Hoover, dat hij zèlf enkele weken eerder voor de Belgische koningin een oproep tot hulp had opgesteld die inmiddels door haar was ondertekend. De oproep van de koningin was bestemd voor het Amerikaanse tijdschrift Ladies Home Journal, van wie de hoofdredacteur Bek had toegezegd de CRB in Londen te willen ondersteunen. Hoover vond het bezwaarlijk opnieuw de koningin te benaderen, dus stelde voor dat er vanuit New York contact zou zijn met Bek om de oproep van de koningin ter beschikking te stellen van de Woman’s Section.
‘About three weeks ago Bek, Ladies Home Journal, asked Page secure for him an appeal signed by Queen Belgium. I wrote the document and Queen signed, Bek agreeing raise funds for our Commission. The wording this letter exactly fits the Women’s division. Bek proposed produce in December number. Do not know how to get it out of his hands now, but seems to me Bok should be willing adapt his fund and appeal to Womens division, this document then constituting their Charter. I find it embarrassing get the same substance again from this quarter….’ [4]  Josephine Bates reageerde met: ‘Shall try adjust Bok situation’. [5]

Het dagboek van Hugh Gibson
Een reconstructie, gemaakt op basis van het dagboek van Hugh Gibson, secretaris van de Amerikaanse ambassade in Brussel, laat zien hoe de oproep van koningin Elisabeth voor The Ladies Home Journal tot stand kwam. [6]

24 oktober 1914 in Londen
Another strenuous day on the food question and other things. My plans were to leave for Brussels on Monday morning, but in the evening the Ambassador (Page) sent for me and it was decided that I should go to Havre and from there to see the King and Queen.

26 oktober 1914 Le Havre – 28-29 oktober Duinkerken – De Panne
I had just got inside when the door opened and the King came in. He had heard that I was coming to see the Queen. And had motored down from Furness. (…)
I suggested to him that it would probably help our committee in raising funds if he would write an appeal for help from America. He fell in with the idea at once, and together we got out an appeal that is to be sent across the water. Just as we were finishing, the Queen came and bade us in to tea. …. I suggested to the Queen that she, too, make an appeal to the women of America, to which she agreed. Another appeal was prepared for her, and it, too, will be sent to America by the first post.

2 november 1914 Londen the Embassy
I got off some telegrams about my trip, and was told the Ambassador (Page) wanted to see me. Hoover was with him, and I turned over to them the appeals from the King and Queen.

Koningin Elisabeth’s oproep, gepubliceerd in The Ladies Home Journal in januari 1915.

Niet in december 1914, maar in het nummer van januari 1915 van Ladies Home Journal verscheen de oproep van koningin Elisabeth. De beleefde toon van haar boodschap verdiende een dwingender geluid. Vandaar de emotionele oproep van de Amerikaanse ambassadeur in Londen: ‘Who Will Save a Starving Child?’

Madame H.- en Madame Vandervelde – an awkward, stupid situation
De eerste officiële oproep tot hulp voor België van de Woman’s Section op 16 november 1914 benoemde geen Belgische erkenning of Belgische autoriteit. [7] Kennelijk was er geen oplossing  gevonden via The Ladies Home Journal.

Waarom was er geen alternatief ontwikkeld? Dat had Josephine Bates wel degelijk. Ze had in een vroeg stadium mevrouw Havenith, de vrouw van de Belgische ambassadeur gevraagd als beschermvrouwe, vervolgens ook Madame Vandervelde, maar het gaf onoverkomelijke problemen.
‘At the request of my Committee, I very early asked the wife of the Belgian minister to be one of our two Honorary Patronesses. The Minister declined to recognize any appointment of the American Commission (…) having still much pressure from my own Committee, I sat down and in the name of the Woman’s Section, myself wrote to Madame H.-in Washington, asking her to accept a place as Honorary Patroness of the Movement.
(…)

Lalla Vandervelde. Foto: Mathilde Weil, Philadelphia, 1914. Coll. Library of Congress

Mr. De Forest (vice-president of the Belgian Relief Fund) requested, however as a personal favor to them, that we extend to Madame Vandervelde the privilege of acting as one of our two patronesses. In deference to the De Forest Committee, we agreed to do this, and in the name of the Woman’s Section, I sent a letter at once – Mr. De Forest himself directing and sending it on. (…)
The days have passed and we are now at the 28th (November). Neither letter acknowledged by either party. Finally, two days ago, I received from Madame Vandervelde a letter saying that so very many Belgian committees had wished the use of her name, she had been obliged to allow the use of it to none. This eliminated her.
(…) last night after all the waiting, I had from Madame H— an acceptance as patroness to the Woman’s Section.
Since our literature is all out, our letter-heads and our appeals, it makes an awkward, stupid situation. I am the more reluctant to incorporate her name since we have had our exchange of cables in relation to a royal patroness. I am awaiting a reply from your side and then I will have to submit to my Committee the whole subject. If it were of my own deciding, it would be settled very rapidly!!![8]

Koninklijke beschermvrouwen – ‘American sisters’
In de laatste alinea van haar brief noemt Josephine Bates een telegramuitwisseling tussen haar en Herbert Hoover over een koninklijke beschermvrouwe. Op 25 november vroeg ze aan Hoover: “Woman’s Section would welcome patroness“. Op 28 november heeft ze hem suggesties gestuurd hoe CRB-Londen de koningin en prinses kon laten antwoorden op de uitnodiging beschermvrouwe van The Woman’s Section te worden.
In bloemrijke woorden waarin haar schrijverschap te herkennen is, benadrukte Josephine Bates het zusterschap tussen de Belgische en Amerikaanse vrouwen. ‘Reply anything worthy of the National need, suggest somewhat as follows, begins “From the trenches of the Yser from its flooded verge, this narrow strip of Belgium still held free for the womanhood of all our country, however mute, we send tender greetings, with the woman’s section and the leaders of the great organisations supporting it we stand gladly for our people. As woman, mother and their Queen, we who were about to die, salute our American sisters, praying as we go into deepening valleys of travail to match with enduring bravery the sympathy and loving kindness from over-seas.” ‘ [9]

CRB-Londen retoriek: van ‘diepe dankbaarheid’ tot ‘extreme ellende’

De acceptatie boodschap van Koningin Elisabeth en Henriette, prinses van België, als beschermvrouwen van The Woman’s Section, 29 november 1914.

Josephine Bates’ woorden over het zusterschap zijn ver te zoeken in de uiteindelijke acceptatie van de koningin en de prinses.
De mannen van het CRB-hoofdkantoor in Londen stelden de teksten op die ze nodig hadden voor hun onderneming. Optreden namens ‘het Belgische volk’ vroeg om een stevige retoriek: de nadruk moest liggen op diepe blijken van dankbaarheid gevolgd door kreten om hulp.

De intrigerend opportunistische krantenkop ‘Koningin van België treedt toe tot de Commissie‘ en ‘Stuurt Ontroerende Boodschap vanaf Oorlogsslagveld naar Amerikaanse vrouwen’ in de New York Tribune, 8 december 1914

Koningin Elisabeth vanuit ‘het Belgische Militaire Hoofdkwartier’ volgde de opzet van het CRB-hoofdkantoor en ondertekende. Henriette, de prinses van België, evenzo. Josephine Bates ontving het telegram van Herbert Hoover op 7 december. Het leidde tot een intrigerend opportunistische krantenkop in New York City: ‘Koningin van België treedt toe tot de Commissie‘ en ‘Stuurt Ontroerende Boodschap vanaf Oorlogsslagveld naar Amerikaanse vrouwen’.

The Woman’s Section in New York publiceerde de koninklijke berichten in folders die ze uitstuurde in december 1914. ‘These messages, welling out of agonized hearts were so profoundly pitiful and appealing that they told as nothing else could, the extremity of sorrow and suffering in Belgium’. [10]

Conclusie
Josephine White Bates is er in geslaagd The Woman’s Section van The American Commission for Relief in Belgium in New York te vestigen.
Het vinden van erkenning voor haar comité onder Belgische gezagdragers in de VS slaagde niet.
In plaats daarvan werden koningin Elisabeth en Henriette, de prinses van België, vanuit CRB-Londen in Europa aangezocht tot beschermvrouwen van The Woman’s Section. Het stelde het CRB-hoofdkantoor in Londen in de gelegenheid de Belgische koninklijke hoogheden de retoriek van de CRB-leiding in Europa tot het Amerikaanse volk in de mond te leggen: de boodschap van diepe dankbaarheid en extreme ellende.

Prinses Henriette, Hertogin van Vendôme, collecteert in Londen voor hulp aan haar landgenoten. New York Times, 2 november 1914.

 

Voetnoten:
[1] 5 november 1914 CRB Records Box 5 HILA-album Lindon Bates correspondence)

[2] 8 november 1914 CRB Records Box 5, HILA

[3] Telegram H. Hoover aan L. Bates, 9 november 1914 CRB Records Box 5, HILA

[4] 10 november 1914, CRB Records 22003 box 114 HILA

[5] received 12 november 1914, CRB Records 22003 box 114 HILA

[6] Gibson, Hugh, A Journal from our Legation in Belgium. Toronto: William Briggs. Garden City, N.Y.: The Country Life Press, 1917., p. 284-297.

[7] 16 november 1914

[8] Brief Josephine Bates aan Herbert Hoover, 28 november 1914, LHH Papers Box 82 HHPLM

[9] 25 november 1914 CRB records 22003 box 352.1;  27 november 1914 CRB Records 22003 box 114 HILA

[10] History of The Woman’s Section of the Commission for Relief in Belgium, February 26, 1915, p.15

The Woman’s Section van The American Commission for Relief in Belgium, het netwerk van Josephine White Bates

De totstandkoming in New York van de ‘American Commission for Relief in Belgium’ (ACRB) is mede te danken geweest aan de ‘The Woman’s Section’, geleid door Josephine White Bates, die zich ontwikkelde, parallel aan de Men’s Department’, geleid door Lindon W. Bates, echtgenoot van Josephine.
Lou Henry Hoover, vanuit San Francisco, en haar echtgenoot Herbert Hoover, vanuit Londen, UK, waren beiden in nauw contact met zowel Josephine als Lindon Bates over de gang van zaken.

Josephine White Bates, schrijfster, foto: online

Inleiding
De schrijfster Josephine White Bates zette in het najaar van 1914 een netwerk van vrouwenorganisaties op, die in theorie vijf miljoen vrouwen door de Verenigde Staten heen vertegenwoordigde. Het netwerk deed een oproep aan de betrokken vrouwenorganisaties in samenwerking met andere Belgian Relief comités levensmiddelen voor België in te zamelen.

Mijn vragen waren: Hoe kwam The Woman’s Section van The American Commission for Relief in Belgium tot stand en tot wanneer is het actief geweest? Josephine Bates en Lou Henry Hoover kenden elkaar goed. Welke relatie had Lou Hoover met The Woman’s Section? Op welke manier is koningin Elisabeth van België bij The Woman’s Section betrokken geraakt? Welke relatie is er te leggen tussen The Woman’s Section en de versierde meelzakken?

Onderzoek en bronnen
1) De bekendste bron over de oprichting van The Woman’s Section is de eigen ‘History of Woman’s Section, 26 februari 1915’, verschenen binnen vier maanden na de oprichting.
2) In mei 2022 heb ik in de Hoover Institution Library & Archives (HILA), op Stanford University, Palo Alto, California, originele documenten van The Woman’s Section kunnen raadplegen. Commission for Relief in Belgium (CRB) records 22003 box 352 komt voort uit de ‘Men’s Department’ van de ACRB in New York en bevat brieven, telegrammen, verslagen, interne memo’s, persberichten en krantenknipsels van de vrouwen en mannen, betrokken bij The Woman’s Section. De documenten beslaan de periode van de oprichting in oktober 1914 tot de opheffing in december 1915.
Daarnaast las ik in andere boxes telegrammen en brieven gerelateerd aan Lindon W. Bates, de echtgenoot van Josephine. De echtelieden werkten zij aan zij aan Belgian Relief. Ook hun oudste zoon Rox werkte mee.
3) In juni 2022 bestudeerde ik box 82 van de Lou Henry Hoover papers in de Herbert Hoover Presidential Library-Museum (HHPLM) in West Branch, Iowa.
4) Het eigen archief van The Woman’s Section heb ik nog niet teruggevonden. Bij de opheffing van The Woman’s Section, eind 1915, bevond het zich in het kantoor van Anne Morgan in de Metropolitan Building, One Madison Avenue, New York.

Josephine White Bates en haar gezin

Het gezin Bates: Josephine, Lindon, ‘Rox’ en ‘Dell’.

Josephine White Bates (ºPortage-du-Fort, Québec, Canada, 08-07-1862 +Yorktown, New York, USA, 20-10-1934) was 52 jaar toen de oorlog in Europa uitbrak. Haar meisjesnaam was White, ze werd geboren in Canada, ze was een gerespecteerd schrijfster.[1]
Josephine White Bates of ‘Mrs. Lindon Bates’, was getrouwd in Portland, Oregon, op 22 april 1881, met de Amerikaanse ingenieur Lindon Wallace Bates, 56 jaar in 1914, (ºMarshfield, Vermont, VS, 19-11-1858 +London, UK, 22-04-1924). Zijn bedrijf Bates Engineering Company, NY, werkte onder meer aan de aanleg van het Panamakanaal, geopend in 1913. Begin 1900 was Bates betrokken bij de aanleg van de haven van Antwerpen.
Het echtpaar kreeg twee zoons: Lindon Wallace jr. ‘Rox’, 31 jaar in 1914, (ºPortland, Oregon, 17-07-1883 +Ierland 07-05-1915) en Lindell Theodore ‘Dell’, 24 jaar in 1914, (º13-02-1890 +Londen, UK, 13-04-1937).

De vriendschap tussen de gezinnen Bates en Hoover
Het gezin Bates woonde op vele plaatsen in de wereld door het werk van Lindon Bates. Het onderhield vriendschappelijke contacten met het gezin van Herbert en Lou Hoover en hun twee zoons. Josephine and Lindon W. Bates woonden in New York, 5th Avenue; alternatief verbleven zij in hun buitenhuis, de Lebanon Lodge in Mount Libanon, Pennsylvania. Zij waren rijke, welvarende New-Yorkers, behorend tot het netwerk van meest invloedrijke mensen in de stad.
In oktober 1914 verbleven de Bates in New York, Lou Henry Hoover met haar twee zoons in Californië, Herbert Hoover in Londen, UK.

‘Belgian Relief New York section’
Herbert Hoover legde contact met Lindon Bates. Op 28 oktober 1914 vroeg hij hem te assisteren bij het werk voor de Commission for Relief in Belgium, gevestigd in Londen.
Hoover had daarvoor contacten met anderen in New York, hij werkte op meerdere manieren aan hetgeen hij wilde bereiken. Hij stuurde Sidney Ball het bericht: “I suggest Lindon Bates be asked join New York Committee owing his long association with Belgian officials and important business men and high esteem in which he is held here. Bates will be able to smooth many difficulties if he will serve”.
Aan Lindon Bates schreef hij:
“Will you help me Belgian Relief New York section? See Sidney Ball get copies cables from me re Ryan*) and position. (…) Apparently Ryan not prepared make good putting up money and to embarrassment of Ambassadors insists on cabling them instead of myself in these matters. Will you try get into this situation and advise me what course we ought take. I am proposing to set up subcommittee principal points in States to collect and ship food. I believe we will be able raise necessary money for relief funds in Europe to pay for freight and insurance. If you will interest yourself I will send you any necessary cables of authority.”[2]

“Vraag officieel aan Mrs. Bates om sterke vrouwengroep te organiseren”, telegram van Lindon W. Bates aan Herbert Hoover, 29 oktober 1914.

Kennelijk overlegden Josephine en Lindon Bates thuis over de situatie en besloten samen de hulpverlening aan België op te pakken. Lindon Bates accepteerde zijn rol, maar koppelde zijn akkoord aan het verzoek om Josephine Bates officieel om hulp te vragen om met Amerikaanse vrouwenorganisaties een sterke groep van miljoenen vrouwen te formeren, die voedsel en geld zouden verschaffen. “Will help. Cable credentials which I will use discreetly as New York City fairly covered. Cable Mrs Bates officially requesting her form strong group to enlist all women organizations to procure food or money. These organizations total eight million member group ready.” [3]

‘The formation of a great group of American Women’
Hoover antwoordde per omgaande: “Glad adopt suggestion Mrs. Bates if there is no probable conflict Ryan.” [4]

Josephine White Bates (Mrs. Lindon Bates), voorzitter The Woman’s Section, foto uit 1915 HILA

Dus stuurde Herbert Hoover deze officiële uitnodiging aan Josephine Bates: “The American Commission for Relief in Belgium which has been set up officially by the American Ambassadors to execute their international agreements for the provisioning of Belgium and which embraces American Ambassadors as Honorary Chairman, the American Consuls and American Residents of England and Belgium as members, would like to have you undertake the formation of a great group of American Women who would support us in securing food or money for the Belgian people. It is certain that the entire population of 7,000,000 are on the verge of famine and that 80,000 tons of cereals per month is the absolute minimum upon which body and soul can be kept together and this provides a ration of but 10 ounces per capita per diem. The situation is one of greatest gravity. We have sent an appeal to the American Press to open subscriptions for our purposes, all of which subscriptions we want translated into actual foodstuffs from United States. We would be grateful for the help of yourself and all those who rightly should come to your support.” [5]

Handtekening Josephine White Bates, Chairman The Woman’s Section of The American Commission for Relief in Belgium, New York.

Josephine Bates accepteerde de uitnodiging, nadat ze met enkele vriendinnen had overlegd: “The official invitation of the American Commission for Relief in Belgium received. I accept with deep sense of responsibility. I am forming a representative Committee which will do its uttermost to enlist co-operation from all American Women.” [6]

Waar kwam Josephine’s plan vandaan? Lindon Bates verklaarde dat in een brief aan Lou Hoover: ‘Mrs. Bates had just come from a conference in Pittsburg [7] of delegates representing such a number, contemplating a Union Council for another purpose hence the inspiration.’[8]

Josephine Bates ging aan de slag om haar groep te formeren. ‘Practically the identical group of women that are now about to take up the interests (…) originally took charge in the Mayor’s Committee in New York city of refugee women and children from Europe at the outbreak of hostilities there.'[8A]
Ze vond deze prominente, invloedrijke vrouwen in New York City bereid toe te treden; de dames stelden als voorwaarde dat er expliciete Belgische erkenning zou komen voor hun werk.

Mrs. Anne Harriman Vanderbilt, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto: LoC online

‘American Woman’s Section’ [9]
Het voorlopige executive Committee telde zes vrouwen uit de hoogste kringen in New York en was na veel afwegingen en overleg tot stand gekomen.
– Mrs. Lindon W. Bates: Josephine White Bates, Chairman
– Miss Anne Morgan (ºHighland Falls, NY, 25-07-1873 +Mount Kisco, NY, 29-01-1952), Treasurer (41 jaar)
– Mrs. August Belmont: Eleanor Robson Belmont (ºWigan, Greater Manchester, UK, 13-12-1879 +New York, NY, 24-10-1979) (35 jaar)
– Mrs. Edward R Hewitt: Mary Ashley Hewitt (ºToledo, Ohio, 20-09-1866 +New York, NY, 03-11-1945) (48 jaar)
– Mrs. William K. Vanderbilt: Anne Harriman Vanderbilt (ºManhattan, NY, 17-02-1861 +Manhattan, NY, 20-04-1940) (53 Jaar)
– Miss Mary Parsons (º21-02-1864 +Lenox, Mass. 06-02-1940) (50 jaar).

Mrs. Eleanor Robson Belmont in 1915, actrice en schrijfster, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto Detroit Free Press

‘The Woman’s Section of the American Commission for Relief in Belgium’
Josephine Bates berichtte enthousiast aan Herbert Hoover de concept-tekst van het persbericht dat zij voornemens was aan de Amerikaanse pers te sturen: ‘Release to press begins: “At request of the American Commission for Relief in Belgium movement has been inaugurated to secure the Cooperation of all organizations of women in America the Comittee is called the Woman’s Section of the American Commission for Relief in Belgium. Its executive Committee consists of Mrs Lindon Bates Miss Anne Morgan Miss Mary Parsons Mrs Edward R Hewitt Mrs August Belmont and Mrs William K. Vanderbilt. It is in alliance and is cooperating with The Belgian relief Committee of New York. It is securing a large Council and the Cooperation of the leading womens organizations in a nation wide movement for securing food for Belgium”. ‘[10]

“Hurrah”, telegram Herbert Hoover aan Josephine Bates, 7 november 1914.

Herbert Hoover antwoordde per omgaande even enthousiast en deed er enkele flinke scheppen bovenop:
– twee bootladingen voedsel had het CRB-hoofdkantoor al toegezegd gekregen van vrouwen uit Californië, daarom kon de naam van zijn vrouw worden toegevoegd; Oregon en Iowa rekende hij toe aan Josephine’s comité.
– 50.000 vrouwelijke kantwerksters zouden ze werk kunnen geven, kanten zakdoekjes maken, met verwijzing naar hongersnood, te verkopen voor een quarter, 10 cent door de kantwerksters te ontvangen als leefgeld:
“Hurrah will publish Monday morning. Can join wife’s name as she has by securing support California. Women just procured us two cargoes and would at once go. Oregon and lowa represent you. If we could give employment fifty thousand women lace workers, if we could sell lace embroidered handkerchiefs at a quarter and would cost about ten cents to give them living wage, they could contain famine remark. What do you think of it?” [11]

Opnieuw vroeg The Woman’s Section in oprichting om bevestiging van haar werk door de hoogst mogelijke Belgische autoriteit. Ze wilde dat de status van het CRB-hoofdkantoor in Londen en diens nieuwe Amerikaanse sectie in New York, officieel bevestigd zou worden. Het effende de weg om samen te werken met de andere actoren voor Belgian Relief in New York en daarbuiten.

Miss Anne Morgan, penningmeester van de Executive Board of The Woman’s Section, foto uit 1915 LoC online

Lindon W. Bates wees Herbert Hoover erop dat de status van zijn ‘officiële’ commissie in Londen niet bekend was in New York. De bekende organisaties die hulpgoederen en geld voor België inzamelden waren opgericht door de zgn. ‘atrocity mission’, de missie van vier Belgische ministers, en plaatselijk gevestigde, vooraanstaande Belgen. The Woman’s Section zou de enige organisatie zijn die hiervan onafhankelijk opereerde. (…) Mrs Bates should have appointment supplemented by cable confirmation highest attainable Belgian authority, (…) This will be only woman’s committee independent of De Forest, which was started by atrocity mission and local Belgians though recognised as inefficient, has preempted position making people ignorant of your officially preeminent status. Hesitate better arrange such cable neither De Forest group or local Belgians competent. Enlist invaluable help of such woman and organisations. Publish progress showing results several times greater in one week than De Forest in ten.” [12]

Mrs Mary Ashley Hewitt, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto uit 1916: LoC online

Het persbericht van CRB London headquarters – 9 november 1914
Uiteraard pakte het CRB-hoofdkantoor in Londen door, de CRB had draagkracht nodig en gaf een internationaal persbericht uit waarin onder meer de inhoud van Josephine Bates’ concept-persbericht over de Woman’s Section was overgenomen. Voor diezelfde draagkracht voegden Hoover en zijn medewerkers de naam van Lou Henry Hoover toe aan het in New York zorgvuldig samengestelde vrouwencomité. Lou had immers conform opdracht uit Londen met de vrouwen in San Francisco twee schepen hulpgoederen bijeengebracht.
“Second week’s report by the Commission for Relief in Belgium, London headquarters: (…)
The Commission reports that a movement has been inaugurated to secure the co-operation of all organizations of women in America. The Committee for this purpose is called the Women’s Section of the American Commission for Relief in Belgium and its executive Committee consists of Mrs. Lindon Bates, Miss Anne Morgan, Miss Mary Parsons, Mrs. Edward R. Hewitt, Mrs. August Belmont, Mrs. William K. Vanderbilt and Mrs. H. C. Hoover. It is in alliance with and will co-operate with the Belgian Relief Committee in America and is securing a large council and the co-operation of the leading women’s organizations in a nationwide movement for securing food for Belgium from America. “[14]

The Atlanta Constitution, Atlanta, Georgia, 9 november 1914.

De Amerikaanse kranten namen het bericht grif over en publiceerden het op 9 november. Waardoor Josephine en Lindon Bates in de kranten moesten lezen dat vanuit Londen hun comité van elite vrouwen in New York zonder overleg was uitgebreid met de onbekende Lou Henry Hoover van Californië.
De samenwerking met het Belgian Relief Committee verzuimden de meeste kranten te vermelden, wat kwaad bloed zette bij de toch al achterdochtige, andere werkers aan Belgian Relief.

Lou Henry Hoover, Santa Cruz Evening News (Santa Cruz, Ca.), 14 november 1914

Lou Henry Hoover wel of niet in het executive Committee? -de rel
Het krantenbericht met de toevoeging van Lou Hoover’s naam aan het executive Committee veroorzaakte intern grote opschudding bij The Woman’s Section. Lindon Bates reageerde verontrust op Hoover’s bericht en de toevoeging van Lou’s naam:
Confidential situation here complex and delicate; committee picked by others after weighing all considerations. Mrs Bates believes she could not successfully ask addition any name at this time. ( …) Text sent was form of announcement adopted.’
Josephine’s verontwaardigde reactie aan Hoover was:
(…) decision was to constitute executive Committee as cabled. Request no action be taken in here, relative to our group owing complex situation here!’  [15]

Herbert Hoover zocht steun van zijn echtgenote en vroeg Lou in New York de zaak recht te gaan zetten: ‘(…) Having a dreadful time with jealous organizations New York and if you not importantly engaged believe you could do good deal consolidate matters there as everybody seems go wrong. We endeavouring get a proper organization New York where questions can be answered but will require little time get team in harness.’ [16]

Het briefhoofd van The Woman’s Section

Het CRB-hoofdkantoor maakte namens Hoover een dag later zijn excuses, maar legde de schuld bij Josephine Bates: immers, zij koos ervoor om als naam te kiezen voor The Woman’s Section deel uitmakend van de Commission en Lou kon wel genoemd worden, omdat ze toch naar Europa zou verdwijnen…
‘Referring Mrs. Bates telegram regret extremely to have caused her slightest embarrassment. On other hand would have been criminal for me to have given a direct affront to Californians who have so generously provided us at least two cargoes of food. The difficulty arises out of Mrs. Bates inspiration to use name of Woman’s division of this Commission. If any other name would not matter, but we had given absolute authorities to California act our behalf. Proposed Lou as she is returning Europe and disappears. …
Will do nothing with regard to Women’s situation without consultation Mrs. Bates. Hope she will keep me advised.’ [17]

Prominente vrouwen in New York City vormden de Executive Board van The Woman’s Section in 1914/15. Vlnr. Mrs. Lindon W. Bates, Chairman, Miss Anne T. Morgan, Treasurer, Mrs. William K. Vanderbilt, Mrs. Howard R. Hewitt, Mrs. August Belmont, Miss Maude Wetmore, Miss Grace Parker, Secretary. De foto van Miss Mary Parsons ontbreekt, Fotocollage auteur.

Het executive Committee onder leiding van Josephine Bates kwam voor het eerst bijeen op 10 november 1914 in de exclusieve vrouwensociëteit Colony Club, New York. “November 10th the first meeting of the Board of the Women’s Section was held after an informal luncheon at the Colony Club. The plan of organization was set forth by the Chairman and adopted. In outline it was this: The Leaders of the great organizations of women, International and National, were to be asked upon an Executive Co-operating Committee to stand with the Board of Seven. In their collective name an appeal was to be issued for the rescue of the famine-menaced Belgians. Their collective help was to be asked in making the appeal effective.” [18]

The Woman’s Section was gevestigd op One Madison Avenue in de Metropolitan Building, New York City.

The Woman’s Section vestigde haar kantoor op One Madison Avenue, in het gebouw van de firma Morgan, het kantoor waar Anne Morgan, de penningmeester, zetelde.

The Woman’s Section en de Men’s Department hadden eigen kantoren in New York, 1914-1915. © 2026 Annelien van Kempen.

Contact tussen Josephine Bates en Lou Henry Hoover
Lou Henry Hoover had onvermoeibaar gewerkt in Californië aan de inzameling van geld en voedsel voor de hulpverlening aan België; de initiatieven en opwinding elders leken aan haar voorbij te zijn gaan, maar nu nam ze actie. Op 10 november reageerde zij op de berichten uit New York en London. Ze vroeg om een brief waarin de situatie aan haar werd uitgelegd, omdat ze van plan was oostwaarts te reizen.
Josephine Bates legde direct contact met Lou Hoover: ‘A womens committee is organized here to secure the cooperation of leading womens organizations in a combined effort to get food for Belgium. Will you give me details of what is being done in California and names of women who are heading movement. We very much desire to closely cooperate with all who are working to this end and to help coordinate our efforts.’ [19]
Josephine Bates bevestigde dit aan Herbert Hoover: ‘Have wired Mrs Hoover for data and personnel California, shall harmoniously cooperate.’ [20]

Lindon Bates schreef Lou Hoover op 11 november 1914 een uitgebreide brief van acht kantjes waarin hij het ontstaan van The Woman’s Section van de American Commission for Relief in Belgium uit de doeken deed. [21]
Ook Herbert Hoover wilde zijn fout goed maken en vroeg zijn vrouw samen te werken met Josephine Bates en indruk op haar te maken omdat de vrouwen in Californië de eerste Amerikaanse staat waren die voedsel bijeenbrachten: ‘Mrs. Bates organizing swell womens division New York. In view support given you by California women I put your name on executive committee. Would be glad if you would cooperate with her in every possible way and impress upon her the service which has been performed by the women of California by getting off the mark as the first State which provided food.’ [22]

De eerste oproep van The Woman’s Section – 16 november 1914

The Courier Journal, Louisville, Kentucky, 16 november 1914.

Het overleg tussen Josephine en Lou resulteerde er kennelijk in dat Lou Henry Hoover niet toetrad tot het executive Committee van The Woman’s Section in New York. De eerste oproep van het comité bevatte namelijk zeven namen als management van The Woman’s Section in New York. De naam van Lou Henry Hoover kwam er niet in voor.

Mrs. Maude Keteltas Wetmore, lid van de Executive Board of The Woman’s Section, foto uit 1917: LoC online

De aanvulling op de oorspronkelijke zes namen was Miss Maud Wetmore: Maud Keteltas Wetmore (ºParis, France, 07-02-1873 +03-11-1951), 41 jaar in 1914, Chairman of the National League for Woman’s Service. [22A]
Het briefpapier van The Woman’s Section in december 1914 vermeldde een achtste naam onder de Executive Board, namelijk Miss Grace Parker als Secretary. Miss Grace Parker was in 1917 actief als ‘national commandant’ van The National League for Woman’s Service. In de ‘History of the Woman’s Section’ van februari 1915, staat de naam ‘Miss Grace Cotton’ (?) vermeld als Secretaris.

Miss Grace Parker, secretaris van de Executive Board van The Woman’s Section, foto uit 1917 LoC online

Josephine Bates meldde op 15 november aan Lou Henry Hoover te verwachten dat spoedig organisaties, vijf miljoen vrouwen representerend, zouden zijn aangesloten. ‘Woman’s Section issues tomorrow first appeal representing call of six hundred thousand women in organizations. By next Sunday we will speak for five million, I expect. [23]

Vijf miljoen welgestelde en invloedrijke Amerikaanse vrouwen
De onderlinge berichten variëren in genoemde aantallen van 600.000 tot vijf, zes of acht miljoen vrouwen, aangesloten bij de betrokken Amerikaanse vrouwenorganisaties. Wat er zij van deze aantallen, deze vrouwen behoorden tot de hoogste kringen van de Amerikaanse samenleving, ze waren vooraanstaand, welgesteld en invloedrijk. Op eigen kracht, door afkomst of huwelijk. Ze waren door hun stand verplicht aangesloten bij meerdere organisaties. Deze fine fleur representeerde enkele machtige vijf procenten van de totale Amerikaanse bevolking van honderd miljoen mensen.

APPEAL

De ‘Appeal’ van The Woman’s Section of the American Commission for Relief in Belgium, 16 november 1914. HILA CRB records box 352.4

De eerste oproep om hulp te organiseren voor België gericht tot Amerikaanse vrouwenorganisaties luidde als volgt [24]:
APPEAL November 16, 1914
New York, One Madison Ave.
The Woman’s Section
of the American Commission for Relief in Belgium
Cooperating with Belgian Relief Committees in New York, Minneapolis, California, Kansas, Iowa and Oregon
 “For I was an hungered and ye gave Me meat.”
(…)
The Commission for Relief in Belgium is Internationally constituted. It has relation to six powers – Belgium, France, Holland, England, Germany and America. We, its Woman’s Section, make appeal to all the women of America to come to the rescue of a people. 
The highest aspiration and the finest achievements of the race are symbolized in this little country. The Belgians must be saved to the human family. …
We sent forth to a few accessible organizations — International, National and State, a request that they stand with us to spread the call. In three days, there has rallied to us a representation of over six hundred thousand organized women. To those not yet with us we say, come, that collectively and individually we may work out salvation for the helpless in Belgium. In principle we ask that the efforts of our Co-operating Committee be supported locally, that there may be no overlapping.  ….
We ask for food …
Our woman’s work is carried on by volunteers entirely. Offices are generously donated, furniture is loaned, the one expense of office staff is held to the minimum. Management:
Mrs. Lindon W. Bates, Chairman
Miss Anne T. Morgan, Treasurer
Miss Mary Parsons
Miss Maude Wetmore
Mrs. Howard R. Hewitt
Mrs. William K. Vanderbilt
Mrs. August Belmont.

De update over de reacties na de eerste oproep is vermeld in een notitie van 19 november 1914. Organisaties die een kleine zes miljoen vrouwen vertegenwoordigden hadden positief gereageerd op de oproep.

De lijst van The Woman’s Section Commission for Relief in Belgium in New York met aangesloten vrouwenorganisaties op 19 november 1914. HILA CRB records box 352.4.

In de volgende dagen gingen er vele honderden brieven uit aan andere organisaties om zich aan te sluiten en zich in te zetten voor Belgian Relief. Via de nationale organisaties wilde Josephine Bates de organisaties in de Amerikaanse staten bereiken. ‘(…) it endeavors to reach through the National down into the State organizations. We are moving slowly, carefully and through official heads, in order that cooperation may be voluntary and that effort may be safeguarded in every direction. 

Rapportage Josephine Bates aan Herbert Hoover, 28 november 1914
Aan Herbert Hoover rapporteert Josephine Bates over de tumulteuze start van The Woman’s Section.
It was not easy to get the first leaders, because by nature National Presidents are conservative and reluctant to take up anything which may appear to have a sensational phase. My first people were my crucial people. However, I had many old friendships to draw from, and I had made some recent friendships on the trip to Pittsburgh (…)
I have since the 10th (November) rallied seventeen National and International organizations, representing collectively 6,000,000 women. (…)
I have at this date fourteen State Federations standing with us.
(…) we have sent out to his thousand associates of the Associated Press, copies of our appeal and a request that the Movement be supported and disseminated though their papers. We are receiving most cordial responses. We sent similarly to 1,000 religious newspapers and societies with the endorsement of the Christian Herald here. This will bring us likewise support.

 We will probably never have to report to you directly from the Woman’s Section a great record of food or money here, because we are not centering our efforts here, but we believe strongly that throughout all the states we will get local cooperation with the Governors and other States Committees.
We hope that you will approve of the general lines of our organization work, and the effort to get contributions where they can be most cheaply and most effectively in alliance with the Men’s Department.
We are to undertake, next month, a Mass Meeting at Carnegie Hall or some similar large rallying place. (…)
I think our Mass Meeting will have a good influence. You must bear in mind that never before within our knowledge has there been such a condition of unemployment and such a general cry of poverty. It is the least favorable time at which to appeal, but everything that can possibly be moved from this pivot, will be moved. (…).’ [26]

Van een ‘mass meeting’ in Carnegie Hall is het waarschijnlijk nooit gekomen, er zijn geen bronnen die naar verwijzen.
De State Committees kwamen er wel. Josephine Bates hield hen met nieuwsbrieven op de hoogte van voortgang in de netwerkactiviteiten.

Antwoord Herbert Hoover aan Josephine Bates op 18 december 1914
De gearchiveerde reactie uit Londen op Josephine Bates’ brief is ondertekend met de initialen H.C.H. De woordkeuze in de brief is weinig betrokken en zodanig obligaat dat een ghostwriter, een medewerker van het CRB-hoofdkantoor in Londen, de brief lijkt te hebben gedicteerd aan een secretaresse; het epistel is bovendien slordig. Gerefereerd wordt aan Josephines brief van 28 december, wat moet zijn 28 november. De adressering is aan haar privé-adres. Vervolgens over The Woman’s Section: ‘we hear on all sides of the magnificent work your Committee has done and the strength that you have put behind all the local Belgian Relief Committees.’ Daarentegen is de Men’s Department: ‘a splendid business organisation under your Husband in New York’.
De brief bevat een interessante observatie over het eerder veelgeprezen Californië dat onder Lou Henry Hoover naar zeggen twee scheepsladingen hulpgoederen bijeen had gebracht. Het enthousiasme aan de westkust lijkt voorbij: ‘The general position there is that they probably have already exhausted their energies in sending the shipload of food and I doubt whether much more is to come from there.’ [27]

Conclusie
Josephine White Bates, is erin geslaagd The Woman’s Section of the American Commission for Relief in Belgium in New York te vestigen; zeven vrouwen uit de New Yorkse elite vormden het executive Committee; Lou Henri Hoover maakte er geen deel van uit. Herbert Hoover had dit wel gewild, Josephine Bates en Lou Hoover beslisten anders.
Koningin Elisabeth en Henriëtte, de prinses van België, werden beschermvrouwen van The Woman’s Section. Hoe dat tot stand kwam, komt aan de orde in De koninklijke beschermvrouwen van ‘The Woman’s Section’

De relatie met het werk van de Belgische kantwerksters is gelegd bij de totstandkoming van The Woman’s Section.

De inzameling van levensmiddelen en geld voor België kwam in een stroomversnelling. Het belang van de coördinatie van de hulpacties van diverse rivaliserende comité’s in de Verenigde Staten, met name de Rockefeller Foundation, het Belgian Relief Fund, het Amerikaanse Rode Kruis, de ‘Belgian Relief Movement’ van de Northwestern Miller en nu ook de CRB-sectie American Commission for Relief in Belgium in New York met een ‘Men’s Department’ en ‘Woman’s Section’ werd erkend. Deze werd afgedwongen door het CRB-hoofdkantoor in Londen dat uit was op een monopoliepositie in aankoop en logistiek.
Josephine White Bates nam initiatieven en betrok op eigen wijze de bestaande Amerikaanse vrouwenorganisaties bij het werk voor Belgian Relief, waarbij ze inzette op open communicatie en samenwerking. Ze leidde lastige situaties in goede banen door haar diplomatieke en coördinerende optreden, in goede verstandhouding met haar echtgenoot Lindon W. Bates.

The Woman’s Section is but a temporary creation, born of the catastrophe of a people (…)” schreef Josephine Bates.[25]
Op dat moment had ze geen besef hoe tijdelijk het bestaan van haar Woman’s Section zou zijn, mede door de persoonlijke catastrofe die haar en Lindon Bates spoedig zou treffen. Het zou ook de Hoovers diep treffen en hun relatie dramatisch laten kantelen.

 

Voetnoten
*) Ryan was voorzitter van het Amerikaanse Rode Kruis en vice-voorzitter van het Belgian Relief Committee. (nog checken)

[1] Josephine White Bates publiceerde onder meer:
A Blind Lead. The Story of a Mine (1888)/ A Nameless Wrestler (1889)/Bunch-Grass Stories, (1895) /  / Armaïs and others (1892)/ Mercurial poisoning in the industries of Great Britain (1909)/ Mercury Poisoning in the Industries of New York and Vicinity (1912).
Haar achtergrond: ‘Born in Ontario and educated in Chicago, Josephine White Bates was an author and active in women’s literary circles. History might best remember Bates as a New York blueblood, socialite , intellectual, and wife of celebrated civil engineer Lindon Wallace Bates, who achieved fame for his contributions to the Galveston Sea Wall and the Panama Canal.

[2] 28 oktober 1914 CRB Records 22003 box 114 HILA

[3] 29 oktober 1914 CRB Records 22003 box 114 HILA

[4] idem

[5] 31 oktober 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[6] 1 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[7] Lindon Bates vermeldde ‘a conference in Pittsfield’ (dit ligt in de staat Massachusets). Josephine Bates zelf noemde in haar brief aan Herbert Hoover van 28 november 1914 ‘I had made some recent friendships on the trip to Pittsburgh’. Ik ga er daarom vanuit dat het gaat om Pittsburgh (Pennsylvania).

[8] 11 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[8A] The Evening Star, Washington DC, 14 januari 1916

[9] 5 november 1914 CRB Records 22003 Box 5 HILA-album Lindon Bates correspondence)

[10] 7 november 1914, CRB Records box 114 HILA

[11] 7 november 1914, CRB Records box 114 HILA. Op 9 november zou Lindon Bates over de kantwerksters antwoorden aan Hoover: “Mrs. Bates will arrange after preliminary meeting take up lacemaking proposition and carry out your valuable suggestion.” (CRB Records 22003 Box 5, HILA)

[12] 8 november 1914 CRB Records Box 5, HILA

[13]

[14] 9 november 1914, CRB records box/file 47-5 HILA

[15] 9 november 1914, CRB Records box 114 HILA.
1) De geschiedkundige Dr. Elisabeth Piller, Universiteit Freiburg, Duitsland,  merkte in een artikel op dat Mrs. Hoover nooit een officiële rol kreeg binnen de CRB. Elisabeth Piller (2023) Beyond Hoover. Rewriting the History of the Commission for Relief in Belgium (CRB) through Female Involvement, The International History Review, 45:1, 202-224.
Quote: ‘Although Lou Henry Hoover, after bringing their two children to safety in the United States, made it a point to return to London in November 1914 and stay with her husband, she was never connected to the CRB in a more official capacity.’ Unquote (p.214).

2) De schrijfster Annette Durlap schreef een boek over het leven van Lou Henry Hoover: ‘A Woman of Adventure, The Life and Times of First Lady Lou Henry Hoover’ (2022). Het bevreemde haar waarom de naam van Mrs. Hoover vanwege haar grote verdiensten voor de CRB niet vooraan heeft gestaan in de Woman’s Section. 
Quote:Bert’s name is listed as the chairman of the CRB. Lou, who worked assiduously behind the scenes, is not listed in the masthead for the Women’s Division.
Unquote (Chapter 6: A World and a Marriage Transformed, p.77).

[16] 9 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[17] 10 november 1914, CRB Records box 114 HILA

[18] Commission for Relief in Belgium, History of The Woman’s Section of the Commission for Relief in Belgium. Appeal. New York, 26 februari 1915

[19] 11 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[20] received 12 november 1914, CRB Records box 114 HILA

[21] 11 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[22] 13 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[22A] Maude A. Keteltas Wetmore was dochter van George Peabody Wetmore, 37ste gouverneur van Rhode Island en later VS-senator voor deze staat. Maude Wetmore zette zich in voor de vrouwensectie van de National Civic Federation, opgericht in New York in 1900. Het was een conservatieve denktank en alliantie voor hervormingen, sterk gelieerd aan de Republikeinse partij.
Over The National League of Woman’s Service: Mrs. Lolita Coffin Van Rensselaer, The Annals of the American Academy of Political and Social Science, Vol. 79, War Relief Work (Sep., 1918), pp. 275-282.
Stable URL: https://www.jstor.org/stable/1013993

[23] 15 november 1914 LHH papers box 82 HHPLM

[24] CRB Records box 352, file 4 HILA. De oproep (er zijn twee identieke persberichten met de datum 16 resp. 17 november 1914, 16-11 ging naar kranten in New York City, 17-11 ging naar Associated Press.) is gericht tot alle Amerikaanse vrouwen: “We, its Woman’s Section, make appeal to all the women of America to come to the rescue of a people.”
Dr. Elisabeth Piller in ‘Beyond Hoover’ (zie [15.1)]) schrijft abusievelijk dat de oproep gericht zou zijn tot ’the American president’ (p. 209). Binnen de bestaande verhoudingen in 1914 zou het ongehoord zijn geweest dat de Woman’s Section een oproep zou richten tot de president van de Verenigde Staten.

[25] Commission for Relief in Belgium, History of The Woman’s Section of the Commission for Relief in Belgium. Appeal. New York, februari 1915 p. 10.

[26] Brief Josephine Bates aan Herbert Hoover, 28 november 1914, LHH Papers Box 82 HHPLM.

[27] Brief Herbert Hoover aan Josephine Bates, 18 december 1914, LHH Papers Box 82 HHPLM.

 

Josephine White Bates en de ‘Woman’s Section’

In de acht jaar onderzoek naar de versierde meelzakken van de Eerste Wereldoorlog heb ik me meermalen gerealiseerd dat de meelzakken zelf, de originele teksten en de iconografie van de versieringen historische gegevens bevatten of doen herleiden naar gegevens, die door historici in de afgelopen eeuw van geschiedschrijving niet of niet voldoende zijn opgemerkt.

‘Grocery store in Michigan’, mei 1915. Coll.  HILA.

De betekenis van The Woman’s Section van de American Commission for Relief in New York voor de levensmiddelenleveranties aan bezet België in 1914-1915 is een intrigerend voorbeeld. De vrouwenorganisatie was een kort leven beschoren, gerelateerd aan het bestaan van de Commission for Relief met hoofdvestiging in Londen van 1914-1919.

Bestudering van primaire bronnen leidde tot de ontdekking dat de vrouwen van de Woman’s Section vanaf december 1915 van invloedrijke betekenis zijn geweest in de voorbereiding op deelname aan de oorlog door de VS.

New York Tribune, 19 december 1915

De Woman’s Section maakte zich toen los van de CRB en reorganiseerde op eigen gezag in de Woman’s Section van de Amerikaanse Movement for National Preparedness, dat onderdeel uitmaakte van de National Civic Federation.

In de volgende vier artikelen zal ik het verhaal vertellen van de inbreng en de visie van Josephine White Bates, een prominente vrouw in New York. Samen met haar gezin, haar echtgenoot Lindon W. Bates sr., en haar twee zonen Lindon W. Bates jr. en Lindell T. Bates, zette zij zich in voor ‘Belgian Relief’. Na de dood van Lindon W. Bates jr., verdronken door  het vergaan van het Britse passagierschip Lusitania, kende zij haar kwetsbaarheid en wist zij persoonlijk betrokken te zijn bij de oorlog. In haar visie zouden de Amerikaanse vrouwen zich moeten voorbereiden op deelname van de VS aan de oorlog.

I The Woman’s Section van The American Commission for Relief in Belgium, het netwerk van Josephine White Bates 

II De koninklijke beschermvrouwen van The Woman’s Section van The American Commission for Relief in Belgium

III De nieuwsbrieven van The Woman’s Section van The American Commission for Relief in Belgium

IV The Woman’s Section: ontbinding van de CRB en verbinding met The Movement for National Preparedness

Een honkbaltenue van meelzakken met vuil en zweetvlekken

Onderzoeker Annelien van Kempen met honkbalbroek, HHPLM, foto: Marcus Eckhardt.

Tijdens ons meelzakkenonderzoek in de Herbert Hoover Presidential Library-Museum (HHPLM) in juni 2022 waren conservator Marcus Eckhardt en ik gefascineerd door twee kledingstukken gemaakt uit meelzakken.

Kleding voor volwassenen
We vonden een shirt en pantalon in onze maat te midden van dozen met kinderkleding. Welke volwassen personen hadden deze gedragen? Was het als werkmanskleding uitgegeven in bezet België?

Helaas verbood het museumprotocol om de kleren zelf aan te trekken, maar we konden het niet laten te experimenteren met passende fotografie.

Conservator Marcus Eckhardt toont het honkbalshirt met de clubnaam ‘American Commission’ en de -broek in de collectie van HHPLM, juni 2022. Foto: auteur.

Conservator Marcus Eckhardt herkent het honkbaltenue
Tot mijn verrassing wist Marcus Eckhardt op een later moment het shirt en de broek te identificeren: het was een honkbaltenue (‘baseball uniform’) gemaakt van meelzakken! Hij zag de onderstaande foto en herkende het shirt en de broek.
Bloemzakken ‘American Commission’ voorzagen in de behoefte aan een uniform shirt met clubnaam van Amerikaanse CRB-gedelegeerden in bezet België in de zomer van 1916.

De honkbalwedstrijd van CRB-gedelegeerden op de Léopold Club in Brussel op 4 juli 1916. Aan slag is Francis Potter, de catcher is Guillermo Hall. Foto coll. HHPLM.

Marcus schreef: “I may have some new information on the (large) shirt and pants. They may have been made and worn for a baseball game that American CRB people held in Belgium on July 4, 1916. We have a photo too that my colleague Lynn Smith shared with me from our photograph collection.”

Waren shirt en broek van deze honkbalwedstrijd? “Why do I think the shirt and pants we have are from this game? Well, that they still have the sweat stains in the armpits, as well as the dirt on them from playing the game. Most importantly, they look like the ones in the pictures of the game, which look like baseball uniforms from that time.”

 En Marcus spoorde meer foto’s op: “Here’s the link to the Hoover Institution’s slideshow, (HILA) where three more photos of the CRB baseball game are numbers 3/19 – 5/19.”[1]

Wie zijn de honkballers?

Groepsportret van de CRB-honkbalspelers op 4 juli 1916 in Brussel, Léopold Club. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Een van de foto’s bleek een groepsfoto van de honkballers. Zou het mogelijk zijn hun namen te vinden?
Identificatie van de mannen op de foto bleek een intensief karwei van enkele dagen. Er bestaan namelijk officiële portretfoto’s gemaakt van de CRB-gedelegeerden in België, maar op dergelijke foto’s poseren ze statisch in deftige herenkostuums voor de fotograaf. In actiefoto’s op het honkbalveld, gekleed in sportieve outfits gemaakt van American Commission bloemzakken, zien de mannen er compleet anders uit.

Met hulp van Jeffrey B. Miller uit Denver, auteur van vier boeken over de CRB en diens Amerikaanse vertegenwoordigers in België, lukte het de honkballers te herkennen.[2] Door vergelijking van de foto’s zijn we geslaagd in het identificeren van de meeste mannen.

Staand van links naar rechts:
Philip Barton Key Potter, New York City (32 jaar)
Frederic Meert, Brussel (43 jaar)
Barry Griffin
Oliver Williams DeGruchy (26 jaar)
Milton Brown, Glendale, Cincinnati, Ohio
Vernon Kellogg, California
Onbekend
Francis C. Wickes, Rochester, NY (26 jaar)
Edward Curtis, Boston (23 jaar)
Harry Dunn, Santa Barbara, Ca.

Zittend van links naar rechts:
Francis Hunter Potter, New York City (33 jaar)
(Joseph) Joe Green, Cincinnati, Ohio
Philip Platt, Scranton, Pa. (27 jaar)
Gilchrist Stockton, Jacksonville, Florida (25 jaar)
Guillermo Hall, Austin, Texas (45 jaar)
Carlton Bowden, St. Louis, Minnesota (25 jaar)
Gardner A. Richardson, Woodstock, Connecticut (32 jaar)
Onbekend

De honkbalwedstrijd van CRB-gedelegeerden op Club Léopold in Brussel op 4 juli 1916. Philip Platt is aan slag. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Honkbal – Baseball op de Léopold Club in 1916
De honkbalwedstrijden van de Amerikanen werden gespeeld op de sportvelden van de Léopold Club (tegenwoordig Royal Léopold Club) in Ukkel, Brussel.
Op zaterdag 17 juni 1916 werd een eerste wedstrijd gehouden tussen de teams van CRB-gedelegeerden in België resp. Noord-Frankrijk. De honkbalsport was vrij onbekend in België, daarom diende de wedstrijd ook als demonstratie van de sport voor de Belgische toeschouwers. ‘… after luncheon we drove out to the Leopold Club. There, before a curious crowd of Belgians, who doubtlessly thought we had gone entirely crazy, we started the baseball game.’[3]
In de vijfde inning brak een van de spelers, Prentiss Gray (31 jaar), op onfortuinlijke wijze zijn rechterarm. Om geen slechte indruk op de Belgische toeschouwers te maken ging de wedstrijd gewoon door en werd de geblesseerde man stilletjes afgevoerd naar het ziekenhuis.

Ruim twee weken later, op dinsdag 4 juli 1916, Independance Day, de belangrijkste Amerikaanse nationale feestdag, werd de tweede wedstrijd georganiseerd. Meerdere actiefoto’s en het groepsportret (inclusief Gray op de achtergrond in witte kleding met gebroken arm in het gips, leunend op een honkbalknuppel) getuigen van deze sportieve dag.

Honkbaltenues van een vooraanstaand kleermaker

Het etiket van John Accent in de honkbalbroek van M. Meert. Coll. HHPLM, foto auteur.

Een etiket in de honkbalbroek verwijst naar de vooraanstaande kleermakerij John Accent gevestigd in de Koninklijkestraat (Rue Royale) in Brussel. La Maison Jean Accent presenteerde zich in 1889 als ‘hatter et tailor’. Jean Baptiste Accent overleed in mei 1900, zijn echtgenote Catherine Demesmaeker (°Brussel 15-07-1858 +Woluwe 07-03-1932) zette de zaak voort. In 1910 verkreeg zij het recht haar kledinghuis ‘Hofleverancier’ (fournisseur de la Cour) te noemen.[4]

Het graf van John Accent en gezin in Oudergem, België.

In 1916 droeg de zaak de naam John Accent, naar zoon John Accent (°Brussel 13-10-1892 +Oudergem 17-11-1953), die bij overlijden genoemd wordt als oud-strijder tijdens WO I. Vanaf 1919 zette John Accent het kledinghuis voort met zijn zwager Léon Canonne.[5]

Maison John Accent maakte hoeden, kostuums en overhemden, maar ook uniformen, ruiterkleding en sporttenues.

Alleen de broek heeft het etiket van John Accent, het honkbalshirt niet. Mijn aanname is dat de broek op maat is gemaakt en de shirts als een one-size-fits-all ook door John Accent zijn geconfectioneerd,
Omdat honkbal niet werd gespeeld in Brussel, zal het model van het honkbaltenue in nauw overleg met de Amerikaanse opdrachtgevers tot stand zijn gekomen en tegelijkertijd een Brusselse touch hebben gekregen. Foto’s van Amerikaanse honkbaltenues rond 1910/20 tonen diverse modellen die gebruikelijk waren in de VS.

Om over de stoffen voor de kleding te kunnen beschikken moeten ettelijke tientallen lege meelzakken zijn aangeleverd bij de kleermakerij.[6]

De oorspronkelijke bedrukking in blauwe letters ‘American Commission’ was de clubnaam op de honkbalshirts. Coll. HHPLM, foto auteur.

Uit de groepsfoto blijkt de uniforme voorzijde van de shirts met de bedrukking ‘American Commission’ als de clubnaam.

Voor- en achterzijde van het honkbalshirt. Coll. HHPLM, foto auteur.

De achterzijde van het door HHPLM bewaarde shirt heeft een andere bedrukking, namelijk Belgian Relief Flour uit Toledo, Ohio. Mogelijk is er voor de achterzijde van de shirts gevarieerd in bedrukkingen en zijn meelzakken uit diverse staten gebruikt.
Het honkbalshirt met zweetvlekken onder de oksels heeft geen etiket, maar een vaag potloodschrift op de stof lijkt de naam ‘Eckstein’ te vermelden. Mogelijk een verwijzing naar CRB-gedelegeerde Fred Eckstein, die zijn Duits aandoende naam later wijzigde in Fred Exton. Exton werkte van april tot augustus 1916 voor de CRB in de provincie Brabant.

Het honkbalshirt onderscheidt zich door de mouwlengte, maar vooral door de kraag.

De kraag van het honkbalshirt. Coll. HHPLM, foto auteur.

Het CRB-honkbalshirt heeft een zgn. ‘Schillerkraag’. De kraag staat uit zichzelf meer omhoog.

Friedrich Schiller, de Duitse dichter en schrijver. Foto: online

De benaming Schillerkraag voor dit type boord, verwijst naar de Duitse dichter en schrijver Friedrich Schiller (1759-1805). Deze droeg hemden met een openstaande kraag, vaak versiert met franjes. [7]

Marcus Eckhardt noemt de kraag modieus: “After looking around a bit, I don’t think that 1916 Baseball jerseys in the US usually had this type of collar. It must have been very fashionable.

De honkbalbroek van Fred Meert

Voor- en achterzijde van de honkbalbroek. Coll. HHPLM, foto auteur.
Meelzak, verso, ‘Gift from Ontario’, originele bedrukking, 1914. Coll. WHI; foto: auteur
Meelzak, recto, ‘Castle. Maple Leaf Milling Coy’

De bewaarde honkbalbroek is gemaakt van Canadese meelzakken ‘Castle. Gift from Ontario (Canada) to the Motherland’ geleverd door de firma Maple Leaf Milling Coy. De Canadezen leverden hun meel in 98 lbs (45 kg) zakken aan en deze hadden een stevigere stof dan de Amerikaanse 49 lbs (22,5 kg) zakken.
De tailleband, sluiting met knopen en taillering van de broek zijn met vakmanschap ontworpen en geconfectioneerd. De pijpen van de broek zijn wijd en kort – tot onder de knie.

Op het etiket in de honkbalbroek staat de naam Meert en de datum 27-7-1916 geschreven.
Meert verwijst naar Frederic William Meert (°Shrewsbury, N.J., VS 1873 +White Plains, N.Y., VS, 24-09-1951), de CRB-gedelegeerde voor Brabant, van 1914-1917.
De datum laat zien dat de honkbalwedstrijden zullen zijn voortgezet ook na 4 juli 1916.

Frederic William Meert, CRB-gedelegeerde in de provincie Brabant van 1914-1917.

Meert’s gegoede komaf
Fred (of Fritz) Meert was van gegoede komaf. Hij verhuisde op 27-jarige leeftijd naar Brussel voor zijn medische studie. Zijn moeder verhuisde in 1907 naar Brussel, waar Fred zich met zijn gezin bijvoegde. De banden met België liepen via zijn grootouders van vader’s zijde: Pierre Joseph Meert en Virginie Huygh van Antwerpen. Grootvader Meert was notaris en oud-burgemeester van Mortsel.

De grootouders van moeder’s zijde waren Dr. William Holme Van Buren (°Philadelphia 04-04-1819 +New York 25-03-1883), een van de oprichters van het Bellevue Ziekenhuis, New York, en Louisa Dunmore Mott (°02-06-1821 +14-10-1893), samen met haar zus Adelaide Mott Bell gekenschetst als ‘leaders in New York society’. [8] Louisa’s vader was Dr. Valentine Mott, de belangrijkste chirurg van zijn tijd, mede-oprichter van de Faculteit Chirurgie van New York University en de eerste hoogleraar chirurgie aan deze universiteit.

Fred Meert’s ouders waren Charles Frédéric Meert (°Mortsel, B., 19-07-1839 +Shrewsbury, N.J., VS, 07-02-1888) en Adelaide Mott Van Buren (°VS, 1843 +Brussel 13-05-1912)[9]. Het echtpaar kreeg een dochter en twee zoons: Virginie (1867-1950), Frederic en Victor (1874-1931).

Vader Charles Meert was wijnhandelaar in New York City en vertegenwoordigde het Franse champagnehuis Moët et Chandon in de VS. Maar in 1886 ging het mis met zijn bedrijf, raakte hij financieel in problemen en twee jaar later pleegde hij zelfmoord. Fred Meert was toen 15 jaar.

Fred trouwde tien jaar later op 9 juni 1898 in New York met Gertrude Wendell Sturtevant (°Nyack, N.Y., VS, 1869 +Scarsdale N.Y., VS, 22-12-1952), de huwelijksinzegening vond plaats door de aartsbisschop van New York. Het echtpaar kreeg drie dochters Eloise (1900-1974), Constance (1902-1962) en Gertrude (1906-1989).
Gertrude Sturtevant was een erkend schilderes van Chinees porcelein. Ze gaf les en exposeerde met haar eigen werk en dat van haar leerlingen in New York in 1893.[10]
De carrière van Fred in de VS strekte zich uit van beurshandelaar tot verzekeringsagent. Omdat hij met zijn gezin in 1914 in Brussel woonde, trad hij toe tot de gedelegeerden van de CRB en werd verantwoordelijk voor de provincie Brabant.[11] Ook zijn oudste zus Virginie Meert woonde in Brussel tijdens de Duitse bezetting. Zij werkte voor het Belgische Rode Kruis, onder meer in het Koninklijk Paleis in Brussel, dat tot tijdelijk ziekenhuis was ingericht. [11A]

Samenstelling van Provinciaal Komiteit Brabant. CRB statistics, coll. HHPLM.

Klaarblijkelijk bouwden Gertrude en haar tienerdochters – in de jaren 1915/16 in de leeftijd van 15, 13 en 9 jaar- een interessante verzameling versierde meelzakken op, want de familie Meert heeft -sinds 1921 weer terug in de VS- in 1941 een collectie van 33 beschilderde en geborduurde meelzakken geschonken aan de Hoover Library on War, Revolution and Peace, voorloper van de huidige Hoover Institution op Stanford University.[12]
Zou het honkbaltenue deel hebben uitgemaakt van de schenking?

Foto van honkbalwedstrijd door Clare M. Torrey – 1964

Fragment uit brief van Clare M. Torrey aan Dr. Franz G. Lassner, 9 november 1964. Coll. HHPLM.

Oud- CRB gedelegeerde Clare Torrey[13] stuurde in 1964 een foto van de honkbalwedstrijd in 1916 aan directeur Lassner van HHPLM, waarbij hij schreef: ‘The intention was to make the uniform blouse out of flour sacks and, in fact, one of our members, Mr. William C. Hall, has such a garment. Would you like to have it? If so, I shall ask Mr. Hall.’ Lassner antwoordde dat hij het shirt graag voor de museumcollectie wilde hebben. Of het shirt daadwerkelijk geschonken is, is niet bekend. Wel weten we dankzij de foto’s dat Hall een van de honkbalspelers is geweest in Brussel.

 American Identity – 2025
In haar recent verschenen boek ‘Saving Europe. First World War Relief and American Identity’ heeft geschiedkundige Tammy M. Proctor, hoogleraar aan de Utah State University, Logan, Utah, VS, één van de actiefoto’s opgenomen.

Foto van de honkbalwedstrijd in Brussel op 4 juli 1916 met bijschrift in Tammy Proctor’s nieuwste boek ‘Saving Europe’ (2025) p. 27.

Het bijschrift luidt: ‘Jonge Amerikaanse mannen die voor de CRB werkten, namen deel aan recreatieve activiteiten zoals deze honkbalwedstrijd in Brussel in 1916. Ondanks de oorlog en de bezetting genoten de CRB-afgevaardigden van de kameraadschap die ze vonden in hun hulpverleningswerk en vertelden ze met plezier over hun leuke bezigheden, zoals picknicks, uitstapjes naar beroemde bezienswaardigheden en sporttoernooien.’

In haar actuele, kritische beschouwing van het CRB-werk in bezet België en Noord-Frankrijk reflecteert Proctor op de mentale instelling van de CRB-gedelegeerden: ‘Deze broederschap van Amerikaanse mannen deelde met andere Amerikanen die betrokken waren bij de oorlog en de naoorlogse hulpverlening, een culturele, raciale en ethische roeping, namelijk de drang om Europeanen te behandelen als objecten van sociale hervorming en om het continent te laten aansluiten bij hun eigen innerlijke voorstelling van Europa. In zekere zin beschouwden de CRB-gedelegeerden hun tijd in België als een gelegenheid om de westerse samenleving bij te schaven.’

De honkbalwedstrijden waren daarom niet alleen ontspanning, ze dienden ook een hoger doel. De uniforme honkbaltenues, gemaakt uit katoenen meelzakken met de opdruk ‘American Commission’, geïmporteerd in bezet België onder supervisie van de CRB-gedelegeerden, geconfectioneerd door de vooraanstaande Brusselse kleermakerij John Accent, droegen bij aan de verheven opdracht.

Hoover Institution en honkbal – 2026

De honkbalwedstrijd in Brussel op 4 juli 1916. Phil Potter bereikt het eerste honk. Foto HILA, Philip S. Platt papers, photograph file.

Al jarenlang figureren de foto’s uit Brussel van de CRB-honkballers prominent in de diashow ‘Take me out to the ball game’ op de website van Hoover Institution, gevestigd op de campus van Stanford University. Van het meelzakkenverhaal achter de honkbaltenues zijn zij zich niet bewust. [14]

Trench art – de paradox van de honkbaltenues
Kunnen de honkbaltenues beschouwd worden als ‘trench art’, binnen het concept van Nicholas Saunders [15] dat hen definieert tot ‘items gemaakt door burgers, rechtstreeks uit materiaal dat in tijd en plaats wordt geassocieerd met de gevolgen van gewapend conflict’?
De handreiking om het ‘oorlogsmateriaal’, de zakken en honkbalshirt en -broek, vooreerst en altijd te beschouwen vanuit de spanning van het conflict van WO I, de CRB-gedelegeerden te onderzoeken vanuit de verwarring waarin zij en de mensen in hun omgeving leefden, biedt focus om de paradox te zien die in de broek en het shirt gevangen zit.

Uniform tenue
Honkbal had een militaire connotatie. Honkbal en het Amerikaanse leger hadden nauwe banden, al tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) speelden soldaten honkbal in hun vrije tijd. Toen de VS in 1917 toetraden tot de oorlog zorgden de professionele Amerikaanse honkbalclubs voor de uitrusting van militairen om in vrije tijd te kunnen honkballen. De clubs moesten spelers afstaan voor militaire dienst, wat tot discussie leidde of zij al dan niet ontheffing zouden moeten krijgen.

De CRB-mannen, veel sportieve studenten, arriveerden vanaf najaar 1914 in Brussel, ze zullen hun honkbal met -knuppel en handschoenen, ook hun honkbalkleding, in de bagage hebben meegenomen. Bovendien woonden er vele Amerikanen in Brussel. Waarschijnlijk speelden ze in hun vrije tijd altijd al honkbal. De benodigde materialen als thuisplaat, honken, etc. zullen ze hebben aangetroffen of georganiseerd bij de sjieke Club Léopold in Ukkel.
Voor de wedstrijden in juli 1916 wensten de honkballers een eigen identiteit als CRB-ers, ze wilden een uniform, onderscheidend teamshirt met clubnaam. Bewust of onbewust bracht het hen dichterbij een nationaal, militair imago.

Amerikaanse armoede
De stoffen van lege zakken hergebruiken voor kleding was in 1916 voor Amerikanen in eigen land het ultieme bewijs van armoede. Als het al nodig was verwijderde je de bedrukkingen en verborg je zoveel mogelijk de herkenning van de stof als hergebruikte zak.
In november 1914 promoten Amerikaanse meelfabrikanten het gebruik van katoenen zakken voor het verpakken van Belgian Relief flour als win-winsituatie: het kwam de noodlijdende Amerikaanse katoenindustrie ten goede en de door oorlog en honger geteisterde Belgische huisvrouw zou de geleegde zakken kunnen gebruiken om onderkleding van te maken. [16]

Orlando Evening Star, 27 april 1916

Een jaar later gooide de CRB de strategie om. In januari 1916 bezocht CRB-gedelegeerde P.H. Chadbourn de Amerikaanse president Wilson in Washington om er schande van te spreken dat, zoals hij beweerde: “Belgische kinderen in hemden van meelzakken met gaten voor hoofd en armen gekleed gingen.” Niets was minder waar, maar de CRB had Amerikaans geld nodig voor kleding voor de Belgen…[17]

Amerikaanse CRB-gedelegeerden die enkele maanden later geleegde zakken in oorlogstijd en bezetting terugvroegen van het CNSA en deze aanleverden bij een vooraanstaande Belgische kleermakerij in Brussel, erkend als hofleverancier, om er uniforme sporttenues van te maken, voelt binnen deze context aan als een ironische studentengrap.

De knoopsluiting van de honkbalbroek. Coll. HHPLM, foto auteur.

Alsof de mannen met hun demonstratiewedstrijd van honkbal aan het Belgische publiek de boodschap overbrachten: ‘wij kunnen hier in bezet België zelfs in zakken gekleed in onze vrije tijd recreëren en jullie laten zien wat voor ons Amerikanen een échte sport is’.[18]

 

 

Belgische rijkdom

Kinderen in schorten van zakken ‘American Commission’, Heverlee bij Leuven, provincie Brabant. Foto: Robert Bruyninckx.

Anderzijds zal dit Amerikaanse hergebruik van de meelzakken geïnspireerd zijn door het hergebruik van de zakken voor kleding, zoals geïntroduceerd door de Belgische bevolking. De zakken verleenden identiteit, het stelde Belgische vrouwen, meisjes en kunstenaars in staat hun vaderlandsliefde te demonstreren. Voor hen symboliseerden de bedrukte zakken geen armoede, maar rijkdom. De zakken brachten meel voor brood; eenmaal geleegd waren ze een souvenir, er was aan hen gedacht in tijd van oorlog. Naast onderkleding maakten zij met vaardige handen vooral bovenkleding van de zakken: leuke schorten en jurkjes toonden zichtbaar de bedrukkingen en kinderen gingen er trots mee op de foto.

Conclusie
De jonge Amerikanen in Brussel koesterden ook hun rijkdom en gingen trots op de foto in hun honkbaltenues.
Ze hebben waarde gehecht aan de meelzakken als fysieke representaties van hun thuisland. De zakken boden de Amerikanen identiteit als groep, het textiel en de bedrukkingen vormden vertrouwde bakens voor de mannen in den vreemde. Ze gaven betekenis aan hun relaties met de Belgische bevolking en de Duitse bezetter.
Thuisgekomen na de oorlog bewaarden ze het tenue als trofee, een souvenir voor de verrichting van goede daden, maar vooral toch als herinnering aan hun identiteit, het team, de kameraadschap, die hen door een beladen periode in een geïsoleerde wereld had heen geholpen.

Het honkbalshirt met zweetvlekken. Coll. HHPLM, foto auteur.

Daarom bewaart de Herbert Hoover Presidential Library-Museum anno 2026 een shirt met zweetvlekken onder de oksels en een vuile honkbalbroek.

Dank aan:
– Marcus Eckhardt, Lynn Smith, Jeffrey B. Miller.
– Hubert Bovens voor de biografische gegevens van de familie Meert in België.
– Hellen Grootendorst voor toezending van Louis Ramaekers’ spotprent.
– Rosalie Schoof, conservator Nederlands Openluchtmuseum.

 

Voetnoten
[1] Emailwisseling met Marcus E. Eckhardt, conservator HHPLM, in april 2024.

[2] Miller, Jeffrey B., WWI Crusaders. Denver, Milbrown Press, 2018, p. 434-436. Met citaten uit het dagboek van Prentiss Gray en brieven van Milton Brown. www.WWIcrusaders.com.

[3] In tegenstelling tot Noord-Amerika was honkbal in Europa een weinig beoefende sport. Tijdens WO I werd het in Engeland in de breedte geïntroduceerd door daar gelegerde Canadese militairen. Zij speelden onder meer een wedstrijd tegen een team Amerikanen die in Londen woonden.

Bron: blog.britishnewspaperarchive.co.uk – online

In Nederland is baseball geïntroduceerd in 1912 en werd het Engelse woord ‘baseball’ vertaald in het Nederlandse woord ‘honkbal’.
De introductie in België zal ook uit die tijd dateren. In Belgicapress vind ik voornamelijk krantenartikelen die over het Amerikaanse baseball rapporteren als immens populaire, commerciële sport waar grote geldbedragen in omgaan en die vooral bedoeld is voor weddenschappen.
– ‘Il faut se rendre compte que les Américains dépensent 60 à 70 millions par an pour le baseball; que le nombre des personnes qui assistent à tous les matches doit atteindre 50 millions‘ (Le Bien Public, 3 maart 1914).
– Over de salarissen van spelers in 1915: ‘Le recordman est John Mac Graw, des Géants de New York, qui a empoché la jolie somme de 30.000 dollars (150.000 francs).’ (Le Messager de Bruxelles, 16 maart 1916).

[4] Le Soir, 12 februari 1910.

[5] Léon Canonne was direct na het uitbreken van de oorlog vertrokken naar Engeland en had zich op 16 Savile Row, Regent Street in Londen gevestigd als kleermaker voor civiele en militaire tenues, bedoeld als een nevenvestiging van de Rue Royale in Brussel voor zijn uitgeweken Belgische landgenoten. L’Indépendance Belge (Edité en Angleterre), 29 oktober 1914.

[6] CRB-gedelegeerden voor de provincie Brabant zoals Meert, Potter en Exton, actieve honkballers, zullen Georges Pètre goed genoeg gekend hebben om via hem lege meelzakken te regelen. Pètre was lid van het provinciaal komiteit Brabant en voorzitter van het CNSA Comité de Vente des Sacs d’Amérique.

[7]

Louis Ramaekers, ‘Voor of tegen den schillerkraag. Tegen!’ 20 juli 1914, spotprent. Uit: De Nederlandse arbeidersbeweging tot 1918.

Een van mijn vriendinnen in Den Haag attendeerde mij op de Schiller-kraag en een spotprent van Louis Ramaekers: “Ik kan mij nog herinneren dat mijn grootvader op afkeurende toon over iemand kon spreken: “Hij droeg een Schillerkraag…”. Of nog laatdunkerder “De vent had ‘n Schillerkraagie an!” Mijn grootvader zei dat, als iemand zich in vrije tijds/sportkleding gekleed had bij serieuze activiteiten. Socialisten deden dat graag, om zo hun anti-burgerlijke houding te demonstreren.”

Desgevraagd becommentarieerde Rosalie Schoof, conservator Nederlands Openluchtmuseum: ‘De Schiller boord of kraag ken ik inderdaad (woeste kragen van de dichter Schiller). Wordt geassocieerd met een platte, slappe kraag als tegenstelling tegen de gangbare, modieuze gesteven boorden. Deze kragen associeer ik vooral met vrijetijdskleding, zeiloutfits, vroege polo’s. Die zijn al terug te vinden in vroege reclames voor mannenmode, eind jaren ’20, begin jaren ‘30. Vooral als ook de vroege tricotweefsels in de mode komen. In deze jaren breekt de vrijetijdskleding langzamerhand door. Deze meelzakken zijn dan natuurlijk een bijzonder verhaal.’ 

[8] Rockland County Journal, VS, 18 mei 1912.

[9] The Daily Record (Long Branch, New Jersey), 16 mei 1912.

[10] The Standard Union (Brooklyn, New York), 18 december 1893, p.2.

[11] The Journal News (White Plains, New York), 26 september 1951.

[11A] New York Tribune (New York, New York), 23 januari 1921, p. 43.

[12] The Peninsula Times Tribune (Palo Alto, California), 23 januari 1941.
In dit verband is het van belang te weten dat Aline Bouquié – Madame William Burls – een nicht was van Fred Meert. Zij zal veel contact hebben gehad met Gertrude Meert en haar dochters.
Aline Bouquié is auteur van Dans la Geôle Bruxelloise. Deux années sous le joug allemand. Parijs, 1917, waarin passages over de verkoop van meelzakken in Brussel.

[13] Clare M. Torrey was in 1964 voorzitter van de Belgian American Educational Foundation (BAEF) in New York.

[14]  ‘Take Me Out to the Ball Game‘ is een van de bekendste Amerikaanse liederen. Het stamt uit 1908 en wordt bij iedere honkbalwedstrijd in de VS gezongen halverwege de zevende inning. Het publiek gaat staan en zingt:
“Take me out to the ball game,
Take me out with the crowd.
Buy me some peanuts and cracker jack,
I don’t care if I never get back,
Let me root, root, root for the home team,
If they don’t win it’s a shame.
For it’s one, two, three strikes, you’re out,
At the old ball game.”

NB. De missie van Hoover Institution anno 2026 is: ‘With its eminent scholars and world-renowned Library and Archives, the Hoover Institution is a public policy think tank that seeks to improve the human condition by advancing ideas that promote economic opportunity and prosperity, while securing and safeguarding peace for America and all mankind.’ (online, geraadpleegd 7 februari 2026)

[15] Saunders, Nicholas J., Trench Art. Materialities and Memoires of War. Oxford, Berg, 2003.

[16] The Millers’ Belgian Relief Movement 1914-15 conducted by The Northwestern Miller. Final Report of its director William C. Edgar, Editor of the Northwestern Miller, MCMXV

[17] St. Joseph News Press (St. Joseph, Missouri), 19 januari 1916

[18] Michael Billig zal in 2005 zijn sociale theorie presenteren, dat humor centraal staat in het sociale leven. Billig betoogt dat alle culturen spot gebruiken als corrigerend middel om gedragsnormen en gewoonten te handhaven. Billig, Michael, Laughter and Ridicule. Towards a Social Critique of Humour. Sage Publications, 2005.

A friend in need a friend indeed – Antwerpen 1915

De Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem heeft een fraai geborduurde meelzak ‘ABC Olympic Graham Flour’ in de collectie. Het patroon van het borduurwerk is bovenop de originele bedrukking van de zak aangebracht. Een zwart, geel, rode banier ‘A friend in need a friend indeed‘ wappert fier boven een donkerbruine hoorn des overvloeds met goudgele tarwearen gevuld; een grijze adelaar vliegt op met de gekruiste stokken van de Belgische en Amerikaanse vlaggen geklemd in de poten, een gouden zon komt stralend op achter de vogel..

Origine meelzak

Meelzak (origineel), ABC Olympic Graham Flour. Belgische part. coll.

The Portland Flouring Mills Co., Dayton, Washington, VS, leverde zakken met ABC Olympic Graham Flour broodbloem aan de levensmiddelenbevoorrading voor bezet België eind 1914. De plaatselijke Belgian Relief commissie leverde de zakken meel aan in de haven van Seattle. Het Britse stoomschip SS Washington werd geladen met levensmiddelen en vertrok op 29 januari 1915 voor een reis van twee maanden vanaf de Amerikaanse westkust via het Panamakanaal over de Atlantische Oceaan naar de haven Rotterdam waar het op 30 maart 1915 aanmeerde.

Het Britse schip SS Washington vertrok op 29 januari 1915 uit Seattle/Portland en arriveerde op 30 maart 1915 in Rotterdam met levensmiddelen voor de bevolking van bezet België. Seattle Post-Intelligencer, 20 januari 1915.

Iconografie: vergelijk de borduurpatronen!
De iconografie van de adelaar, de hoorn des overvloeds, de graanhalmen en de banier ‘a friend in need a friend indeed‘ herkende ik van andere borduurwerken. De banier met ‘de vrienden’ kwam ik nu al zeven maal tegen op geborduurde meelzakken. Ik heb deze op een rij gezet. En voeg de foto toe van een meelzak met het overeenkomende patroon van adelaar, hoorn des overvloeds en graanhalmen, maar zonder banier (nr.3).

Nadat ik de vergelijking van de borduurpatronen had gemaakt, details had bestudeerd en de plaats van de verzamelingen lokaliseerde, kwam ik tot de conclusie: de borduurwerken op de bloemzakken zullen uitgevoerd zijn in Antwerpen in 1915/16, mogelijk in het Ouvroir van Antwerpen, waarover ik reeds twee blogs heb geschreven.

De banier ‘A friend in need a friend indeed’
In Antwerpen in 1915 zijn kennelijk drie borduurpatronen ontworpen voor het borduren op de meelzakken met als eerste element de banier ‘a friend in need a friend indeed‘, in de Belgische kleuren zwart, geel, rood. De Belgische ontwerper(s) bracht(en) de humanitaire relatie tussen België en de Verenigde Staten in beeld.
De representatie van een adelaar, een vogel in vlucht met wiekende vleugels, staat als tweede element centraal. Sinds 1782 is de zeearend, symbool van kracht, het nationale symbool van de Verenigde Staten.
– Patroon 1) De adelaar vliegt naar links (vanuit de kijker bezien) boven een hoorn des overvloeds gevuld met tarwearen, in zijn poten klemt hij de gekruiste vlaggenstokken van de Belgische en Amerikaanse vlag. Achter de korf met graanhalmen rijst de zon met gouden zonnestralen op (nrs. 1, 2, 3.)
– Patroon 2) De adelaar vliegt naar rechts boven een halve wereldbol, aan de onderzijde omrand met tarwearen. Rechts in Europa de Belgische vlag, links in Noord-Amerika de Amerikaanse vlag. In de vogelsnavel het midden van het banier (nrs. 4 en 5).
– Patroon 3) De adelaar vliegt naar links met het Amerikaanse schild en daarachter drie dikke graanhalmen tussen de poten geklemd. Boven de vogel een ster en daarboven wappert fier een gerafelde, Belgische vlag (nrs. 6 en 7).

De borduurwerken
De borduursters hadden beschikking over een veelvoud aan Amerikaanse meelzakken om hun borduurpatroon op aan te brengen. Ze hebben geen Canadese meelzakken gebruikt.
De handwerksters hebben eigen keuzes gemaakt in de kleuren van de borduurgarens die zij gebruikten. De banier is in wisselende kleuren zwart, geel en rood geborduurd. De adelaar heeft verschillende kleuren beige, bruin of grijs. De Amerikaanse vlag is op eigen wijze geïnterpreteerd gelet op aantal en kleur van de strepen en het aantal sterren. (In 1915 had de Amerikaanse vlag officieel 13 horizontale banen, bovenste en onderste in rood, en 48 sterren.) Ook het Amerikaanse schild is divers geïnterpreteerd, zie de verticale banen in de kleuren rood en wit.
Het borduren van de snavel van de adelaar bleek moeilijk. Uitvergroting van dit detail laat zien dat de snavel allerlei vormen heeft.

1) Collectie Koninklijke Kring voor Heemkunde Merksem

‘A friend in need a friend indeed’ met hoorn des overvloeds. Meelzak ABC Olympic Graham Flour, The Portland Flouring Mills, Co., Dayton, Washington, geborduurd, ca. 1915. Coll. KKvH Merksem

2) Collectie The UK Trench Art Site

A friend in need a friend indeed met hoorn des overvloeds. Meelzak, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. UK

3) Particuliere collectie België

Zonder banier, met hoorn des overvloeds. Meelzak Pillsbury’s improved Crown, Minneapolis, Minnesota, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. Ruth Shank, Brasschaat in 1986.

4) Collectie The UK Trench Art Site

‘A friend in need a friend indeed’ met wereldbol. Meelzak Belgian Relief Flour City of Topeka, Shawnee County, Kansas, geborduurd ca. 1915. Part. coll. UK

5) Particuliere collectie België

‘A friend in need a friend indeed ‘met wereldbol. Meelzak Cascade, Portland Roller Mills, Portland, Oregon, geborduurd ca. 1915. Let op detail rechts: stempel CNSA/NKHV Antwerpen met pelikaan. Part. coll. België

6) Particuliere collectie België

‘A friend in need a friend indeed’ met Belgische vlag en Amerikaans schild. Meelzak Semolino, Hays City Milling & El. Co., Hays City, Kansas, geborduurd, ca. 1915. Part. coll. België

7) Collectie MoMu, Antwerpen

‘A friend in need a friend indeed’ met Belgische vlag en Amerikaans schild. Meelzak Belgian Relief Flour Bernet Craft and Kauffman Milling Co, Republic, Missouri, geborduurd, ca. 1915. Coll. Momu Antwerpen

8) Auction Potomack Company, VS
Het borduurwerk nr. 8 is gemaakt op basis van een vierde borduurpatroon. Ook in dit patroon is de adelaar centraal met de banier ‘a friend in need a friend indeed’ in zijn snavel. Toch wijkt het patroon af van de patronen uit 1915:
– De graanhalmen ontbreken in het patroon;
– Een bundel van zeven pijlpunten symboliseren eendracht;
– De Belgische vlag gaat half verscholen achter de Amerikaanse vlag;
– Een van de schilden is ‘lokaal’, het is het wapen van Antwerpen;
– De meelzak is voorzien van een brede kanten omranding;
– De versierde meelzak bevond zich in 2022 in de VS, de andere zeven bevinden zich in collecties in Europa.
– Het belangrijkste verschil zijn de jaartallen 1914-1918. Zij betekenen dat het borduurwerk tot stand is gekomen nà de Wapenstilstand.

Trench art van nà de Armistice
Het is een oorlogssouvenir waarin de naoorlogse relatie tussen België en de VS vanuit Antwerpse optiek is vastgelegd. Waar in 1915 de humanitaire, bevoorradingscomponent de iconografie bepaalde in de borduurpatronen, verdween deze uit dit borduurpatroon van nà 1918.
Dat maakt het zelfs mogelijk een militaire component in de relatie tussen België en de VS te koppelen, zoals een Amerikaans veilinghuis recent deed.
In 2022 was dit borduurwerk te koop en gaf het veilinghuis in Virginia, VS, online de toelichting: ‘… done after World War I by Belgians in gratitude for American servicemen who aided them in defeating the Germans…’ .

‘A friend in need a friend indeed’ met het wapen van België en Antwerpen 1914-1918. Belgian Relief Flour Listman Mill Co., La Crosse, Wisconsin. Borduurwerk en kant. Let op dat graanhalmen ontbreken. Foto website auction The Potomack Co. jan. 2022.

A friend in need is a friend indeed – fabels van Aesopius
Waar komt de uitdrukking ‘a friend in need a friend indeed‘ vandaan?
In de fabels van Aesopius, die toegeschreven worden aan de Griekse dichter Aesopus (ca. 620-560 v.Chr.), komt een verhaal voor waarin de oorsprong van het spreekwoord, zoals gebruikt in het borduurwerk, is te herkennen. In de verhalen van Aesopius maakt hij met de dieren een personificatie van mensen. Hoe is het toepasbaar op bezet België in 1915?

De beer en de reizigers
Er waren eens twee reizigers die hun tent opsloegen in het bos. Midden in de nacht kwam een beer op hen af. Eén reiziger klom in een boom, terwijl de ander niets beters wist te verzinnen dan te gaan liggen en zichzelf voor dood te houden. De beer naderde hem, snuffelde met zijn snuit bij het oor van de man; en, na een minuut, ging de beer toch weg. De eerste reiziger klom uit de boom en vroeg nieuwsgierig aan zijn medereiziger wat de beer hem in zijn oor had gefluisterd. Hij antwoordde dat de beer hem op het hart drukte voortaan zijn vrienden beter uit te kiezen.
De moraal van het verhaal: in nood leert men zijn vrienden kennen:
De beer is onmiskenbaar het Duitse keizerrijk dat België onverhoeds binnenviel op 4 augustus 1914. De tweede reiziger is België. De eerste reiziger kan niet anders zijn dan Groot-Brittannië dat weliswaar op militair terrein te hulp kwam, maar door een handelsembargo en importblokkade de toevoer van levensmiddelen overzee naar bezet België onmogelijk maakte.

De origine van het spreekwoord
Het spreekwoord ‘a friend in need is a friend indeed’ wordt al sinds de oudheid gebruikt.
– De Romeinse filosoof Quintus Ennius (239-169 v.Chr.) schreef in het Latijn ‘Amicus certus in re incerta cernitur.’ wat betekent “Een betrouwbare vriend wordt gekend in onzekere tijden.”
– De Britse schrijver en dichter John Heywood stelde een verzameling spreekwoorden samen in de Engelse taal in 1546.
Daarin nam hij het volgende spreekwoord op: ‘Prove thy friend ere thou have need, but in deede. A friend is never known till a man have need’, wat betekent ‘een echte vriend wordt pas herkend wanneer er moeilijkheden ontstaan’.
(John Heywood is in België, in Mechelen gestorven. Als gelovig katholiek was hij uit Engeland gevlucht om aan vervolging te ontkomen.)
– De uitdrukking werd van lieverlee populairder en wordt tot op de dag van vandaag wereldwijd gebruikt.

‘A friend in need a friend indeed’ met de bundel van zeven pijlpunten en het wapen van België en Antwerpen 1914-1918, detail. Foto website auction The Potomack Co. jan. 2022.

Antwerpen

Stempel CNSA/NKHV Antwerpen met pelikaan

Antwerpen was in 1914/1915 een internationale havenstad waar de Engelse taal actief werd gebruikt. Zo is het spreekwoord ‘a friend in need a friend indeed’ verwerkt in de borduurpatronen die op de meelzakken zijn gebruikt om uitdrukking te geven aan de erkentelijkheid die de burgerbevolking van bezet België voelde voor de import van levensmiddelen, gefaciliteerd door Amerikaanse burgers.

‘A friend in need a friend indeed’
‘In nood leert men zijn vrienden kennen.’
‘C’est dans le besoin que l’on reconnaît ses vrais amis.’

De mystieke vrouw in zwart, geel en rood van Tony van Os, Bornem

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, (verso) op meelzak ‘American Commission’, circa 1915. Coll. IFFM, nr. IFF 005527. Foto: auteur

Het schilderij van Tony van Os, gekwast op een Amerikaanse bloemzak ‘American Commission’, heb ik bestudeerd in het depot van het In Flanders Field Museum (IFFM) in Ieper op mijn recente zakkenreis naar de Westhoek.

Tony van Os
Franciscus Antonius Aloysius (Tony) Van Os (°Antwerpen 21-06-1886 +Temse 05-09-1945) was een Belgisch kunstschilder, tekenaar en illustrator. Zijn œuvre bestaat voornamelijk uit Scheldezichten, landschappen, portretten en religieuze onderwerpen. Van Os huwde met Elisa Van Hoeymissen (x21-08-1912) en vestigde zich in Bornem-Buitenland aan de Schelde.[1] Het koppel kreeg drie kinderen.

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, (recto), meelzak American Commission, circa 1915, olieverf op katoenen zak. Coll. IFFM, nr. IFF 005527. Foto: auteur

De vrouw in zwart, geel, rood

Tony van Os, ‘Infortunate Bornhem thanking the AMERICAN FLAG’, detail

Op het olieverfschilderij zien we een vrouw gekleed in de Belgische kleuren zwart voor de rok, geel met rode biezen voor het jak, rood voor de hoofddoek waaronder wat krullend haar tevoorschijn komt. Op blote voeten, in haar linkerhand waarmee ze haar linkerbeen omklemt, een witte zakdoek -symbool van overgave-, die contrasteert met de zwarte rok. Haar linkervoet wankelt op een stapel ruïnestenen.
De vrouw zit op een muur in ruïne, op de achtergrond een witte nevel, het water van de Schelde, waarin reflectie van dorp en bomen op de achtergrond, daarboven lage rivierhuizen en de kerktoren van de Onze-Lieve-Vrouw-en-SInt-Leodegariuskerk in Bornem.
Aan de linkerzijde achter de vrouw staan huizen in brand, flarden grijze rook stijgen op.

Palmtak en Amerikaanse vlag
De blik van vrouw is naar boven gericht. In haar rechterhand houdt ze een palmtak, symbool van overwinning, omhoog. Ze wijst naar de Amerikaanse vlag die boven haar hoofd wappert aan een vlaggenlijn.
De Amerikaanse vlag heeft 48 sterren, zes boven elkaar op acht rijen, de sterren met een punt omhoog. De vlag telt 29 horizontale banen.
(NB. In 1915 had de Amerikaanse vlag inderdaad officieel 48 sterren, zoals Van Os schilderde; de vlag had echter slechts 13 horizontale banen.)

In de rechteronderhoek de signatuur van Tony van Os, Bornhem.

Dankbaarheid van de schilder

GRATITUDE OF THE PAINTER TO THE AMERICAN COMMISSION

Tony van Os ondertekende met T.V.O. in de linkeronderhoek. Daar staat ook de zin: GRATITUDE OF THE PAINTER TO THE AMERICAN COMMISSION (Dankbetuiging van de schilder aan de American Commission).

In de rechteronderhoek de naam Tony van Os, Bornhem.

‘Infortunate Bornhem Thanking the AMERICAN FLAG.’

Ongelukkig Bornem
Op de achterzijde van het schilderij de originele print van de meelzak American Commission. En de tekst – een kwartslag gedraaid – ‘Infortunate Bornhem Thanking the AMERICAN FLAG’ (Ongelukkig Bornem, de Amerikaanse vlag dankend).


Iconografie – de schepping van een mystieke vrouw
Reflecterend op de iconografie en lezend over Van Os’ œuvre vraag ik me af wie de jonge Van Os heeft geportretteerd met de vrouw.
Tony van Os schilderde zijn kunstwerk in de verwarrende omstandigheden van de oorlog; dit werk valt onder de noemer ’trench art’, loopgravenkunst, het draagt de weerklank van het conflict.
Wat is de symboliek, is de afbeelding van de vrouw vanuit religie ingegeven? Wie is deze mysterieuze vrouw?
– Is zij Vrouwe Belgica, of de ‘Jeanne d’Arc’ van Bornem, zwaaiend met palmtak?
– Is zij een godin of zou zij in religieuze beschouwing de maagd Maria representeren?
Ze rijst blootsvoets op uit de ruïnes, toont eerst haar zwarte rok, vervolgens het gele jak, dan de hoofddoek in rood, alsof de Belgische natie zich opheft uit de ruïnes.
De witte zakdoek van de overgave klemt zij in haar linkerhand om haar linkerbeen, alsof ze haar tranen heeft gedroogd. Ze richt haar rechterarm omhoog en wuift met de palmtak van de overwinning waarbij ze wijst naar de wapperende Amerikaanse vlag aan de hemel. De Amerikanen faciliteerden de import van levensmiddelen in bezet België, als ware dit ‘manna dat uit de hemel viel’.
Op de achtergrond beelden van dorp en landschap, gekwast in de herkenbare schilderstijl van Van Os.

De felle kleuren van de weerbare vrouwenfiguur contrasteren met het eerdere werk dat de zeer jonge Van Os maakte en toonde op tentoonstellingen, o.m. in Antwerpen in 1911; Van Os was toen 24 jaar. De vrouw in Belgische kleuren schilderde hij waarschijnlijk in 1915 toen hij 29 jaar oud was en inmiddels getrouwd. Zou de echtgenote van Van Os model hebben gestaan voor de vrouw?

Enkele superlatieven uit een artikel over de tentoonstelling in Antwerpen in 1911:
– … dezen nog zeer jongen maar buitengewoon aangelegden kunstenaar …
– … De zielvolle weergave van de zachte, gelaten melankolie, ziedaar wel, naar  ik meen, de samenvatting van het karakter dezer kunst….
– … Zelden zagen wij werk van zoo verrassende innigheid…
– … Hoe deze schilder op harmonische wijze uiting heeft gegeven aan een diepe zielsbewogenheid blijkt verder uit schilderijen als …. diepzinnige ontroeringen van een meewarig kunstenaarsgemoed….
– … Zijn aandacht schijnt hij vooral te hebben gewijd aan lijn en gebaar, meer nog dan aan de kleur, zoodat deze soms wel hier en daar wat droog en schraal werd… [2]

Honderd jaar na de geboorte van Tony van Os was de beschrijving van zijn werk: ‘Met een omvangrijk œuvre ging Van Os de kunstgeschiedenis in als schilder van de Schelde, zonder uitbundigheid of stralende kleuren maar met een eigen stijl en koloriet, waarmee hij er in slaagde een eigen pikturale wereld te scheppen die doordrongen was van een mystieke vroomheid en weemoed, het land dat hij bewoonde eigen.’  [3]
Van Os was in september 1945 gestorven aan een ziekte, veroorzaakt door gevangenschap tijdens de bevrijdingsdagen van WOII, als slachtoffer van een niets ontziende repressie.

Dertig jaar eerder, tijdens WO I onder eendere niets ontziende repressie, schiep Van Os in eigen stijl en koloriet met zijn pikturale wereld een weerbare vrouw in zwart, geel en rood: uitbundig en in stralende kleuren; zijn creatie van een mystieke vrouw.*)


Geplakt etiket van Adèle Deswarte, Bruxelles, op achterzijde houten lijst.

Een oud, houten kader van Adèle Deswarte
De afmeting van het schilderij is 59×35,5 cm; inclusief de lijst is de afmeting van het kunstwerk 72×48 cm.
Op de achterzijde van het houten schilderijkader bevindt zich een geplakt etiket van Adèle Deswarte, Bruxelles. Met potlood staat 52×45 in het hout geschreven.
Adèle Deswarte (Vieux-Berquin, 1 april 1832 – Brussel, 27 september 1889) was ongehuwd en overleed in haar woning in de Rue de la Violette, nummer 28 in Brussel. Zij was al in 1868 verkoopster van schilder artikelen. Haar Comptoir des Arts in de rue Violette 28 werd na haar dood in 1889 verdergezet door Jules Leurquin en later door Albert Mendel. [4]
Adèle overleed in 1889 op 57-jarige leeftijd, en verkocht tussen 1868 en 1889 schilder artikelen, dat is ruim 20 jaar. Als Van Os de meelzak zelf heeft ingekaderd rond 1915, dan is het een oud kader dat is (her)gebruikt.

Tussen de lijst aan de achterzijde zijn Vlaamse kranten geklemd, misschien de Gazet van Antwerpen; Tony van Os’ vader was stichter en directeur van deze krant.

Veiling
Het In Flanders Fields Museum heeft in 2022 het schilderij aangekocht in Gallery St. John in Gent. Op de website van Gallery St. John lees ik dat het schilderij toen was toeschreven aan Tony van Os. [5]

Conclusie
Mijn conclusie is dat dit schilderij beslist van de hand van Tony van Os moet zijn. Waarschijnlijk geschilderd in 1915, Van Os was toen 29 jaar; mogelijk is de bloemzak tentoongesteld geweest in Antwerpen, eind 1915, begin 1916. [6]

Tony van Os schilderde een opmerkelijke voorstelling op meelzak. De iconografie heeft eigenheid binnen de honderd schilderijen op bloemzak die ik tot heden heb bestudeerd en geregistreerd en waarover ik het artikel ‘De kunst van de meelzak’ heb geschreven.

 

Dank aan
– De medewerkers van het Kenniscentrum IFFM, Ieper;
– Hubert Bovens voor de biografische gegevens van de kunstenaar;
– De Kunstvrienden Jacques Laperre en Karl Scheerlinck.

Voetnoten:
*) Betekenis ‘mystiek’ (bijv nw) 1. geheimzinnig, onverklaarbaar; 2. te maken hebbend met mystiek -het streven om één te worden met God.

[1] Website Koewacht, een dorp op de grens. Geraadpleegd 1 november 2025.

[2] Deelen, Ary, Kunstberichten. Uit Antwerpen: Koninklijk kunstverbond tentoonstelling van werken van Tony VAN Os 4 tot 15 Februari 1911. Onze Kunst. Jaargang 10. L.J. Veen, Amsterdam 1911, p. 101

[3] Hammenecker, Tjen, Het wezen der dingen is mystieke weemoed. Honderd jaar Tony van Os. De Voorpost, 20 juni 1986, p. 13

4] Informatie uit teksten opgesteld door onderzoeker Jacques Laperre

[5] Geraadpleegd op 1 november 2025

[6] L’Indépendance Belge (Edité en Angeleterre), 4 maart 1916; De Stem uit België, 31 maart 1916 (uitgegeven in Londen van 1916 tot 1919)

De kunst van de meelzak. Toelichting op dertien schilderijen.

De afbeeldingen op de meelzakken: wat vertelt de expressie van de kunstenaars in bezet België over de wijze waarop zij onder de Duitse bezetting leefden en uitdrukking gaven aan hun -verwarrende- ervaringen, zowel voor zichzelf als voor anderen?

Hier volgt een uitgebreide toelichting op de dertien schilderijen die als illustraties zijn opgenomen in mijn artikel De kunst van de meelzak.


‘Zij zullen hem niet temmen zoolang een Vlaming leeft’, 1916, meelzak ‘American Commission’, afm. 76×36 cm. Coll. G. Hollaert, België, foto auteur.

In de collectie Hollaert in Dendermonde bevinden zich vijftien beschilderde bloemzakken in ongepolijste expressie van Belgisch patriottisme. De schilderstijl lijkt afkomstig van een en dezelfde schilder. Eén van de zakken draagt de signering ‘S. Chotteau’. Hij of zij schilderde landschappen langs de IJzer, Koning Albert, akkers met graanschoven en de Vlaamse leeuw die zijn ketenen verbreekt. In de grimmige kop van de leeuw staan fel priemende ogen, tot uitdrukking gebracht in verf met de kleuren zwart, geel, rood. In naïeve schilderstijl spat de emotie en vaderlandsliefde van de zakken af.


Jean Brusselmans, ‘Fleurs’. Hommage Reconna(i)ssant des Travailleurs Belges 1915, bloemzak American Commission, 75 x 39 cm. Coll. HHPLM 62.4.231, VS, foto auteur.

JEAN BRUSSELMANS was 31 jaar in 1915 (Brussel, 13 juni 1884 – Dilbeek, 9 januari 1953). Brusselmans heeft geen aarzeling gekend om een meelzak te beschilderen; zijn ervaring als schilder van reclameborden kwam hem te pas. Hij maakte de keuze voor een geleegde zak met bedrukking in blauwe letters ‘American Commission’ en schilderde er twee takken rozen omheen. De rozen en takken zijn blauw, doornen steken akelig uit, aan de onderzijde houdt een plechtstatig, als banier gestrikt lint, de twee takken bijeen.

Blauw kent de natuur niet voor rozen. Brusselmans’ symboliek sluit aan bij de stijl van een groep van jonge Brusselse kunstenaars waarmee hij deelnam aan de eerste ‘Salon des Bleus’ gehouden bij Galerie Georges Giroux, eind december 1912.
Brusselmans blijkt geïnspireerd door een kunststroming in Rusland. In 1907 organiseerden kunstenaars rond Victor Borisov in Moskou een tentoonstelling vanuit het Russische symbolisme onder de naam ‘De blauwe roos’.
‘De Blauwe Roos liep hoog op met de Belgische auteur Maeterlinck. In hun kunstkringnaam stond de roos voor de smart, de doornen van het leven en de mooie geur. Het blauw kwam van Maeterlincks L’Oiseau bleu (de blauwe vogel), dat in 1908 in wereldpremière ging in Moskou. Onvatbare ‘blauwe’ kunst die de mens gelukkig maakt.’[1]

Aan de oproep om als kunstenaar zijn erkentelijkheid uit te drukken voor invoer van levensmiddelen gaf Jean Brusselmans op anarchistische wijze gehoor. Hij gebruikte geen vaderlandslievende symbolen en kleuren, bij hem geen Belgische vlag of de kleuren zwart, geel, rood. Hij schilderde in 1915 namens de ‘Travailleurs Belges’ (Belgisch Werkers) zijn ‘hommage reconnaissant’ gebaseerd op een jonge kunststroming.

Een onderscheidend kunstwerk tussen de beschilderde meelzakken, van een jonge Belg gemaakt tijdens het gewapende conflict waarin Rusland, België, Frankrijk en Groot-Brittannië de geallieerden waren; in navolging van het Russische symbolisme, gevoed door de Belg Maeterlinck, op een meelzak uit het toenmalig neutrale Amerika.

Jean Brusselmans, ‘Laboureur’. Coll. HHPLM 62.4.119.

Het schilderij op zak is anno 2025 bewaard in de VS in het museum opgericht voor de Amerikaanse oud-president Herbert Hoover, een fervent republikein.

Jean Brusselmans beschilderde een tweede meelzak met als titel ‘Laboureur’. De zak met bedrukking ‘Chicago’s Flour Gift’ toont een boer op klompen, spittend in zijn akker. Ook dit item bevindt zich in HHPLM nr. 62.4.119.


Philibert Cockx, ‘Nieuport’, Bruxelles, 1915, meelzak ‘Flour. Canada’s Gift’, afm. 48×94 cm. Coll. HHPLM 62.4.254, VS, foto auteur.

PHILIBERT COCKX was 36 jaar in 1915 (°Elsene 29-04-1879 +Ukkel 02-09-1949). Hij schilderde twee figuren, een moeder en een dochter, zittend op ‘une brouette’ (een kruiwagen of plaggenkar) [1A], uitkijkend over de IJzervlakte. Nieuwpoort stad is in donker silhouet op de achtergrond met open sluizen, omhoog staande bruggen en schepen onder zeil die langs varen. De vrouwen nemen roerloos het landschap op. Cockx’s zomerse kleuren van 1915 zijn hoopvol, schilderde hij een idyllisch tafereel? Of verwijst hij naar de treurnis van een familie, die in de verte een echtgenoot, zoon, vader, broer, aan het front weet? Het front op Belgisch territoir waar legers tot stilstand waren gebracht?

Philibert Cockx, ‘Oogstende boer in graanveld’, 1915. Bloemzak ‘Cascadia’, Portland Roller Mills. Moulckers Collection, St. Edward’s University

Van Cockx zijn nog twee beschilderde meelzakken bekend. ‘Oogstende boer in graanveld’ op een bloemzak Cascadia van Portland Flouring Mills, Portland, Oregon, VS, bevindt zich in de Moulckers Collection, St. Edward’s University, Austin, Tx, VS. een jonge boer in een graanveld. Hij oogst de tarwe, schoven staan op de akker, het doek is omrand door geschilderde zwart, geel, rode bloemranken.

De catalogus van de Auderghem-expositie in 1915 vermeldt het werk ‘Village Flamand’; dit schilderij is waarschijnlijk naar de VS gestuurd, maar niet getraceerd.


Godefroid Devreese, ‘Au bénéfice d’alimentation 1914-1915’, meelzak ‘Perfect’, Gem State Roller Mill & Ele. Co., Ucon, Idaho. Coll. KMKG Tx 2626, België, foto auteur.

GODEFROID DEVREESE was 54 jaar in 1915 (°Kortrijk 19-08-1861 +Elsene 31-08-1941). Devreese bracht het Voedingswerk in beeld.
De beeldhouwer en medailleur maakte een monochrome tekening in roodkrijt van een kind met krullende haardos, blote armen en benen, gekleed in een schortje. Het zit op de grond en lepelt soep uit een steelpan; de onderbenen klemmen de pan vast. De tekst ‘AU BÉNÉFICE D’ALIMENTATION’ (‘ten voordele van de voeding’) staat in een boog om het kind heen, beginnend en eindigend in een tarwehalm. Een krans van zonnestralen benadrukt de letters. Het onderwerp is geschetst alsof het bestemd is (geweest) voor een plaquette of medaille. Het hoofdje van het kind vertoont enige gelijkenis met het hoofd van Mimine Schellecat, dochtertje van de kleermaakster van mevrouw Devreese, op een bronzen medaille uit 1906.

G. Devreese, hanger (recto), brons. Coll. en foto E. McMillan

Van hetzelfde ontwerp van Devreese is een hanger die geschenk was voor de medewerksters van de liefdadigheidstentoonstelling ‘Exposition d’Art et de Travaux Manuel, 1914-Bruxelles-1915’.

Kennelijk is er ook een kantwerk uitgevoerd met dit ontwerp; de collectie van het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis bewaart er de tekeningen en kantpatronen van.


Josué Dupon, ‘Grateful Belgium, JD’, 1915, meelzak ‘American Commission’, lithografie (recto). Coll. en foto National WWI Museum and Memorial, VS.
Josué Dupon, ‘Grateful Belgium, JD’, 1915, (verso). National WWI MM.

JOSUÉ DUPON was 51 jaar in 1915 (°Ichtegem 22-05-1864 +Berchem 13-10-1935). Dupon vluchtte in oktober 1914 naar Engeland en keerde begin 1915 terug naar Antwerpen/Berchem.
Zijn litho’s op deze meelzak zijn meer dan ‘gedrukte tekeningen’, ze bevatten impliciete boodschappen over voedingswerk en patriottisme.
Het silhouet van leeuwenklauwen geeft de adelaarsvleugels structuur, een doornenkrans omringt het Belgische wapen. In de kop van de adelaar met de twee graanstengels lijkt de kop van een leeuw te zien. En in de contouren van de adelaar zou het lichaam van de zwarte leeuw te zien zijn.

De zwarte leeuw, die de geur opsnuift uit zijn soepterrine, de goudgele letters ‘Grateful Belgium’ en het rood van het Amerikaanse shield vertegenwoordigen de kleuren zwart, geel en rood van de Belgische vlag.

Josué Dupon, ‘pelikaan voedt jongen’, medaille Hulp en Voeding, Antwerpen, 1915

Uit krantenartikelen blijkt dat Dupon samen met Piet van Engelen bij meerdere versieringen van bloemzakken betrokken was.[2]

Tijdens een feestelijk bijeenkomst in Antwerpen gaf het provinciale komiteit de vice-president van de Commission for Relief in Belgium een meelzak als geschenk ontworpen door Josué Dupon.

Het ontwerp was een theemuts met tekening van een pelikaan (in de krant verkeerd geïnterpreteerd als een zwaan of ooievaar). (L’Indépendance Belge, 22 augustus 1916)

Pelikaan voedt jongen, Antwerpen, 1915

De pelikaan die jongen voedt met eigen bloed was het merkteken van de Antwerpse Middenkomiteit.

Sinds de middeleeuwen staat dit beeld in de kunst symbool voor opofferingsgezindheid.

Overigens: ook de dochters van Dupon waren bij de Werken in Antwerpen betrokken.[3]


Marie Durand – ‘Les Cloches d’Eppeghem’, 1915, Bruxelles, afm. 61×41 cm. Coll. en foto M. Moulckers, VS.

MARIE DURAND was 49 jaar in 1915 (°Saint-Croix 01-09-1866 +Marcourt 12-08-1957). Zij kwastte op meelzak, van onbekende origine, het beeld dat zij op foto zag van ‘Twee Vriendinnen – De Klokken van Eppeghem’. ‘Elles appelaient ces jours-là: «dies irea», des jours de colère… Il en vint un dont la colère fut si terrible qu’elles n’en purent compter les coups. Elles en furent frappées si douloureusement qu’elles s’évanouirent au milieu de cette tempête de mort. Les deux amies jetèrent, en s’effondrant l’une près de l’autre, un cri sinistre comme un glas. Et les voilà gisant sur le sol, toujours inséparables, ayant chiffoné leurs atours si bien que les bas de leurs belles robes vert-mordorées semble frangé comme un suaire de luxe.[4]

De Grote Oorlog was de eerste industriële oorlog. De wapenarsenalen richtten grove verwoestingen aan. Ruïnes – het trauma van de Duitse invasie en bezetting- zijn het beeld dat schilders en fotografen vastlegden van het zwaar getroffen België.[5]

Marie Durand werkte 22 jaar als docente op verschillende middelbare meisjesscholen, de Ecoles Moyennes, in de agglomeratie van Brussel.
Zij zal celibatair gebleven zijn. Haar overlijdensdatum is nog niet gevonden, maar ze is op 91 jaar verhuisd naar Marcour in de Ardennen. Ze had daar in haar jeugd in de nabijheid gewoond, namelijk in Samrée.
Andere kunstwerken dan deze beschilderde meelzak kwamen nog niet tevoorschijn. Een onderzoeksvraag is of Durand als docente van de meisjesscholen invloed heeft gehad op het versieren van meelzakken door studentes van deze scholen in 1915. [6]


Rose Houyoux, ‘Allégorie’, To those Who gave us the Joy to be grateful’, 1915, meelzak Castle, Maple Leaf Milling Coy., Ontario, Canada – Canada’s Gift, afm. 94×107 cm. Coll. HHPLM 62.4.215, VS, foto auteur.

ROSE HOUYOUX was 20 jaar in 1915 (°Brussel 30-07-1895 +Elsene 02-09-1970). De dochter van Léon Houyoux beschilderde haar meelzak met een voedingsallegorie. De vrouwen lijken een representatie te zijn van Columbia -in blauwgroen- met een bundel korenhalmen en Dame Belgica -oranjerood- met uitgestrekte armen om het koren in ontvangst te nemen.

Léon HOUYOUX, ‘Fillette revenant de la distribution de pain’, Auderghem, (Belgium), 1915, afm. 84×31 cm. Coll. en foto M. Moulckers.

LÉON HOUYOUX was 59 jaar in 1915 (°Brussel 24.11.1856 – Oudergem 10.10.1940). Hij schilderde op bloemzak een meisje dat terugkwam van de broodverdeling. De gemeente Oudergem bezit het olieverfschilderij ‘Winterhulp’ van Houyoux. Het meisje in rood, wit, blauwe kleding lijkt zo weggelopen uit het schilderij, ze klemt het ronde brood, gebakken van Amerikaanse bloem, stevig tegen zich aan. Haar gele klompen en zwarte sokken vertegenwoordigen haar vaderland.

De verbinding in de patriottische expressie van vader en dochter ontvouwt zich in een detail op het schilderij van vader Leon. De letters ‘s, y en l’ linksboven aan de rand zijn de laatste letters van de woorden ‘us, joy en grateful’ van dochter Rose.

De catalogus van de Auderghem-expositie in 1915, vermeldt een tweede werk van Léon Houyoux: ‘Fillette revenant de la distribution de pain’; deze zak is nog niet getraceerd.


Paul Jean Martel, ‘The Return of King Albert, 22-11-1918, Bruxelles’, bloemzak Madame Vandervelde Fund, afm. 53×88 cm. Coll. en foto: Maclovia Martel.

PAUL JEAN MARTEL was 36 jaar in 1915 (ºLaken, België, 04-08-1879 +Philadelphia, Penn. VS, 26-09-1944). Martel nam deel aan de tentoonstelling in Oudergem. Hij bewaarde een lege meelzak en heeft deze uitzonderlijk beschilderd ná de bezetting. Martel schilderde de heroïek van de ‘Blijde Inkomst van koning Albert en koningin Elisabeth op 22 november 1918’. Het licht schittert op de meelzak; kleurrijke pasteltinten geven Martel’s blijdschap weer, gedeeld met duizenden mensen in Brussel.

De catalogus van de Oudergem-expositie in 1915, vermeldt twee eerdere werken van Martel. ‘My dear wife’ en ‘Printemps’ zijn genoemd in een krantenartikel. ‘(…) we trokken naar het Gemeentehuis, een klein, onaanzienlijk gebouwtje, waar in eene der zalen de tentoonstelling ingericht wordt van … Amerikaansche zakken. Prachtig zijn twee tafereelen, door M. P. Martel op het ruwe lijnwaad geborsteld; bijzonder zijne ‘Glimlachende vrouw’ is buitengewoon kleurrijk.[8]

Paul Jean Martel, ‘Vrouw met handwerk’, 1915; Coll. HILA, George I. Gay Papers; foto: HILA staff

‘My dear wife’ bevindt zich in HILA. Het etiket vermeldt: ‘George I. Gay Collection. Oil painting of woman sewing. 17” x 23” (schilderij in olieverf van vrouw die naait, br. 43 x h 58 cm).

‘Printemps’ of ‘Glimlachende vrouw’ is mogelijk geschenk gegeven door The Friends of Belgium aan de Girl Scouts in Brooklyn, New York in 1924. Amerikaanse krantenartikelen verwijzen naar dit werk als ‘the picture of a beautiful blond girl dressed in white with collar and cuffs in red and a blue bow at the neck’, maar de zak is nog niet getraceerd.[9]


Armand Rassenfosse, ‘Nu’, ‘Imprimé à Liège en 1915 sur sac américain’, meelzak ‘James River Falls’, The Dunlop Mills, Richmond, Virginia, VS. Privé-coll. België, foto N. de Rassenfosse.

ARMAND RASSENFOSSE was 53 jaar in 1915 (°Luik 06-08-1862 +Luik 28-01-1934). Hij etste het portret van een naakte vrouw op een bloemzak uit Virginia. Op andere meelzakken heeft hij portretten van mijnwerksters geëtst. Meerdere kunstenaars verheerlijkten in vooroorlogse jaren de jonge vrouwen met een loodzwaar en gevaarvol beroep als waren zij nimfen.[10] Rassenfosse had zijn etsen al eerder in vooroorlogse jaren gemaakt. Het overlijden van zijn zoon in 1913, het uitbreken van de oorlog, de zware gevechten rond zijn stad Luik, zullen hem zwaar op de proef hebben gesteld. Rassenfosse hield vast aan het hem bekende, de dagelijkse routine hield hem overeind.
Rassenfosse maakte deel uit van een groep Luikse kunstenaars die voor het goede doel 67 meelzakken beschilderden en bedrukten voor de grote liefdadigheidstentoonstelling, gehouden in de Académie des Beaux-Arts in Luik van 4-11 juli 1915.[11]

Van Rassenfosse zijn twee andere werken op meelzak bekend. ‘Hiercheuse’ (mijnwerkster) is een lithografie op meelzak uit de VS-westkust, collectie HILA Frederick H. Chatfield Papers. Hij noteerde op het doek ‘Etude pour un tableau’.
Het tweede werk ‘Hiercheuse. Imprimé sur toile de sac américain’, 1915, is een lithografie in de collectie van Musée de la Vie wallonne.


Louis Thevenet, ‘Stilleven’, 1915, meelzak, ‘American Relief for Belgium Flour milled by Wm. Kelly Milling Co., Hutchinson, Kansas, USA’. Coll. Atelier Martin Wallaert © den AST Halle/foto R. Cosaert.

LOUIS THEVENET was 41 jaar in 1915 (°Brugge 12-02-1874 +Halle 16-08-1930). Hij schilderde een stilleven zoals hij er vele heeft gemaakt. Maar dit kleine schilderij vulde hij specifiek met bezettingssymboliek. De kleuren zwart, geel en rood van stoel en strohoed – uit de vallei van de Jeker – rood, wit, blauw van de vaas met bloemen, waarnaast de soepkom, het tafelkleed in wit van de onschuld vult het halve doek, en contrasteert met het zwart van tafelpoot, plint en strohoedband. Een schetsboek ligt binnen op tafel. ‘Buiten’ – een groen veld met bomen tegen blauwe hemel – hangt ingekaderd aan de kamermuur.

Thevenet is erom bekend ook in latere werken via kleuren een vaak verdoken politieke boodschap te brengen. Zie ook Karel van de Woestijne over Zaal Giroux juni 1915, dagboeken, blz. 480: ‘Thévenet blijft mij lief om zijne vranke eerlijkheid.’


Henri Thomas, ‘Jeune femme au manchon’, 1915, meelzak ‘White Fawn’, Duncombe Bros, Waterford, Ontario, Canada. Coll. KBR Prentenkabinet, België, foto auteur.

HENRI THOMAS was 37 jaar in 1915 (°Sint-Jans-Molenbeek 22-06-1878 +Brussel 22-11-1972). Hij maakte een gravure in zacht vernis van een jonge vrouw van goeden huize, gekleed in donkere jas, haar gehandschoende linkerhand in een mof stekend. Ze heeft een starende blik, haar ogen en mond staan triest en afgewend als om misère te verwerken. Haar lichte hoofdbedekking op donker, kort geknipt haar lijkt een verpleegsterskap. Haar beeltenis associeert met de vele jonge vrijwilligsters die na het uitbreken van de oorlog in de geïmproviseerde hospitalen de zorg namen voor gewonde soldaten -hun mannelijke leeftijdsgenoten- ze zagen hen lijden en sterven.

Henri Thomas maakte meer werken op bloemzak: ‘Mouth of the Eyser’ and ‘A Child’s Head’ zijn aangeboden op een tentoonstelling in New York in 1920.[12] De vindplaats is niet bekend.


Guillaume Van Strydonck, ‘Washington’s Spirit Does Flourish in USA’, 1914-1915 (New York 1908), meelzak Washington Flour A.B.C. Coll. St. Edward’s University, foto: Linzee Kull McCray

GUILLAUME VAN STRYDONCK was 54 jaar in 1915 (°Namsos, Noorwegen 10-12-1861 +Sint-Gillis 02-07-1937). Van Strydonck, docent aan de Academie van Schone Kunsten in Brussel, schilderde een leraar die lesgeeft aan vier jongetjes met boterhammen in hun hand, gekleed in rood, wit, blauwe schorten. Belgische symbolen ontbreken bij Van Strydonck, hij focust volledig op de VS, waaruit zijn kennis en levenservaring van het land naar voren komt. Van Strydonck kwam uit een gegoede familie, hij was een bereisd man. In 1911 trad hij toe tot de Vrijmetselarij in Brussel.

De skyline van New York, gezien vanaf de Hudson, tekende hij in detail. De schilder noteerde: ‘G.S. Van Strydonck 1914-1915. (New York 1908)’ en hij signeerde zijn werk verticaal met zijn naam.
Een foto van 1908 toont de toenmalige skyline van New York, bezien vanaf de Hudson. [13]

Guillaume Van Strydonck, Skyline New York op bloemzak 1914-1915. Coll. Moulckers
Een foto van de skyline van New York gezien vanaf de Hudson, rond 1908. Foto: online

De tekst ‘Washington’s Spirit Does Flourish in USA‘ weerspiegelt in de Hudson.

Guillaume Van Strydonck, Washington’s Spirit does Flourish in USA’, bloemzak 1914-1915. Moulckers coll.

De kunstenaar verwijst naar het gedachtengoed van George Washington, de 1e president van de Verenigde Staten die schreef over eventuele Amerikaanse interventies in het buitenland in het geval van noodsituaties: ‘(…) we may safely trust to temporary alliances for extra-ordinary emergencies. Harmony, liberal intercourse with all nations, are recommended by policy, humanity and interest’.[13a]
Op 22 februari 1915 werd in België de verjaardag van George Washington gevierd. Amerikaanse vlaggen en Amerikaanse kleuren werden overal getoond.[14]

Guillaume Van Strydonck, Stock Exchange, Bruxelles, 1914-1915. Part. coll. USA

Een tweede bloemzak van Van Strydonck bevindt zich in de collectie van Mike Moulckers, Tx., VS. De schets toont de ‘Stock Exchange’, het Beursgebouw van 1873 in Brussel. De origine van het doek lijkt door de resterende bedrukking op een ‘Belgian Relief Flour’ zak. Van Strydonck voegde ook hier letters toe aan de tekst. ‘(Belgia)n’s (…) were (Flouri)shing’.
De schets van het Belgische beursgebouw zou -in analogie met het andere schilderij- een verwijzing kunnen zijn naar de Amerikaanse Federal Hall op Wallstreet, New York, waar George Washington werd ingehuldigd als president. Op de trappen van dit gebouw legde hij in 1789 de president’s eed af.

Conclusie
Voedseltekorten en hongerlijden ontbreken in de iconografie.[15]
In analogie met de WO I symboliek van moedige soldaten en escapisme, brengt de meelzakken iconografie een representatie in beeld van gezonde en moedige vrouwen en kinderen. De kunstenaars in bezet België uitten zich al doende met vaderlandse propaganda tegen de vreemde bezettingsmacht. Hun verregaand escapisme is op te maken uit de idealisering van voldoende en lekker eten, loftuitingen en dankbetuigingen aan de vreemde mogendheid overzee. Ze geloofden in het eerste oorlogsjaar 1915 dat de hoge Belgische levensstandaard, mede dankzij hun creatieve bijdrage, hoe dan ook stand zou houden.

Voetnoten:

[1] Hoffmann, I., e.a., Het Russiche Symbolisme. De Blauwe Roos. Brussel: Europalia International, catalogus Museum van Elsene, 2005

[1A] ‘Une brouette’, een kruiwagen of plaggenkar (in Engels: wheelbarrow), was voor schilders die ‘en plein air’ werkten een onmisbaar vervoermiddel.

Emile van Doren schildert, gezeten op zijn plaggenkar. Foto: Emile Van Dorenmuseum

Kristof Ruelens, conservator van het Emile Van Dorenmuseum in Genk,  schreef mij:  “Emile Van Doren (Brussel, 14 april 1865 – Genk, 19 mei 1949) herbruikte zo’n plaggenkar voor zijn schildersuitstappen, om zijn schildersdoeken, draagbare schildersezel en schilderskoffer met palet, tubes en penselen te vervoeren. En hij gebruikte het dan ter plaatse ook nog om op te zitten.”

Millet, ‘L’Angélus’, Coll. Musée d’Orsay, foto online

De kruiwagen op Philibert Cockx’s bloemzak roept ook een associatie op met het schilderij ‘Angélus’ (1857-1859) van Jean-François Millet, waarop een vrouw en man bidden op hun akker, staande voor hun kruiwagen met zakken aardappels.

 

 

[2] HILA CRB records 22003 Box 663.1 Rotterdam Office Clippings.

[3] Over Josué Dupon:
– dank aan Raf Cromheecke-Dupon te Kalmthout, die een omvangrijk archief van Josué Dupon bewaart en meerdere niet-gepubliceerde recensies over zijn werk schreef.
– Frieda Sorber  mededeling van 1/11/2020 : Wat de werkplekken in Antwerpen betreft. De juffrouwen Dupon, dochters van de beeldhouwer Josué Dupon, vertelden me op het einde van hun leven, ca. 1980, dat zij hielpen in een grote werkplaats voor Vrouwen in een grote zaal in Antwerpen-zuid.

[4] Ardan, Felix, ‘Les Cloches d’Eppeghem’, 1 december 1914, in: 1914 Illustré: revue hebdomadaire illustrée des actualités universelles, verschenen tussen 1914-1918.

[5] Rossi-Schrimpf, Inga, Kollwelter, Laura, 14/18 – Rupture or Continuity. Belgian Art around World War I. Leuven: Leuven University Press, 2018

[6] De Kunstvrienden hebben intensieve naspeuringen gedaan naar leven en werk van Marie Durand.

[7]—

[8] Geïllustreerde Zondagsgazet, 25 juli 1915

[9] The Brooklyn Citizen, 23 juni 1924

[10] Hilden, Patricia Penn, Women, Work and Politics. Belgium 1830-1914. Oxford: Larendon Press, 1993. Zie ook: Mélon, Marc-Emmanuel, Paradoxe esthétique et ambiguïtés sociales d’un documentaire photographique: La Houillère de Gustave Marissiaux (1904-1905). In: Art&Fact, no. 30, Luik 2011, p.146-156

[11] ‘Exposition des sacs d’Amérique’, Le Messager de Bruxelles, 7 juli 1915

[12] Abilene Weekly Reflector, 18 maart 1920

[13]
– Ekonomidès, C., Guillaume Van Strydonck [1861-1937] Florida 1886, Indië 1891. De reizen van de impressionistische schilder. Catalogus Charlier Museum, Brussel, 2002.
– Dank aan Luc Dewilder voor de foto uit 1908 van de New York skyline.

[13a]Washington’s Farewell Address to the People of the United States’, gepubliceerd in de Philadelphia Daily American Advertiser, 19 september 1796. Washington sprak zich uit tegen bondgenootschappen met andere landen, het zou leiden tot ongewenste onderlinge afhankelijkheid; maar buitengewone noodsituaties konden het tijdelijk vragen.

[14] Ashbury Park Press (Ashbury Park, New Jersey), 25 februari 1915

[15] Welke beelden zijn er van voedseltekorten en hongerlijden in bezet België in het eerste oorlogsjaar 1914/15? Foto’s in zwart-wit tonen stoere mannen actief in bevoorradingen van volle zakken, lange rijen geduldige mensen voor de hulpcentra van de komiteiten, tevreden kinderen met boterhammen.
Belgische kinderen zijn steeds ordelijk, welgemoed en -gekleed gefotografeerd, binnen de structuur van hun klas of school, ook het eetgerei ziet er verzorgd uit.
Maar foto’s uit andere Europese landen tonen een mengelmoes aan kinderen zich met verbeten gezichten en divers eetgerei, opdringen om eten te ontvangen. Inmiddels zijn er dus historici die zich van zulke foto’s bedienen om de honger van Belgische kinderen te illustreren…

Les sacs à farine peints. Une forme de l’art pendant la guerre

L’ article « Les sacs à farine: une forme de l’art pendant la guerre » qui suit, a été publié dans le deuxième numéro du livre « Kunstvrienden. – Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950 » (Les Amis de l’art – Chercheurs et collectionneurs d’art belge 1830-1950).

J’y présente les résultats de mes recherches sur les sacs à farine peints par des artistes belges en 1915. J’ai choisi d’expliquer ces résultats de manière plus scientifique à travers:
• Une définition des sacs à farine peints pendant la Première Guerre mondiale
• Un aperçu des expositions, des artistes et des collections
• L’identification du sac à farine comme de « l’ art des tranchées  » de la Belgique occupée
• Les contradictions dans l’historiographie concernant le contexte des sacs
• L’iconographie distinctive de la peinture belge de la Première Guerre mondiale.

Jean Brusselmans, « Fleurs », 1915, sac à farine American Commission. Coll. HHPLM. Photo l’auteur

Je conclus que les sacs à farine peints retrouvés, au nombre de plus d’une centaine et réalisés par soixante-dix artistes belges, méritent d’être examinés de près afin d’approfondir leur iconographie.

Bien que la plupart des œuvres d’art semblent être conservées aux États-Unis, grâce à une meilleure connaissance de ces sacs, de plus en plus de peintures apparaissent dans des collections privées belges en particulier.

La présence de jeunes Américains impliqués dans la distribution alimentaire aura influencé les artistes. L’art des sacs à farine témoigne d’un transfert culturel intrigant pendant la Première Guerre mondiale. Cela aura contribué à l’internationalisation de l’art belge.

Louis Thevenet, « Nature morte », 1915, sac à farine Wm. Kelly Milling Company, Hutchinson, Kansas, USA’. Coll. privé belge

Vous pouvez lire l’article ici : « Les sacs à farine: une forme de l’art pendant la guerre ».

En plus, j’ai rédigé une explication détaillée des treize sacs à farine peints qui illustrent l’article:
« Les sacs à farine: une forme de l’art pendant la guerre. Une explication de treize peintures » (article en néerlandais, veuillez utiliser le bouton orange « «TRANSLATE » pour la traduction).

 

Présentation du livre à Bruges, le 11 octobre 2025


Le samedi 11 octobre, la publication « Kunstvrienden. – Onderzoekers en verzamelaars van Belgische kunst 1830-1950 II » a été présentée à Bruges lors de la troisième journée de rencontre des Amis. La publication compte 224 pages et 28 contributions.

Coordination: Jacques Laperre
Conception: Sam Vanoverschelde
Imprimeur: Drukkerij Stad Genk
Tirage: 250 exemplaires.

J’ai précédemment publié l’article: « Show beschilderde bloemzakken voor Kunstvrienden in MuZee ».

Translate »